Google This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project to make the world's books discoverablc onlinc. It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the publisher to a library and fmally to you. Usage guidelines Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. We also ask that you: + Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for personal, non-commercial purposes. + Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of public domain materials for these purposes and may be able to help. + Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. + Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. About Google Book Search Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web at |http: //books. google .com/l Google Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. Richtlijnen voor gebruik Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automaüsch zoeken. Verder vragen we u het volgende: + Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. + Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn. + Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. + Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. Informatie over Zoeken naar boeken met Google Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken op het web via |http: //books .google .coml I PRESENTED TO THE UBRARY PROFESSOR H. G. HEDLER 'iuxLü-< K .:; i^/i tcdéff^ JuMi . . . I i-. I \ \ AiMtSMMT) *: ; - . >V \ ^•/^ • ■ "■■ •* • mf «B %. Au*' t^^-^^Of f ^^>W^ y^^O Atiucy^ A%N". *- ^^- - -•^w '-% •-^. ^ 0*^^y^<^>at. .^fi^.^^ ^^'*> '**^'-^ '*>iS' y**^;^. ..>*^*%**y ^^-x^^Sjc?. r< -^ -^ ^^^ ..^'A^i^*-^ ^ <-A^ ^^^ - ^ - ; - y\- \ >\ "*^ N . ^^ y :,V^j^ïr-^^ ^-«n^ C<<>- »^ -^ *^ *>>' '^'^f yfó^j^:^^ ,**-v * . 9 I ï 4 '<4 / \ Gr % L^^ REINAERT DE VOS v \f 1 Otcktf om ttM«*e REINAERT DE VOS EPISCH lABELDICET TWAELFDE EN DERTIENDE EEUW, AENHERKINGEN EN OPHELDERINGEN J. F. WILLEMS, GEUT, BT F. EN E. GYSELYMCK, BOEK- EN STEENDRUKKERS. 1836. OF OXFORD VOORBERICHT. Jdtna dri% eeuwen lang Keeft men in de geletterde wereld fnet anderscheiding gesproken over de verdiensten van het gedicht Reinaert de Vos; doch ook meermalen getwist^ om wast te stellen^ waier, en door toien dit toerk oorspronglyk zy geschreven. Eindelyk scheen men het eens omirent de stelling, dat de Nedersaksische Rbihbu in oorspronglykheid en voortref^ plykheidal de andere gedichten van dien naem verre over-- trof, en als een der beste, zoo niet als het geestigste, der voorbrengselen van de duitsohe poezy moest toerden vereerd, toen de oplettendheid van eenige geleerden, waeronder bo^ 9enal tUtmutMe de in duitsohe oudheden en taslkunde door 0n door ervarene Jacob Grimm , zich bepaeldelyker vestigde op de gedichten der Vlamingen in de middeleeuwen j en daerudt ontstond dan, Yoor den onpartydigen beoordeekter, de overtuiging, da* de oudstbekende epische behandeling der dierenfabel, in welke de vos of de wolf een hoofdrol speelt, aen Vlaenderen niet kan worden betwist, en dtU Aet Saksisch gedicht slechts voor eene vertaling van het yiaemsch mag worden aengezien. Inzonderheid is er in den loop der laetste tien jaren veel gêdaen, om de dichterlyke verdienste en de geschiedkundige VI VOORBERICHT. (iengelegenheüi onzer dierenfabel naer toaerde te doen ken^ nen en schatten. Grimh, Mohe, Hoffmann ton Fallerslebbr , Scheller^ Langee (1) en Ettmüller (2), in Duitschland, MioN, Ratnouard, Qobbrt, St. MabcGirarn^ (3), Ghabailli in Frankryk, Sghelteha, Ten Broegke Hoekstra en Groebi in Holland, hebben a4le te dien einde min of meer tcerk^ zaem getoeest. Van mynen kant maekte ik de Zuidneder^ landers aendachtig op dit meesterstuk der poezy hunner voorvaderen, door eene Verha/ndeling , geplaetst in den Messager des Sciences et des Arts de la Belgique van het jaer 1833^ en door eene omzetting of nieuwe beryming van het oudste gedeelte des Nederlandsohen Reinaerts , het Jaer daema te Eecloo in druk verschenen. By dit al, loet het zich nogthans aenzien, dat deze geleerde Vossenjacht, (indien ik het zoo heeten mag,) nog niet geheel is ten einde geloopen. Men zegt, dat Grimm in de Burgondische handschriftenbibliotheek te Brussel nog eenige stukken heeft ontdekt, die tot den cyclus onzer fhbel behooren , waeronder een dierengesprek , Ecbasis genoemd^ en eene latynsch berymde fabel van den vos en den hoen. Ook MoNE heeft nog het een en ander opgedaen, wat daertoe betrekkelyk is, en zal vermoedelyk met nieuu^e bewyzen op» treden, om de historische allusienvan den Reinardus vulpes te betoogen, in antwoord op de aanmerkingen van Grimm en Raynouard , alzoo laetstgenoemde geleerden het bestaen dier historische aenduidingen teenemael loochenen^ Wyders is my almede bekend, dat de heer Bormans^ pro^ fessorder vlaemsche letterkunde by de hooge school te Gent, (1) In de rfêUê algemeimê d9utichê BiblioiK$k, deel ixxx, b1. 172. (2) Ja dn BldMêm fltr Utêrariêcke ünt^kalhmg, 1833, N« 20» 23. (3) Zyne oriikeli OTer h Romam de lUnart xyn Terschenen in het Joumal cKm Débats. VOORBEWCHT. vu eene reeks van critische aenteekeningen staet in het licht te geven ^ toaerdoor Reinardus , benevens het vraegstuk hoe oud dit epos zy, niet weinig zal toerden opgehelderd, naer men uit 's nums kunde in het vak der latynsohe letteren mag voorzien. Doch, gelyk het in myn bestek niet ligt de sctge van Reinaert en Isengrim in heter geheelen omvang, voortplan- ting en vervorming, te beschouwen, welke taek door Gkiu op zulke voortreffelyke wyze afgewerkt is, in zynen Rein- hart Fuchs, gedrukt te Berlyn in 1834, zoo heb ik my , by deze tegenwoordige uitgiwe, voorgesteld, en ook verkies^ fy^^ gevonden, geene andere zaken te behandelen, dan die met het hier geleverde gedicht in eene rechtstreeksche verhouding staden. Slechts de helft van den Nederlandschen Reinaert, in ver- ten, was ons door duitsche drukken bekend geworden, toen wy vernamen, dat een fraei handschrift van het geheel, op perkement, en nagelaten door den beruohten boekverzame- laerWïLUAM Hebbr, in den aenvang dezes jaers, te Londen stond verkocht te worden. Op voordracht vtm Serrure en van my heeft het Gouvernement tot den aenkoop van dit stuk last gegeven, met dat gevolg, dat wy ons kort daema mochten verblyden hetzelve aen de bibliotheek van Burgonfe te zien toegevoegd. Sedert de maend Mei in last hebbende om er eene uitgave van voor te bereiden, heb ik my met iever aen het werk gezet. By de eerste inzage van het codex bespeurde ik al^ dra, dcU de text zeer verschilde van de twee fragmenten, ons door GaiETER en Grihk medegedeeld, en dat de inhoud eene veel jongere omwerking en uitbreiding bevattede, dan den Reinaert, in het zoogenaamde Comburgsche hand^ schrift {thans te Stuttgart) bewaerd gebleven. Ik bevond VIII VOORBERICHT. dat veel rymregels ontbraken, en dat, op sohder aUebUkd^ zyden, een aenmerkelyk getal schryffouten zich voordeden, die de lezing duister en soms geheel onverstaenbaer maeh- ten. Over het algemeen kwam my het afschrift vry gebrek^ kig voor, en zeker niet beantwoordende oen den onmatig hoogen prys, waervoor het was verkregen; schoon het waer zy, dat dergelyke gedenkstukken van ntUioncUen roem nooit te diier kunnen worden betaeld. Uit eerbied en ontzag voor h^ oudere goede ben ik dus te rade geworden het by Grikh afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, als grondtext te volgen, plaetsende de varia/nten van het handschrift onder dien text, in af-^ zonderlyke kolommen. Doch de aldus opgeteekende yariae lectiones waren zoo groot , zoo talryk, dat ik my heb ver^ plicht gezien, wilde ik geenen dubbelen text in zyn geheel leveren, daarin besnoeiingen te maken, hier in bestokende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als yariante heb laten gelden wat werkelyk yeranderiDg was, of wat my toescheen voor de kennis onzer oude tael eenige oplettend^ heid te verdienen. Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waer^ van het eerste den ouden Reinaert der twaefde eeuw uit^ maekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende eeuw geschrevens hoewel ik het daer voor houde, dat het oorspronglyke rymwerk eigenlyk met V* 3394 eindigde, en dat de onmiddelyk daer achter komende 80 regels slechts den overgang hebben moeten uitmaken tot het verhael eener nieuwe hofhouding van koning Nobel, of, met andere woor^ den, tot het werk van den vervolgschryver. De oude prosaver taling, gedrukt te Delft in hetjaer 1486, en door Suhl heruitgegeven, de fragmenten in Gurms VOORBERICHT. ix Odina UBd Teutona en tn Gmim's Refaihart Fuchs medege^ dedd, midsgaden de Saffische vertaling onder den naem van Reineke bekend, stelden mg m stoet, althans ten deele, om de zoo even vermelde gapingen van het hanÓMkrip oen te vullen, om de vergissingen en nUszetHngen des afsohi^yvers te herstellen, om de schtyfwyze meer regelmatig voor te dragen, met een woord, om eenen mser criüsoh behandelden test aen het publiek te leveren. Ik heb aen dit vereischte, zoo veel in mg wcu, getracht te voldoen ; doch ook telkens myne em^idatien aengetoezen, door eene naeutokeurige opgave van de verkeerdgestelde woorden, zoo als ik die in het hcmd^ schrift aentrof, en dit ter vergelyking en beoordeeling van bevoegde rechters, aen wier uitspraek ik mg gaeme wü ge- dragen. Waer mgne verbeteringen byvoegingen moesten worden, daer heb ik ze tusschen twee haelyens [ ] inge^ klamd; en zoo deed ik almede ten aenzien der ontbrekende rymregels, welke ik mg verstout heb er by te dichten. Zie F- 2764, 4966, 4986, 6022, 5260, 5524, 6703, 6896, 6088 ,6110, 6388, 6464, 6550. Intusschen moet ik zeggen, dat ik de door Grims mst stippen aengevulde regels 1076 , 1087, 1162^ 1972, voor geene uitlatingen in het Comburg^ sche handschrift aenzie. Het zyn blykbaer drieregelige ry^ men, dergelyke men by onze ouden op meerplaetsen ontmoet. Ik heb die regels ecIUer laten staen, gelyk ik ze by hem vond, zoo dat het den lezer wordt vry gelaten over dit punt te oor'- deelen naer goeddunken} gelyk dit dan ook het geval zal zyn met drie andere samenrymingen , in het tweede boek zich voordoende, alwaar de V* 4676 , 5508 , 5574 door my, naer het voorbeeld van Grikh , zyn blank gelaten. Wat de spelling betreft : ik heb my op vele plaetsen ver- oorlof d de min of meer Hollandsche en inkrimpende van het handschrift (die my voor het oioerige ook zeer slordig voor- X VOORBEWCHT. kwam) naer de eigenschap van het zachtere vlaemsoh te toyzigen, en terug te brengen, zonder daervan telkens aen- wyzing te doen, en zonder my daeromtrent aen een Takten en zich geh/kblyvenden regel te toillen verbinden, tcat trot^ wens ook niet wel mogelyk ware geweest, en by de schryfwyze der ouden, die zich in aUes vryelyk bewoog, onvoegzaem zou hebben geschenen. Niet dat ik daer door de Hollandsche spelling van vroegeren tyd wil misachten, of met den Spaen- 8chen Brabander v€m Breero uitroepen : Wy Brabanders Wf spreken gemaynlyk perfect ons yayers fael ; m^aer ik begreep, dat men aen den ouden vlaemschen dichter mmst terug geven, wat hem, by zonder eigen is. Pontus de Heuiter , een geboren Delflenasr, noemde reeds in zynen tyd zekere holUmdsche uitspraek een woordenafbytsel ea half eetsel (1). Wyders ben ik met myne eigene aenteekeningen zeer spaerzaem te werk gegaen, my doorgaens vergenoegende de verouderde tooorden en spreekwyzen of door omschryving, of door eene korte verklaring, op te helderen, en my niet altyd gehouden achtende de voorbeelden of autoriteiten by te brengen, waerop ik dezelve steune. Dit laetste zou my te verre buiten myn bestek hebben afgeleid; behalve dat ik ook geen liefhebber ben van uitweidingen, door welke den oorspronglyken schryver als het ware belet wordt zynen weg te gaen, en de aendacht van den lezer zonder noodzake^ lykheid wordt verdeeld en afgetrokken. Eindelyk moet ik berichten, dat drie platen, namelyk die tegen over den titel, en die op bladz. 4 en 49 , naer het handschrift zelve zyn vervaardigd, terwyl de overige vignet-^ (1) Ned^fÊit9Ch9 orthographie, Antwerpen, 1581, bkdx. 93. VOORBERICHT. xi ten door den kunstenaer bewerkt zyn volgens de plaetjensy voorkomende in den IcUynschen Reineke van Hartman Schop- pbb; Uitgezonderd de hofdcms, bladz. 142, ivelke genomen is Uit de dusgenoemde prachtuitgave van Gottsghid. GiNT, den 20 Augustus, 1836. In weltlicker Wyssbeit ys kein Boeck geschreyen, Dem men billick mehr Rohm und Loff kan geren , Als Reineke Yoss ; ein scliliclit Boeck , darinnen Tho sehnde ys ein Spegel hoger Sinnen. Yorstendigheit in dem ringen Gedicht Als ein durbahr Schat yerborgen licht. J. W. liAoiirosta's Plaitdeuische gedichte, 4* ioiire. INLEIDING. T i R in de vro^ste tyden af heeft men waei^nomen dat de dieren zekere karakteristieke eigenschappen beziUen , en in derzdver lerenswyze baodeHngea aen den dag 1^^^, welke met die der menschen al vry wat OTereenkomst hebben. Het kon dus niet missen dat men dikwyU men- schen en beesten met elkander vergeleek , ja dat men fi- 0uertyk de eigenschappen en hoedanigheden van de eenoi aen de anderen toepaslte en orerdroeg, Traerby dan soms gero^trekkii^ea gemaekt werden, die niet altyd ten yoor- dede van ons tweeroettg geslacht mlkwamen. Men Tond den hond getrouwer dan den vriend , den ezel verduld^r dan den held; men zag, dat sommige fluitende en blatende sdiepzels malkander, in hunne tael, beter Terstaen, dan dexe en gene huisgezioaen en bmilien. Zulke vergelyking, boe vernederend in zekere opzichten, was echter teerzaem en stichtend; en zie daer den oorsprong der dierenfabel ! Zoo lang Teeteelt en jacht de Toornaenute bezigheid was , in welker voordeeleu schier al de rykdom der natiën lag sloten, spraken de menschen onderting van wolven en !□. ffelvk wv nu van de fransche reoubliekeinen of xnr INLEIDING. Berenhart, Lewengüd, Leicenhart, Lewboldj doch, naer mate de menschen meer beschaeM werden , en dus min- der met de dieren omgingen , yerzwakte ook van lieyerlede hunne belangstelling in het dierenleven , en geraekten deze Terschrikkelyke oforlogsnamen in onbruik, of doken weg onder de latynsche vermommingen van Adolf, Evero/rd, Bemard, Leonard, Leopold, en wat dies meer zy. Geen volk ter wereld heeft ooit meer bezordheid voor vee en huisdieren getoond dan de Franken. De capitu- larien bewyzen zulks ten overvloede, op byna elke bladzyde. Het moet derhalve geen verwondering baren , dat ook by hen , het eerst van al , eene soort van dierenfabel ontstaen is , waervan men vergeefs een voorbeeld by andere natiën zoeken zoude, eine thierfahel, zegt Grimm (1) der sich nichts imdernoo zur seüe stellen lasst. Die fülle ihrer enUtehung und ausbildung überbietet alles , woê dtis cUterthum in der fabel hervargebracht hoi. Mit der ganzen krap des epos-y hnospe an knospe schfjoellend, erblühie sie aus deutsohen stiwim in den Niederlanden, dem nordlichen Fro/nkreick (Fransch-Ylaenderen en ommestreek) und dem icestliohen Deutschland. » Inderdaed , waer zou men elders zulke ge- dichten kunnen aenwyzen als de Isengrimus , Reinardtis vulpes en Beinaert, alle drie op onzen vlaemschen bodem voortgesproten? Bidpaï, Esopüs, Fedrus, La FonTAiias hebben voorzeker zeer geestige fabels geschreven: Faisant parier Ie lonp et repondre Tagneaa , Et passant plus avant; les arbres et les plantes Sont devenas chez eax crëatores parlantes (2)^ terv^l onze voorvaders, om niet tegen de waerschjrnlyk- heid te zondigen, de boomen en planten, zoowel als de * (I) Reinhari Fmh$, bl. XVI. — (2) LuroRtAna, FabUi, line II, 1. INLEIDING. XV Tisschen , hebben stom gelaten ; doch wie van deze dich- ters , vraeg ik ^ heeft het ooit ge waegd een doorloopend ver- hael uit het dierenryk samen te stellen , waeryan de wolf en de tos de hoofdpersonnagien , ja de helden zyn, in wrok en haet tegen eikanderen oyerstaende als Achilles en Agamemnon in de Iliade, en waerin de eenheid van het epos , gepaerd aen episodische Tcrscheidenheid , zoo heerlyk zich Toordoet , terwyl al de handelende dieren hunne na- tueriyke geaerdheden volstandig vertoonen en bewaren , in dier voege, dat men het gedicht met die zelfde belangstel- ling leest, waermede men eene ware geschiedenis zou be- jegenen? Zoodanig dichtwerk nu, is, beide in de latynsche en in de vlaemsche tael , onder de Belgen het eerst ver- schenen ! Het valt niet in myn bestek by de schoonheden van den Isengritnus of van den Meinardus vulpes opzettelyk stil te staen. Ik laet deze taek aen anderen over, en vergenoeg my hier te berichten , dat de eerste , groot 689 versen , door Gkimm , en de tweede , afgedeeld in vier boeken , te samen 6596 regels beslaende, door de zorg van Mone, is in het licht gekomen (1). Isengritnus schynt nog in de elfde , of al- thans in den aenvang der twaefde eeuw, vervaerdigd; doch omtrent den ouderdom van Meinardus is men het niet eens. De uitgever Mone denkt , dat dit carmen epicum deels in de negende eeuw gedicht , en deels in de twaelfde vermeerderd of geinterpolleerd zy ; maer noch Grimh noch Raynouard (2) willen dit aennemen , en beschouwen het voor een gewrocht der twaelfde eeuw. Ik zal hier over dit punt niet beslissen, (1) iMngrimuB in den Reinhart Fuchi, te Berlin by Reimer, in 1834, bl. 1-24 en BtinardtÊê te Stottgart en Tubingen by J. G. Cotta, onder den titel Tan Reinardvê vmipn, cormên epicwn secuUê IX 9i XII comcripium , ad fidem codd, MSS, êdidit H adnotaiümihuê illuiiravit FiiJicMcnB Joonui MoHBy 1832, beide in-S^. (2) Jamnal deê Savonlê, JniUei 1834. xTi INLEIDING. en laet ook gaerne de vermoedlng in haer geheel , of by het Terhael der lotgeTallen van Reinaertj af dan niet, eene historische aengelegenheid moge ten gronde liggen. De zaek is my nog eenigzins duister ; al heb ik dan ook , vóór hel lezen der met zoo Teel oordeel in het midden gebrachte te- genbedenkingen Tan Griu , niet ongenegen geweest het ge- Toelen Tan Eccard, More, Ettkuller en Saint Marg Girardih by te stemmen (1). ReinaeH mag Toor den Lotharingischen graef Reginarius, Isengrim Toor den koning Tan Austrasie Ztoentibold, gehouden of niet gehouden Tirorden , de Neder- landsche oorsprong onzer fabel hangt Tan deze historische gissing niet meer af , maer rust op andere en beter gewaer- borgde grondslagen. Laten Try dus dit punt onTerlet , en gaen wy nu oTer tot hetgene er, ten aenzien Tan den Tlaem* schen Reinctert, Talt op te merken. Zeer Termoedelyk was de fabel Tan den tos en Tan den wolf TÓór de negende eeuw, als Tolkslied of sage , reeds by ons inheemsch geworden (2) ; maer het gedicht zelTe , waer Tan wy hier handelen , schynt eerst in de tweede helft der twaelfde eeuw, denkelyk omtrent den jare 1170, te zyn opgesteld; behalTC dat er in den loop der derliende en Teertiende eeuw eenige Teranderingen zyn aen toegebracht, waerTan wy later zullen spreken. Alle omstandigheden loopen te samen om deze jaergissing te bcTcstigen. En zoo zou dan de Reinaert het oudst bekende dichtstuk in onze moedertael wezen, waerop de Nederlanders mogen roem dragen. (1) Zie EocAiD*f Toorrede op de CoUêctamea etymologica mm Lmmn, bl. 34-52, tyn Commontar, do rebus francia orieniaHê, U, p. 781, 782, 797-800, Ermui- tiM nrtikeli in de BlAhem für liiieranêckê ünterhaltung , 1833, Rm 22 et 28, Sim Maic GnuiBiii't oriikelt in hei Jowmal éeê DébaH, en myn betoog ia den Jfe»- eager de$ Science» ei de$ Arte» (2) Ginn, in de Göttingieche gelehrte AnMeigen, 1834, bl. 883. INLEIDING. XVII Wellicht zal dit stelsel op den eersten oogslag aen Telen gewaegd yoorkcumen , dewyl men tot dus verre aen geene ylaemscfae schryftael der twaelfde eeuw heeft durven den- ken ^ en men M aterlant doorgaens in den strengsten zin be- schouwt voor Den rader Der dietscer dichter altegader (1); doch men hoore myne bewysredenen, en men oordeele dan 1 Yoorloopig zal het niet ongepast zyn te doen bemerken dal men , volgens rayne wyze van zien , maer al te lang gewoon is geweest de meeste nederlandsche gedichten der middeleeuwen aen latere tyden toeteëigenen , dan waertoe zy wericelyk behooren. Schier altoos heeft men , met uit- zondering alleen van Maerlant , den inhoud der handschrif- ten van de veertiende eeuw voor voortbrengsels van dien tyd^ of ho<^tens voor opstellen van de laetste helft der dertiende ^ gehouden (2). De Fraasche Romans , vóór of omtrent 1160 gemaekt, zouden eerst , een paer honderd jaren later vertaeld zyn geworden ! en Vlaenderen , een der bloeienste gewesten van Europa, onder zyne graven Dirk en Philips van den Elzas , aen wier hof de poezy der Trou- veres om zoo te zeggen opgekweekt is , het volkryke Y laen- deren zou vóór 1250 geen' enkelen dichter in de moedertael hebben op te noemen! Onze tael toch werd toen reeds geschreven, blykens eene aenteekening van het jaer 1130, door MoNE medegedeeld (3). (1) Lekempiegel lU, xm, V* 120 en 121. (2) Zoo doet men, onder andere, een onxer Toortreffelyktte dtchterj, Duk tah Atn- ■Di, wient Florii en Blanche/leur door HorFVAii tor FiusisLaiif in den loop dezet jaert 1836 is nitgegeyen, xetentig è tachentig jaren later figureren, dan hy geleefd beeft. Zyn i^emkomt reedt Toor in eene charter Tan de maend october 1273, Termeld in Sr. Goiou , Monumens anciens, I, p. 651, toen hy xeker niet xeer jong meer zal xyn geweett; want de graTinne Margaretha noemt hem in dit stuk Dierekin iPHaê$e' ned» eonelere. (ja) AnMeigefj 1834, bL 186. xvm INLEIDING. Op die wyze heeft men het morgenrood onzer letter- kunde eerst lang na de opkomst der fransche en duitsche doen aenbreken , niettegenstaende wy in zoO vele andere * opzichten onzen naburen Tooruit liepen. Hoe zal men dit verklaren ? Ik Toor my ben Tan een ander gevoelen. Het is by my hoogstwaerschynlyk geworden, dat het zoogenaemde lied der Niebelungen , waervan Serruke een vlaemsch fragment heeft gevonden en laten drukken , oor- spronglyk in de Nederlanden te huis hoort, en tot de twaelfde eeuw mag worden teruggebracht (1). Het onlangs verschenen Leven van Jesus, door professor Meyer bezorgd^ naer een handschrift van het midden der dertiende eeuw, acht ik almede van vóór of omtrent het jaer 1200 opge- steld. De tael wyst dit aen. En niet minder oud schat ik eene beryming van de Reize des heiligen BrandaenSj af- schriflelyk onder my berustende, en misschien ook nog elders gevonden wordende (2). Naer dit stuk, groot 2198 versen , is eene nedersaksische verkorting bewerkt , opge- nomen in Bruns Romantische und andere Gedichten aU^ plattdeutscher Sprache. Immers , dit laet zich opmaken uit vele gelykluidende regels , als B. V: Doe voeren si langhe stonde Ende quamen aen een eilant, Daer sente Brandaen vant Eene pine wonderlijc. Gheeste, den menscen ghelijc, (1) Men leie dit fragment in den Ameigtr 1835, bL 191-193, waer men echter eene ongegronde aenmerking Tindt wegens de woorden meiêiren , gemeei en ovtrtog^n, alt souden die eene hochteutache quelle vtrrathen. Zy syn rein Kederlandtoh, en by onse bette tchryrert gebruikt. Veeleer sou men kunnen ttaende houden , dat een overgroot getal woorden en rymUanken in den hoogduittchen text der Pfiebelungen aen eene nederduittche of nederlandtche quelle doen denken en terug sien. ScaELin heeCl dit reedt opgemerkt in syne Bücherhunde der Sauisch Niederdeutschen Sprache, bl. 447. (2) In de Horae Belgicae Tan HomLkB wordt er niet tan gewaegd; doch sie Gixna'f Odina ¥nd Ttukma, bl. 267. INLEIDING. XIX Die ronnen op die see : Heme gesciede dicke we. Luidende in het nedersaksische gedieht als Tolgt : De wint slochse in en ander lant Daer sunte Brandan inne vant En gesichte wunderlik. Geistlichen laden weren si gelik. Dar Iepen selen up ener see; Van not was den selen we (1). Ongetwyfeld is ook hel fragment van het Romantisch gedicht Groef Rudolf, door de zorg Tan Willem Grimm openbaer gemaekt, te houden voor de Tertaling van een oorspronglyk nederlandsch werk ; en daer dit fragment in het letterschrift der twaelfde eeuw vervat is , zoo gaet het zeker, dat het vtaemsche opstel niet jonger kan wezen (2). Zonder al verder te willen onderzoeken of niet nog eenige andere gedichten, als met name Salomon en Morólf, de Dietsce Catoen, Gudrun enz. , tot dit tydvak behooren , zal ik hier alleen nog gewagen van eene vlaemsche vertaling der Miserere van Le Reclus de Moliens, eenen fransehen dichter uit het midden der twaelfde eeuw (3) , beginnende met de woorden : Dens, edel God van den paradise, Geeft gratie Van Molhbh Gieliae, Dat hi aten walscho yerticre In dietscen warde, die staen in prise , Ende salich s^n ; want hise Yant in dboec , dat de clasenere Yan Molinens maecte... (4). (1) Inin Rtmamtiiche und andere Gedichten in alt phttdeuiecher SpracKe, Berlin imdStettin 1798, bl. 176. (2) W. GuHM't Grtne RHodotf, Göttingen, 1828, Ui-4o, bl. 2, en Hom't AnMeiger, 1834, bl. 180. (8) Hiitoire litteraire de la France, XIV, p. 33-38. (^ CopMiiiihi,p««. 129. INLEIDING. Ik hael dit leerdicht te gereeder aen , dewyl io het zelve reeds van Reinaert wordt raeldiog gemaekt, in een der laetste atrophen , namelyk deze : Quade tonge, met sconen warden Gheet si mi mine ere afcarden , Ende icken caens gheblameren niet. So scone redene si mi barden Met al te male haren Reinarden^ Dat scijnt, dat si mi minnen iet; Mar, achter, dar men mi niet en siet, Singen [si] van mi een argher liet. Dats iammer van selken papélarden : Si hebben linen in hare riet, Ende wuUen es hare in gesciet : Si stolen dat si souden warden. Oyerigens sluit meer dan een historisch bewys zich by dit vermelden van Reinaert aen , en doet ons het bestaen van een gedicht dezes naems, in de volkstael der Vlamingen van de twaelfde eeuw, als eene daedzaek vaststellen. Hoe zeer ik dit reeds elders heb aengetoond, zoo kan ik toch niet nalaten het hier te herhalen , en daeromtrent nog nieuwe getuigenissen in het midden te brengen. Toen Henrik de eerste, hertog van Braband, ten jare 1213, by eenen oorlog met Luik, zich in de noodzake- lykheid bevond een' wapenstilstand te moeten vragen, en hy,te dien einde, met geveinsde demoedigheid en leedwezen over gepleegden kerkroof , zich tot den graef van Ylaen- deren wendde , riepen de daerby tegenwoordig zynde vla- mingen uit : cc Ha, ha, Reinaert is munnikj Reinaert is heremijt geworden ! » waerschynlyk zinspelende op ons ge- dicht, V«268 — ^283, 368 — 385. Dux, suorum vidensin^ teritum fugit ad ipsum ocfmitum, quaerene induoia^ et veniam de commisso. Super ctyus palliata hypocrin flanr- dreniis indignati proceres , eya, inquiunt, Reinardus faotus INLEIDING. XXI eêt manaohtés. » Twee gelyktydige schryrers komen in dit ▼erhael oyereen (1). In Westylaenderen , gedurende een merkelyk deel der twaeUde eeuw , raekten de boeren meermaels aen het mui- ten , wegens bezwaer Tan lasten. Hunne oproerigheid ging ten jare 1201 tot eenen Tolslagen oorlog over. Men noemde hen de Blcteutovoeters , en hunne tegenparly, de aenhangers ▼an het hof, werden de Isengrimmers geheeten. Wat de eerste naem betreft , het is bekend , dat de tos by Zweden en Denen nu nog den toenaem Tan blafot draegt; doch leTens bedenkelyk , of men dat dier ooit hier te lande zoo genoemd hebbe. Kiuaen Terstaet door Blaettwvoet een ze- keren Tc^el, Tan het slach der sperwers, en Tertaelt Acoi^ püer itellaris, aquila stellarü, oircus, Tulgo blavipes. Wat er Tan zy, nieuwe schryTers , waeronder zekere Heynde^ ryokxy schepenen Tan Yeurne , die in de zcTcntiende eeuw Tan dezen. oorlog een omstandig Terhael te boek stelde, maer het onuitgegeTen liet, nieuwe schryTers , zeg ik , zou- den, naer de gewoonte Tan hunnen tyd, hierin twee adelyke iamilien willen zien, namelyk die der Ingeryckg, en die der JBlaeuuwoeien ; doch behaWe dat deze namen in de ridderschap Tan Ylaenderen niet Termeld zyn (2) , zoo Talt oog bezwaerlyker aen te nemen , dat partyschappen in dit gewest ooit onder familienamen hebben geschuild , iets wat daerenboTen by den stryd Tan 1201 geenszins te pas kwam. Immer gebruikte men spotnamen of sobriquets, zoo als de CoccbruUen^ de Leliaerts, de ClauwtierU, de Creesers (3), (1) CairaATiiLi Geêta ponüficum Leodi9n9ium, H , p. 231 ei 627. (2) In eeneo brief Tan hei jaer 1181 tindi men alt geiuigen Miquardus Blawet dê Fwrmiê, (Inun Diplom, I, p. 278). Hei is de eenigtie dien ik in onze chariers heb Immien vinden; doch was hy ridder, of geesielyke? Sius Srou, in, bl. 99 spreeki nog TMi eenen PouwêU Slauvoêt U BlatuMBi een Togel, dan staei de naem gelyk met Mklereo, D9 folk, Ih Boeek, Mtiê9che, Dê ffoên, ens. 0) In het ¥Ooriiygten ty opgemerkt, dat Crênên niet Tan crêy Backen, maer T8b XXII INLEIDING. de Mecontenten, de Yeigetiy en d^rgelyken. cc Blaeuvoet, zegt Warnkoekig (1) , laissa son nom aux BUteuvoe^ins : les Ingrekins durent Ie leur a Sigebert Ingerijok (2). Is dit waer, hoe mag het dan toegekomen zyn , dat zy reeds zes- tig jaer TÓór den oorlog Tan 1201 zulke namen Toerden? Men spreekt er Tan op het jaer 1143 in het Chronioon Fla/ndriae Tan Adriaen De Büdt (3) , toen Toorzeker Siegbbrt Ingeryck nog niet leefde , Terondersteld dat hy ooit geleefd hebbe. In antiquü enunoiativa probani; en daerom houde ik my aen de benaming Tan Isangrini en Flavipedes of Blavoetini (by inkrimping Bloetint) door gelyktydige Anna- listen gebezigd. Ik wil ze hier kortelyk aenToeren. In de Gesia Philtppi Augusii, desoripta a magistro Rigordo seu RiGOTO^ tpsius regis chronographo , in Dugheke's Htstoriae Francorum scriptores, V, p. 54 , leest men : Eodem anno (1213) venit rex Philippus cum ttnmenso eaercüu Boh^ mam; et ibi per dies aliquot naves suas et homines de diversis partibus venientes expectans, transivit usque Gra- valingas, villam opulentatn in finibtis Flandriae^ super mare Anglicam sitam, ad quam% tota classis efus secuta est eum. Ibi ex condicto debebat comes Ferrandu^ venire ad Regem, et ei satisfaoere de omnibus injuriis Dum autem esset rex in obsidione Gandavi, venerunt de Anglia fVMMi {êurgere ad helium) moet worden afgeleid. Hei woord is eene Mmentrekking Tm gê-fêêêon (geteode hei augment ^e-, dat dikwyls tot k otergaet, een meer coUectiTen Bin te kennen). Tergelyk Tin Hulu op T* 270. De heer Snua handelt in het breede oyer de beteekenit yan het woord creeêen, in xyne Pr^?erhandeling Sur Uê troubUê d9 Gand de 1640, pag. 160-167. (1) Histaire de la Flandre, l, p. 216. (2) In DucHEin't Histoire de la imaiaon de Guinee, Prearet, p. 288, en het Ckronicon monaêterii Andretuiê, by Dom Boüqüit, XTIII, p. 573 wordt daarentegen gexegd: Blavoiinorum dus et princepe nomine Hebbenue vel Serebertuê, Zoo ook nog ibidem i pag, Ö87. - (3) Blads. 284 Tan het eentdaegt ie Tenohynen dnpuê ekfmic&nm Flondriae, tom. 1. INLEIDING. XXIII Reginaldus, cames Boloniae, et Gutllielmus comes Salebe^ rterms, qui cognominatus est Longa Spada, Htyo de JSoves, et multi alii, quibus occurrit Ferrandus comes, oum IsAiiGRims et BLOSTims, et Fïandrensibtes , utpote qui bene praenovercmt eorüm adventum : et ita subito in nc^ fnbus cuTSoriis imientes, occupaverunt naves nostras, quae dispersae erani per liitora. Aldus yerlaeld in de Chroniques de Saint Denis (1) ; Tandis comme li rots tenoit siege de^ vant Ie chastel de Ganz, Kenaus li cuens de Boloigne, GruiUaume Longue^Espée , Hue jle Bovesj et maint autre riche home, qui vendent d' Angleterre , arrivereni au port. Li cuens Ferrantj qu\ bien ot senti leur avenement, leur court d VencontrOj o toz les Ysangeirs et les Blootins et les Flaeeiis ; ils issirent des grans nés (nefe) et se misrent en petites nés cursoires : totes les nés Ie roi prisrent, qui es^ tdent esparses par Ie rivage. Mille et cinq eens nés i avoit par nombre. Dit gebeurde op een oogenblik dat de Blaeuvy^ voeêers met hun' heer verzoend waren (2). Wie ziet niet duidelyk , dat men door de Isengrins den adel , door de Blavotins de boeren, en door de Flamens eigenlyk de vlaem- 8che stedelingen of poorters verstond? Het Chronicon Gvil- LULn Arhorici noemt ze almede Isangrini et Bloetini (3) , en zoo doet ook , op yerscheiden plaetsen , GüaLiELMus Brito in zyne Philippidos (4) , welke laetste schryyer toen zelf op den tocht yan den franschen koning in Ylaenderen was. Eindelyk yind ik in de Historia Viconiensis m^nasterii, dat de abt JEgidius eene yerzoening tusschen de Isengrimmers en de Blaewwvoeters bewerkte : Sic spiritus S. gratia in (1) BooQuiT, HiatoHenê dê Froncê, XVII, p. 401. (2) WAMxoBno, 1. c. p. 216. (3) BoüQdr, XVn, p. 89. (4) Ibid. p. 136, 234, 235, 249. xxiT INLEIDUfG. vita exsiiUt debriatui, ut meruerü paoem tnier YsmGUiiM et FLAYENTiros (lege BUwotinos) vel Flampedr3 (flaTipedes) in partibus Hollandiae et ZeUmddae et FUmdriae , qua/m nullus hommum attentare qutbtUy sive rew, tive comes, aut. baro reformare. Sic emm guerra erat inier eos, quod pater fUium habens obvium ^ aut filius pairem, mox immamter ioevientes collisi pariter alter alierum tuffocabat» Erant atUem nobües valde una pars, residui vero, sicu4 eupra (Uctum esty de territoria Fumensi in Flandria, in loco aut circumcirca locum , qui dicitur Cayens (Keyhem) commo^ nmteê (1)» Dat Flatipbdbs doet hier yoorzeker aen geen iamilie denken. Doch genoeg hiervan. Zien wy nu of de inhoud zelve van het gedicht , dat wy hier den lezer aenbieden , niet naer de twaelfde eeuw terugwyze. Ongel ukkiglyk zyn de daervan bekende handschriften van veel lateren tyd. Het perkamen- ten codex van Comburg namelyk , thans' te Stuttgart (2) , bevattende onder meer andere nederlandsche gedichten de 3474 eerste regels van Reinaerty door Grjbtbk (3) en Gkimm (4) uitgegeven , en door Wbceherlik beschreven (5) , schynt in den aenvang der XIV® eeuw vervaerdigd (6). Een ander fragment van 1038 regels , ons door Yah Wth be- waerd (7), is van het jaer 1476, terwyl het Hollandsche (1) lAinn, Ampliêêima colUeHo, VI, p. 303. (2) Zie daeroTer het Voofhericki de» derden deelt Tan HAOLurr^t Spiegel hütoriaêif door de tweede klasse Tin hei Instituei uitgegeTen , bl. xix. (3) Odina und Teukma, êin ntuêê literariêc^ Magaaim dêr T^uhohmi mui Nor» diêchm VonHt, Breslau, 1812 , U. B» , bl. 265-376. (4) R9inhart Fmki , Berlin, 1834, 8», bl. 115-267. (5) B^ytrOgê mmt Geêchichta aiidêutêchêr SpracKê md Diokikmui, Stuttgvt, 1811, bl. 125-151. (6) Giun , 1. o. bl. OUT. (7) Hiitoriêtchêên hHtrhmdige AwmdêUmdên^ I, p. 273 , en tfgedrakt byGim, bl. 235-267. INLEIDING. Mv afsdirift, in February jongstleden voor de Burgondische bibliotheek te Brussel aengekocht, hoogstens binnen de eerste Tyientwintig jaren der yyfliende eeuw kan zyn ge- schreyen. Dit laetste H. S. is op perkament in quarto, groot 120 bladen, of 240 bladzyden van 34 regels elk. Het heeft yyf yignetten of miniaturen , welke niet zeer fraei en met strooken er in geplakt zyn. Op vele bladzyden ziet men opengelatene plaetsen , bestemd om nog andere afbeeldin- gen te ontyaugen , en aen het einde staet een raedselachtig gedicht yan zestien regels , in hetwelk de afschryver zynen naem te zoeken geeffc (Zie Bylagen N® 1 bl. 287). De heer Gaoebb , onderbibliolhecaris yan het Nederlandsch instituet, die hetH. S. in 1825 kopyeerde, en daeryan het eerst be richt gaf in den Kunst- en letterbode yan den 23 juny 1826, heeft , zoo min als ik , het raedsel yan dit onderschrift kun- nen oplossen. Wat men yan de yroegere bezitters weet komt op het yolgende neer. Volgens aenteekeniugen op een der yoorste schutbladen heeft het boek eenmael ( naer ik uit het schrift mag afmeten omtrent het jaer 1500) aen zekere Margriet Jan Beyers dochter, en yeryolgens aen Maria Van Ham Hasyndryck van Byler dochter, toebe- hoord. In 1825 was het in de Bibliotheek yan den heer Ren- ]K>EP yijv Marqubttb te Amsterdam , en moest aldaer in het openbaer yerkocht worden , onder toezicht yan den boek- handelaer Den Hengst ; doch een eugelschman giog met de geheele ryke yerzameling door, en William' Heber werd een paer jaren later eigenaer yan het stuk , by aenkoop in eene auctie te Londen. Intusschen hadden Ten Broecu Hoekstra en Groebr er afschriften yan genomen , met inzicht om het openbaer te maken , hetgeen echter door yerschillende om- standigheden onderbleef. Zie daer, al wat men yan dit eenig yolledige stuk is te weten gekomen. Ik noem het het Txvi INLEIDING. Hollandiche handschriftj om dat het my toeschynt in Noord- Nederland te zyn geschreyen. Het begint met de woorden : Willem , die Madock maecte , Daer hi dicke om waecte Hem jamerde seer haerde Dat die geeste yan Reinaerde Niet te recht en is geioreren : Een deel is daer after gebleven: Daerom dede hi die Tite soeken Ende heeftse , uten walscen boeken In duutse aldus begonnen. Ik heb reeds eldera , en zoo ik meen Toldoende , aenge- toond , dat de oudste Tiaemsche Reinctert (hier bedoel ik de eerste 3394 Tersen mede , die een onyerdeelbaer geheel uit- maken , en , gelyk Gainm zegt ganz Flandrüoher fdrbung zyn) niet door Willem is opgesteld. Wat deze in het oude gedicht niet te recht gescreven oordeelde , verbeterde hy en Tulde hy aen; en in dien zin versta ik het aldus begonnen van dit laetste vers; doch om geheel de vite of levensbeschry- ving van Reinctert te doen kennen heeft hy datgene , het- welk after gebleven was, door middel van toahehe^ dat is, door fransche boeken , vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of om werker van het eerste boek. De nedersaksische vertaling Reineke en de oude prosa- drukken van Gouda 1479 en Delft 1485 , die de prologe niel kennen, en metV' 41 aenvangen, maken het zeer beden- kelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste Reinaert be- gon met V* 1 1 : Nu keert hem daer toe myn sin , enz. INLEIDING- XXVII Hoe men dit dan ook beschouwe , het eüclus begonnen yan V' 9 steekt altoos zeer sterk af tegen Y' 40 : Na hoort hoe ie hier heginne ; want ^ zie daer een dubbel begin ! Er is ook eene dubbele bedoeling. Willem yerklaert zyne taek aentevangen om dat hét hem zeerjammerde dat er nog zoo veel aen de historie yan Reinaert ontbrak ; terwyl de oorspronglyke dichter slechts daerom tle avonturen t;an Reinaert mabkte , om dat zekere dame, dde in groter hovescheden geme hare eaken keert ^ hem daer toe bad ( Y' 26-31). Deze beweegreden alleen gaf hem de pen in hand; anders had hy stil geztcegen (Y* 26). Dat een yeryolgschryyer of interpolator soms prologen yoor het werk yan zynen yoorganger plaetste , is niet zonder yoorbeeld. In byna al de handschriften der Brabantsohe yee$ten staet er een yan yerschiUenden inhoud, en, wat meer is, yan yerschillenden datum. Indien Willem het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou het gedicht daeryan toch eenigen 'schy n dragen ; dan zou by yoorbeeld de wohin, gelyk in de hoog- duitsche omwerking der yertaling yan HimRiCH dee Guchsi- 19ABRB, JBereantyen niet Hersint of Erstoinde heeten; dan zou de naem van den hond , Cortois , in de f ransche Branches • bewaerd zyn gebleren (hy wordt er Roonel, Rooniax of JV<>roi^ genoemd; zieB.Y. hierachter hl. 329, Y« 10808); dan zou het tooneel der gebeurlenissen en *de behandeling yan het onderwerp (Y" 100, 1461-1463 enz.) niet zoo eigenaer- dig, niet zoo geheel ylaemsch zyn ; en dan zou men eindelyk in de fransche Renarts eenig overbly fsel , eenig spoor yan zulk een yoortreSelyk werk, als het origineel zyn moest, ont- dekken. Wy zullen straks zien , dat de trouveres geen ouder fransch gedicht kennen , dan dat yan Perroz de Saint Gloud, xxvin INLEIDING. en dat de fransche Branche , in onze Bylagen bi. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeek eene letteriyke Tertaling van onzen Reinaert is. Beschouwt men daerentegen Willem voor den hermaker en Teryolger van het gedicht , dan yerklaert zich alles ten duidelyksle. Zyn werk is dan de text Tan het HoUandsehe handschrift ; want in hetzelve vindt men , voor eerst, eene omdichting van het eerste boek , blykens de menigvuldige varianten en toevoegsels , onder elke bladzyde van onzen druk aengewezen , en , ten andere , een vervolg van dit oor- sprongelyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit de Fa- buide extravagantes samengeraept , volgens myne aenmer- kingen bl. 163, 189, 213, 215, 218, 219, 223, 225, 22d, 251. Des niettegenstaende heeft Willem zyne byzon- dere verdiensten, ook door vele invlechtingen van eigene vinding zich lo£Felyk kenmerkende , als daer zyn het verhael der tusschenkomst van Rukenau, de rede van Reinaert, waer hy zegt hoe Marten de aep zyn ontslag van excommu- nicatie te Rome bewerkt , en van daer een decreet van inter- dictie zal medebrengen tegen hen , die den vos eenig letsel zouden willen doen , de kampstryd met Isengrim , en meer andere fraeie partyen (1). Wy mogen het dan daervoor houden, dat Willem niet de dichter van Reinaert zelven , maer dat hy diegene is geweest wien de schryver der fabel van den Liebaert (hierachter bl. 295 y* 120) op ket oog had , als Die bi Reinaerts Tite wracbte. Doch wie was hy? Een man die vele boeoken, die Mtutok maecte, zegt de Prologe; blykbaer een geestelyke (V* 4468 , (1) Welliohi is hei UtiMtge Terhael Tan da bezigheden Ttn BiUluis en Vmlromp, bl. 107, 198 (in Riona onTerUeld) sjffi werk niet, maer door den aftohryrer ingetcboTen. INLEIDING. 4549 , 4788 , 4790 , enz), en du8 alleryermoedelykat Willek Uterhoye , Tan Aerdenburg in Ylaenderen , een tydgenoot yan MAULAifr, en door dezen aldus yermeld : Ie heb beloeft.... ^ Te dichtene enen bestiaris ; Nochtan wetic wel dat waer is Dat her Willem Utenhove , Een priester van goeden lore Van Erdenborg, heeft een gemaect (1). Immers, wy vinden geenen anderen Willem onder de Ylaemsche dichlers Tan dien tyd, en het vermelden Tan het schier onbekende Hoeckenbroek (V* 6904), in de nabyheid Tan Aerdenburg gelegen , midsgaders het plaetsen Tan zeker TOorTal op eenen dyk (Y' 6286) , laten niet toe aen eenen anderen te denken. Of nu Maerlant juist door Bestiarig (schrift OTcr de die- ren) den Ternieuwden Heinaert hebbe willen te kennen geTen , Talt moeilyk te beslissen ; doch zeker gaet het dat hy , Maerlant, den Metdok kende ; Termids hy dien opnoemt aen het einde Tan zynen Rymbybel, Toltooid ten jare 1270 : Hier makic der Ystorien inde, Ende wilde wel dat elc man kinde Hoe ie hebbe , na mine macht , Dware behouden ende dliegen gewacht. Elc mach sinen wille wanen. Vort 80 willic hem vermanen , Dié clerke sijn ende Ystorien kinnen , Of si iet yinden hier binden Te Terbeterne , of sijt connen , Dat sijt doen : enes onder der sonnen Henscelijc werc, weet al bloot, Hen heeft wel verbeterens noot. Scriyeren, die dit sullen scriren , God gheye dat si goet moeten bliven ; (1) Hiiuijii^t Nahfr9nhhm9, bl«d. 2^ Tcno, tui myn H. S;op perkament. INLEIDING, Want menegen ne rouct hoe hi Terdoli Tfolc, nptat hi die pketse vult : ^em biddic dat si nemen goem ; Want dit es niet Madoes droem , No Reinaeria no Artus hoerden. Ware dat si den bone yerroerden Met yalschen sermoene, si daden sonde! Hier over is gepijnt lange stonde , Ende mi ware leet , weet wel te Toren , Sonde de pine sijn verloren Met hare valscheit , die si scriven. Deze uitval tegen de boekschryyers doet zien, dat Willem, die Madoc maecte, reeds vóór het jaer 1270 heeft g^eleefd, en dat zyn Reinaert een' dier gedichten was , welke onder de handen der afechryyers merkelyk hebben geleden. Wy moeten derhalve te ^nen opzichte behoedzaem wezen in onze oordeeWellingen , en niet te veel prys hechten aen en- kele woorden of gezegden, waerdoor men zou in het geloof komen , dat het tweede boek van Reinaert een voortbreng- sel der XIV* eeuw zy. Veel is er door aÉschryvers tusschea geschoven. De inmengsels echter van eenen historischen aert zyn niet talryk. Ik ken slechts deze twee. Gelyk Willem voor zynen tyd de theologie van meester Juffroet al te verou- derd oordeelde , en hem dus door den vlaemschen Gielis verving (V* 2967; iEGinius a Lessiria?), zoo deed ook zyn aischryver der vyfliende eeuw, ten aenzien van het voorge- stelde beleg des kasteels Malpertuis. Hy begreep dat men geen fort zonder bomb€terden en donderbuuen kon over- meesteren, en voerde ze dus in den text, gelyk later de plaetsnyder in Van Ghistelb*s vertaling der Aenek die tegen Troje braqveerde (Zie myne aenmerking bh 161). Einde- lyk bevat het fragment van Van Wtn eene zinspeling op den stoel van Avignon (bl. 283 V« 7725), die noch by Reineke noch in het Hollandsche handschrift voorkomt. INLEIDING. XXXI Veiliger zal het daerom zyn ons oordeel uit het geheele sa- menstel afleleiden en optemaken , en hier toe gaen wy nu oVer. Dat het tweede hoek van Reinaert een yerTolg yan het eerste , en grootendeels eene nayolging van hetzelve is , zal wel niemand betwyfelen (Zie Y* 3502, 3964, 4358, 4587, 5329, 5775, 6588). Het heeft volkomen de zelMe gang: hofhouding y aenklacht, oproeping ^ biecht, aenkomst ten hove, verantwoording j verzoening. Dat het door eenen ande- ren schryyer gedicht werd , is almede buiten kyf. Het heeft namelyk andere spraekvormen , andere wendingen, veel meer spreekwoorden (het woord bedt, door den auteur van het eerste boek zoo gaerne gebezigd, komt in het tweede niet eene enkele reize wéér). Het noemt den leeuw Lioen, in plaets Tan Nobel, enz. Ook de heer GBun neemt dit stelsel Tan Terscheidenheid in het opstel der beide gedeeltens aen , en HE&DE&Termoeddehetbereidsuitde hzingysLtilieineke^l). Dit punt onbetwist zynde , en daer men onmogdyk in het eerste boek een werk Tan twee dichters zien kan, zoo blyft alleen te onderzoeken , of men met het Tervolg tot aen den leeftyd Tan Willim Uteivhoti kan opklimmen. Ik denk ja, én wel om de Tolgende redenen. De nederlandsche Tsopet , door den raedsheer Gugnitt uitgegeTen, behoort zeer zeker tot de XIIl* eeuw (2). Nu, de dichter Tan Ysopet onderstelt reeds in zyne Tiaemsche lezers eene zekere mate Tan bekendheid met de toenamen Tan Marien en Boudewyn , in zoo Terre dat zy wisten wat men er onder Terstond. Hy schreef dan zonder Toorafgaende naemsTerklaring : (1) Bihiiotkek dêr êchónen WUêtntchaffen, Und UT, bk SfiS. Torgd. Wicumui, 1. o. W. UI. (2) CêMtmtê B$dru$enioid9 oude NêdtrhndHkê hU ê r k mdi, Tooiberielit, \Mu IX en X. XXXII INLEIDING. Fabu: XVII. Een rijc man hadde tere stont Enen eiel ende een bont* Om dat hi hadde den hont soe wert Droech desel nijt ten honde wert. Hi sach den hont in groter weelde , Ende dat sijn here ieghen hem tpeelde. Ja, penst mijn here Boudewijn, Wat meent mijn heer?.. I... En PABBL Lil: Een recht man ende een yahch tyrant Quamen te gader in een lant Daer men yele scimmincle Tant ; Daer en ginc oec geen in bant. Een scimminkel was daer here Ende dwanc al dander sere..... Tote desen man sprac MarHjn, Die 8oe here wilde sijn: Wat dnncti , segghet hi, na besie, Van dese heren ende van mie? (1). De ezel Boudetoyn en de aep Marlen du, komen ntel in den ouden Reinaerty maer wel in het tweede boek toot; weshalve dit laetste reeds eene zekere populariteit moest hebben yerkregen toen de Tsopet het licht zag. Dit staet , myns achtens , boven alle bedenking ; al wilde men zel£i tegenwerpen dat er nog andere fabels in omloop waren , blykens de drie hierachtergevoegde , en sonmiige toespelin^ gen in de spreekwoorden der Bt/lagen : Menich andere rime Van Reinaerde ende van Tsengrime, Bmnen den beere enten das (2) ; Immers, men ziet uit Y* 4421 en de daeraenvolgende, dat (1) Cucmyt Bpdrogm, b1. 109, 288. (2) Deie rymregelt welke in het Combnrgtche H. S. Toorkomea (Wicanur, L I. p. 181) lyn ni0i uh den llfmbyM tui lAiUAirr, alt Gton decht {Rnnkort Fmh$, bl. ceni). INLEIDING. xxxm de personnagie van Marien door den schryver niet yan elders is ontleend. Doch dit is niet al. Gelyk de dichter yan Yèopei deze twee namen uit den Reinaert haelde, zoo nam hy ook nog uit denzelyen de regels 5569 tot 5690 oyer, en plaetste ze in zyne twintigste fabel Y' 5-26 (1). Ware het dichtstuk Madoo tot onzen tyd bewaerd ge- bleyen , het hadde yooryast meer licht over Willem Uteh- Hoys yerspreid. Nu moeten wy yragen : wat yoor een roman mag Mctdoc geweest zyn? Mone ziet er den Malugijs in. Madoc^ zegt deze duitsche geleerde {Wdlsch Mq>dog, Ma^ dawg) üt der Malagis, Bruchstücke davon hat Bildebdtk in seinen Verscheidenheden bekannt gemacht^ und ztoar 118 verse aus der Episode der Oriande von Roseflor. Anr- dere, die zur belagerung von Egermont gehóren, besiize ich selbst. In schleohter hoohteutscher Uebersetzung ist Wil- lems Madoo noch in der Pfaltz, Hs des Malagis N^ 350 abrig (2). Die yerklaring is intusschen weinig doeltrefifend , dewyl men geen yoorbeeld geeft of weet , bewyzende dat men ooit anders dan Malagys^ Malegis, Maldegys oiMaU dagis geschreyen hebbe (3). Daer men , in zulk geyal , zich met loutere gissingen moet behelpen , yraeg ik op myne beurt ^ of men hier niet zou mogen denken aen de zonderlinge lotgeyallen yan Madoc^ zoon yan Otcen Guynneddy prins yan Wallis, die omtrent den jare 1170 America ontdekte (4)? flfy toch yer telde won- derlyke dingen yan'eene a^%dere wereld; maer zyn yerhael (1) CusBRT, bl. 128-132. Men boude hier by in bet oog, dat Willein naer waU mkt boêken dicbte, en dos niet kan Terondertteld worden uit den Ifederlandscben Têopêt te bebben geput. (2) AnMêigêT, 1834, bl 197. (^) In eene donatie Tan Chüdebert aen de abtdy tan St-Denit ran bet Jaer 706 (jfo-Gipoit, Monumênê ancimB, I, p. 464) wordt zekeren wfxtMaldagU genoemd. (4) Mxsmkv»^Biofrnphi9un%v0rHlU,lLSSl^ p. 95. ♦♦♦♦♦ XXXIV INLEIDING. werd niet geloofd , en wellicht was het om deze reden dat Maerlant er van spreekt als yan droomeryen {MadooM droem). Men denke hierover wat men wil , wy Termeenen , door voldoende bewyzen , aengetoond te hebben , dat Willem Utenhove de dichter van het tweede gedeelte onzes Reinaerts kan en zal zyn geweest , en dat 's mans werk in het midden der dertiende eeuw valt. Tevens vloeit uit deze omstandig- heid voort , dat de vroegere Reinasrty of het eerste boek , van ouder dagteekening is , en laog een afzonderlyk bestaen heeft gehad. Dit zal , zoo ik vertrouw, aen niemand meer twyfelachtig wezen. De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met Y* 3395 voorbereid , door het optreden van eene nieuwe personnagie , met name Firapeel, de lui- paerd , die den koning tot het besluit brengt om eene ver- goeding aen Isengrim en Bruin toeteslaen , en om vervol- gens Reinaert te gaen opzoeken eo vangen : ♦ Daema sollen wi alle lopen Na Reinaerde , ende sulne vangen , Ende bi sine kele hangen ^ Een plan , hetwelk maer eerst in het tweede boek , Y' 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvol- eindigd liet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daer- voor te houden , dat de oorspronglyké Reinaert met Y* 3394 sloot. En inderdaed , deze gedachte krygt veel gronds , wan- neer men bezeft, dat er, volgens de uitgave van Grjkter, bl. 375, hier ter plaetse, namelyk aen Y* 3395, eene groote versierde voorletter in het Comburgsdie handschrift wordt aengetrofifen , toonende dat eene nieuwe afdeeling , en geenszins een' blooten paragraf, begint. Dergelyke hoofd INLEIDINq. XXXV letter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd , noch passend. Willem moest nog eene andere wyziging aen het werk Tan zy nen voorganger toebrengen , wilde hy het doel , dat hy zich voorstelde^ bereiken. Zy bestond hier in , dat Rei- naert Malpertuis niet mocht verlaten , om met zyn gesin naer elders te trekken (Y* 3331) ; want dit strookte niet met hetgene volgen moest, Y' 3524, 3784, enz. Hy veranderde dus de redekaveling hl. 129 en 130, en liet de regels 3322- 3334 achterwege. Trekt men dit alles te samen , dan valt nog daerby in het o<^ , dat de afechryver van het codex Comburgensis den ouderen text van Reinaert kopyeerde , schoon hy zich voor- gesteld had ook het vervolg van Willem te leveren. Waerom by by Y' 3474 is bly ven staen , kan ik niet doorgronden. Men heeft meer zulke voorbeelden van a%ebroken stukken , en het zelfde codex bevat er nog andere. Altoos blyft het zeker, dat wy dien afochryver veel te danken hebben ; want zeer waerschynlyk waren in zynen tyd de goede texten van het gedicht reeds zeldzaem geworden , aengezien de saksis- sche vertaler en de bewerkers der oude prosadrukken dea omgetcerkien Beinctert van Willem , zoo aU die in het Hol^ kmdsche handschrift zich voordoet j alleen hebben gekend en gevolgd. Keeren wy nu tot dat gedeelte onzer taek terug , waerin wy ons voorstelden te bewyzen, dat de vlaemsche Reinaert omtrent het jaer 1170 moet zyn gedicht. Vooreerst^ blykt dit door onderscheidene zinspelii^n op gebeurtenissen of persoonen van dien tyd. Het tooneel van Reinaerts en van Isengrims ye^ton is bestendig in Ylaen- deren , ter uitzondering van een enkel feit , voorgevallen by eenen dorpspastör in het land van Yermandois (Y* 1514). xxxTi INLEIDING. Dit uitstapjen yan den tos en den wolf niet rerhaeld wor- dende als of het buiten 's lands gebeurd ware , zoo ymdt het zyne natuerlykste Terklariog ia de gesteltenis der poli- tieke aengelegenheden yan dien tyd. Door het huwelyk Tan Philips yan den Elzas, graef yan Vlaenderen, met Isabelle, doohter en eenige erfgename yan den in 1163 oyerledenen graef yan Yermandois , werd dit laetste graefechap met dat yan Ylaenderen yereenigd , en bleef zulks tot aen het jaer 1186 (1). In 'dien tusschentyd heeft de Reinaert waerschyn- lyk het aenzyn yerkregen ; want waer yan anders dit Ver^ mandois $ Op eene andere plaets yan het gedicht yerhaelt de yos, dat fay den schat yan koning Ermenrik te Huhterloo onder eenen boom begrayen had , welk Hulsterloo in zulke groote wil- dernis gelegen was, dat men in ze$ nuienden er geen schepsel ontmoette (bl. 104). Het toitte^boek ter archieyen yan Gent leert ons , dat men in de middeleeuwen t'Onser Vrouwen van Huhterloe bedeyaert ging (2). Men yereerde te dier plaetse een wonderbeeld , hetwelk , yolgens eène aenteekening ach- ter de onuitgegeyen kronyk der abtdy yan Drongen by Gent^ uit de stad Teruane was aengebracht. Onze lieye yrouw, onteyreden zynde oyer de weinige eer, welke men te Teruane aen haer beeld bewees , zou beyolen hebben dat men het naer elders bracht, en dit werd, niet zonder grooten toeloop yan yolk , uitgeyoerd. Twee duifjens ylogen yoor de dra- gers yan het beeld , en wezen hun den weg aen , tot men eindelyk te Hulsterloo kwam. De bygestroomde menigte was zoo groot , dat men omstreeks Gent broodsgebrek leed. Zoo luidt het yerhael yan den geestelyken kerkbedienaer te (1) WimflBiic, Buioif ék la Flandrê, I, p. 195-201. (2) Gaioiaikt, Bffdragm tot de geêchiedenü van hei etrafirechi in Vlaenderen, blad- tyde 356. INLEIDING. xnvii Hulsterloo^ in opgemelde kronyk; doch zonder tydsbepa- ling. HuUterloo, by Kieldrecht, met zyne woestyn, boeschen en moeren , werd ten jare 1136 aen de abtdy yan Drongen af* gestaen*, yolgens twee diplomen, hierachter op V' 2579 en 2665 aengehaeld. Yermoedelyk zal er, ettelyke jaren daerna , door de kloosterheeren van die abtdy eene kapel gebouwd zyn , aen O. L. Y. toegewyd; en dit verklaert hoe haer beeld , in de dertiende , veertiende en yyfliende eeu- wen , by de ylamingen zoo yermaerd was , en zoo veel toe- loops had, tot eindelyk Hulsterloo zelf, door overstrooming, geheel yerdween. Was dit nog een verletten oord toen de Meinaert werd opgesteld (V* 2589), dan moet het gedicht ook ouder zyn dan het tydstip der overkomst van het won- derbeeld; en dit brengt ons in de.twaelfde eeuw. Isengrims munnikswording in het klooster van ElmcMre Y' 1487, terugziende naer de stichting der proostdy van dien naem, ten jare 1144 (1), en het vermelden van JTer- man^ abt van S* Marten te Doornik Y» 2737, en van God^ fridun Afulegavenns Y' 2957, beide in de eerste helft dier eeuw geleefd hebbende , verdienen almede opmerking. Moeilyker is het, voor de spraekvormen des ouden Hei-^ naerts eenen tyd te bepalen , daer het ons aen stukken ter Tergelyking uit de twaelfde eeuw ontbreekt , en wy op de getrouwheid der bekende afschriften van lateren tyd niet Teel rekenen kunnen. Intusschen beschouw ik toch gezegden alsdeze: Hi began ene sibbe tellen Y-2105, HeletvrtW 1070, 3241 (2), ffi êoude ons qnedden ende groeten \* IIOS^ Stné hie Y' 1852, voor ouder dan Mabrlant's schriften. (1) V* 2714 U doUbeliinnig: men kan er door Terttaen, dat er nog maer iet monnik' ken in Eimon waren , en ook, dat laengrim met de pro^ende tan xea niet genoeg had. (2) Te onderacheiden Tan eomitc vri, herfoch vri aa., die men noch wel elder» ■oitreft» ixxvni INLEIDING. Sommige aeoduidingen yan rechtsgebniiken toonen ons niet minder de hooge oudheid des gedichts aen , en het ?er^ wondert my dat zulks niet door Grihm opgemerkt zy. Hier door alleen blykt , dat onze Reinaert geene vertaling naer hetfransch kan wezen. Ik heb op de zinspelingen van dien aert in myne aenteekeningen acht gegeven , en beroep my Toor het overige op de getuigenis van Hbineggius (1) , en op Dreyer's boek Von dem Nutzen des trefliohen Gedichte^ Rei* neke de Vos zur Erkldrung der Teutschen Rechtsalterthü* mer, insonderheit des ehmaligen gerichfswesens , uitgegeven te Bützow en Wissmar, 1768, in quarto. Alleen zal ik er nog by voegen , dat het rechtspreken op of by eene stage van steen j \* 2757, ons insgelyks naer het midden der XII** eeuiv terugvoert , alzoo reeds by het einde dier eeuw gebouwde sloten den^^n vervingen of bedekten. Zie de aenmerking bl. 112. Andere allusien, eindelyk, betreffen het Canonieke Recht. Van dien aert is het geval van den dorpspastor, Y' 726 en volgende. Deze wordt voorgesteld als hebbende vrouw en kinderen , die openbaer met hem in hetzelfde huis woonen (¥'731, 1175, 1240), zonder dat zulks aenzyne parochianen den minsten aenstoot, of aen den dichter van Reinaert (ook een geestelyke , naer men uit Y' 444 , 2953-2969 moet oordeelen) eenige stof tot hekelen geeft. De zelfde pastor (onze voorouders zeiden prochiepaep^ of kort weg paep,) (1) Humccn Elemênia juris Gêrmanici, tom. H, P. V: « Semel me etiam iuam •Me memini tettimonio elegantis ingenü poette, coi Vutpeculam Reioeke debemut: ei puduU me promemodum, inde Mepiat iliostrare Juritprudentiam Crermanioam, non quod non plmtiin eo poemate Tel maxime ad rem facerent; ted ne in re seria nugaa agere relle Tiderer. Et tarnen Teriaaimom eat, Germanoa non modo hoc poema mnltit GrasciflB ac Latii monumentia opponere potte , ti juatum rebut tuit pretiom ttatoerent ; ▼erom etiam incredibilem renmi prtDttaBtittimaram Thetaomm in eo ctte reperturot, al ■ te impetrare poatent, ut illud in manua tomerent. > Hei tpredii ▼an lell^ dai des« woorden nu aen de Belf^ moeten toegepaai worden , aengeiien de duittche Hetfif Aa niet andert dan eene Tertaling Tan onien Rnnawi blykt te wesen. INLEIDING. XXXIX komt ook Yoor in den franschenjRenar/^bl. S23-32^hierach- ter; doch niei als een getrouwd man; maer als een geeste- lyke, die met een byzit leeft (V* 10656 , 10628), weshalve hy dan ook genoemd wordt Li mavès cop , Qai Diex doint mal giste et pou pain Eotre lui et 8*orde patain ! Daer het nu bekend is , dat geen priester sedert het mid- den der XII® eeuw zich meer in den echtelyken staet kon be- geren, zonder teyens zyn beneficium te yerliezen (1), zoo maek ik daeruit op , eensdeels , dat onze dichter omtrent het midden dier eeuw schreef, toen er nog voorbeelden van ge- huwde geestelyken konden zyn, en, ten tweede^ dat zyn werk ouder is dan dat van den franschen schryver der hier- achtergedrukte Branche du Renart, welk laetste stuk nog- thans tot de eerste helft der XIII^ eeuw gezegd wordt te behooren. Bit brengt ons in de gelegenheid om hier ter loops de fransche Henaris in oogenschouw te nemen. In geen der- zelven vindt men een episch samenstel van Reinaerts en Isengrims lotgevallen. Alle worden Z^ancAe^ genoemd; maer waervan ? y* 1265 lei prent ceste branche fin; 6472 Gr dirai, ne me yoil plus tere Une branche et un sol gabet; 7186 De ceste branche n*i a plus; 15S09 Uns prestres de La Croiz en Brie A mis son estude et s'entente A fere tine novele branche ; Enz. (1) • Seit der mitte dea xw6Ifteii Jahrhonderi isi feaigetettt, dut die Verheiraihung éorch die That tdbal wenigttenfl den Verlntt de« Benefictmiu mud der PriTilegien des fcietlicbeii Standes naoh tioh aieht. • WiLna, Lehr^uck dêê Kirchenrtchti , 2fi aot- gabe, bk 207 , of de terende mtgare Tan dit werk, bl 410. XL INLEIDING. Nergens wordt Tan den boomstam-zelf gewaegd , immers niet in dien zin , dat men daerdoor een oud Fransch ge- dicht aenduide. Integendeel, de geheele samenhang der fransche RenartSy door Méon (1) en Chabaulz (2) mede- gedeeld, en door Marchand (3), Lz Grand d'Aussy (4), Ro- BERT (5) en Gbimm omstandig beschreven, doet ten sterkste gelooven, dat de Trauvereê deze hunne takken geïnt heb- ben, of op de Frankische Sage uit den mond des Tolks, of op onze latynsche fabels Yan den wolf en den tos , of eindelyk op den Nederlandschen Reinaert, hier Toor ons liggende. Veelal maekten zy van de feitelykheden , welke in de aenklacht der dieren , by den aenvang onzes gedichts , of in de biecht yan den tos, flaeuwtjens waren aengestipt, meer uitgebreide Terlellingen. Laten wy, om dit nader te zien , de fransche uitgaTe der Renarts eens Tluchtig door- loopen , en aenteekenen wat tot onze Tlaemsche stukken in betrekking staet. Pbrrot DB Saint Cloud , de eerste en oudste der Branche- dichters , die omtrent 1230 leefde, erkent dat hy naer zeker boek gearbeid heeft : Un livre, Aucupre ayoit a non: IA troyai-je mainte reson Et de Renart et d*ai«^f« cho$e* Dit boek was dus eene Terzameling Tan gedichten, in welke de Aucupartus (middeleeuwsch latyn, Tan aucti- {\) Lê roman de Renart, Paris, cbex Treuitel el Würti, 1826, ^■nn-S», gefe- ceiMeerd door RAinoirAio in Le Journal dos Savaniê, 1826, p. 334-S45. (2) Lê roman du Rtnart, Supplément, varianiee ei correctione, Parit, chei Sil- ▼etire, 1836, in-8». (3) Dictionnaire hisiorique. La Haye, 1768 » in-fol., I, p. 277; herhaeldby Vunon, Mémoireêpour servir d Vhüioite Uitéraire du Payê-Baê, IT, p. 361-370. (4) NoHcee ei extraitê deê ManuecHtê de la bibliotkêque nationale, \, p. 294-SS7. (6) Fabiee inédiUee dee XII; Xlifi ei XIV eiéclee, Parit, 1826, in-S», I , page INLEIDING. xu pium, auoupor) de eerste plaets bekleedde, wellicht gevolgd door den Lupa/ritéSy den Poenitentiarius lupij den Asi^ nariuSy den Raparius enz., alle titels Tan fabels of vertel- lingen , meest opgesteld door Godfried van Thienen. Monb vond zoodanigen bundel, en beschryft dien in zynen Anzeu- ger, 1834, bl. 159-163. Vervolgens wordt, bl. 14 van Méon's eerste deel , in het lange verhaeld, hoe Reinaert met Hersinde en hare kinderen omging (hierachter ¥• 73-77, en Reinardui, lib. III, ¥• 1753). — Bladz. 29 vindt men eene branche, getiteld : Si conme Benart mojya Ie poisson aus cha/rretiers ( betrekke- lyk tot Rein. V» 208-216) — Bladz. 36 Si comme Renart fi$t Tsengrin moine (J?* V» 1487-1507 en Reinardus, lib. III , &biila in). — Bladz. 44 Si comm£ Renart fist pescMer d Tsengrin les anguiles (ü* V- ^1508-1511, 6283-6395, en Rei- nardus, lib. I , V» 531 et sqq.). — Bladz. 181 Cest de Re- nart et d^ Tsengrin et dou Lyon, com ü departirent la proie {BS 6057-6145 , en ReinardtêS, lib. lY, fabula II). Deze Branche begint aldus: Pierres qui de Saint Clost fa nez S'est tant trayeilliez et penes Par proiere de ses amis , Que il nos a en rime mis ^ Une risee et nn gabet ' De Renart, qni tant set d'abet, Le poant nain , Ie descrën , Par qui ont esté decëa Tant baron, qne n'en sai le conté: Dés or commencerai le conté. Uit welke rymen op te maken is , dat de dichter geenén anderen geschreven Renart in zyne tael kende , dan dien Tan PiiRRi DB St-Cloüd. — Bladz, 285 , in verband met de Variante by Chabaillk, bl. 127, heeft men La branche rfT- sengrim et de Renart et dou gresillon : xLii INLEIDING. Un jour iisi fors d'ane lande Ysengrins, por qnerre viande, enz. Letterlyk de aenhef van Reinardiu : Eg^ediens silvam mane Isengrimus, nt escam Jejonls natis qoaereret atqne sibi. Bladz. 287 8taet ia betrekking tot de kraeivangst in ons tweeden boekl^I. 145 en 146; doch zeer obsceen behan* deld. — Bladz. 307 Si contne Tsengrin iala plaindre de Renart d la cort Ie rot: eene uitbreiding van het geval wegens de eedsaflegging (i?* Y* 79-86). — Het tweede deel begint met de fraeisle aller branchen, gedeeltelyk nage* drukt in de Bylagen hierachter. Ook de schryver van dit stuk kent geenen anderen franschen Renart dan dien van Perrot de St-Cloüd (¥• 9649), en zegt zyne stof gehaeld te hebben uit zekere geschrevene historie : y 9659 Ce dist Testoire e$ premiert vers ; En dan volgt de vertaling der eerste versen van Retnaert: Het toas in enen sinwenclage, enz. Nog tweemael spreekt hy van dezelfde historie : V' 100S6 Si conme en escrit Ie troTon, 10595 Si con nos troYons en l'estoire; Doch welk Escrit^ welke Eitoire? Geene andere dan onze vlaemsche Reinaert. De vergelyking der twee texten laet deswege geen twyfel over. Treffend bewyzen dit, in het by- zonder, de volgende rymregels : Y' 50 van Reinaert is by hem V» 9670, 83-9688, 85-9691, 246-9764, 522-10179, 525-10190, 541-10182, 545-10198, 549-10199, 550- 10200, 577-10240, 578-10241, 652-10282, 653-10283, 678-10292, 679-10293, 703-10316, 706-10290, 723-10338, 724-10339, 746-10364, 804-10393, 943-10414, 944- INLEIDING. xuii 10415, 952-10416,987-10429, 997-10435, 1051-10473, 1054-10474, 1077-10498, 117640564, 1179-10569,1187- 10573, 1198-10572, 1301-10632, 1442-10744, 1445- 10750, 1706-10888, 1707-10889, 1725-10896, 1730- 10912, 1731-10913, 1734-10915, 1735-10916, 1820- 10938, 1828-10980, 1835-10986, 1843-11015, 1844- 11016, 1849-11018. Ja, wat meer is, in Y' 10493 laet hy zelfe het vlaemsche woord taillecome staen, op de zelfde plaets waer hy het in Beinaert aentrof, Y' 1073. Later, yan den nederlandschen text afwykende , beroept hy zich op zyne historie niet meer, en gaet dan zyn eigen weg. Kan er wel een sprekender bewys van nayolging gevonden worden? BI. 131 Tan hetzelfde tweede deel leest men eene biecht Tanden tos. Teel OTereenkomst hebbende met Y' 1485- 1511 hierachter. — BI. 145 Cest la bataille de Renart et d^Tsangrin (Zie myne aenmerking bl. 251) — BI. 155 en 156 het gcTal Tan Tibert en den pastor. De klacht der Trouw luidt aldaer : Lasse! fet^Ie, malostme! Ne serai mès chisre tenue ; Mesire a perdue sa joie Por quoi chiere tenue estoie : Or n'aura-il mès de moi oore Quant il a perdu s'anblënre ; Or sai bien qu*il me gerpira Quant il aidier ne se porra. Moult 8ui ore triste et dolente , A joie ai usë ma joyente ; n me donnoit si biax mengiers Et les bons dras plus yolentiers ! Men ziet , het is wederom eene byzit. De schryTer moet den grondtext gekend hebben ; want Terschillende regels xyn gelykluidend, B.Y. Y- 13776 met /? Y- 1245. — Bl. 176 het gcTal in den put (/{« 6432*6455). — Bl. 212 begint de xLiy INLEIDING. branche gemaekt door een' geestelyken van La croiz en Brie, yolgeos het mondelyk verhael van een ander: L*estoire Ie tesmoigne a yraie, Uns bons oonterres Fayeraie Qui tos les conterres sornionte, A celai oi conter Ie conté, • De vos zegt daer, onder andere, Y' 15876 : Si ai maint bon eonseil donë : Par mon droit non ai non Renart. Beduidende in hedendaegsch fransch : o^est ainsiquefai donné souvent un bon eonseil, et que mon vrat nom (mon droit nom) est Renart. Wy zullen straks zien dat Ragin^ hart (by verkorting Rainart) in het oudduitsch raadsman te kennen gaf; weshalve de mondelyke overlevering, waer uit deze schryver puttede, ook van eenen duitschen aert was. rr- BI. 305 Cest la branche de Renart si come il fu tnires (Ziemyne aenteek. bl.225); waerschynlyk door een' vlaming, van den kant der stad Teruane, geschreven (V* 18216). Het derde deel begint met eene branche, welke almede naer een mondelyk verhael is opgesteld : G'en di por ce nne avantore , Oa ge ai mis tonte ma care ; Ge Foi dire k nn yiellart ; Doch de vuile inhoud moet by ons niet gezocht worden • — BK 28 geeft de branche van Richart de Lison, Qoi Ta translatëe en romanz. Wat aengaet Le couronnemens Renart van Marie de France, waermede het vierde deel van Mioir aenvangt, het bevat eene Satyre tegen de Minnebroeders en de Jacobiters , en is onzer dierenfabel geheel vreemd. De daer achter vol- gende Renart le nouvel^ door den vlaming Jaquehars GuLsé, INLEIDING. XLV omtrent het jaer 1290 vervaerdigd , is ook meest allegorie en satjrre ; doch beide dichtstukken , zegt Grimm , beide zeu^- gen für Flandeniy den olMeiêohen boden der Thierfabelj denn auch Marie mues die idee zu ihrem gedicht, cUis sie den graf en Wilhelm van Flandem zugeignet, dort geschopt haben (1). - Zy zegt naemlyk , dat zy schreef voor Preu vaillant conté Williaame Qui jadiB fa conté de Flandres; Eo lager : Ha ! cnens Goülaame conqnerans N'estië mie fors que d'onor: A droit on vos tint a singnor Et ^n fd drois è mon avis: N*est merveUle si Ie marchis De Namor de fon tos resamble. Het zou my te verre buiten myn bestek brengen , wilde ik al de zinspelingen op Ylaenderen aenhalen , welke men in de franschejRenorto ontmoet. Ik vergenoege my met het op- gegeyene , om aen te toonen , dat niet wy by de franschen geput, maer zy het onderwerp hunner gedichten of by ons, of uit de frankische Tolkssage, gehaeld hebben. Vele yan hunne trouyeres yerkeerden aen het hof der ylaemsche gra- yen , inzonderheid aen dat yan Philips yan den Elzas , den weldoener en yriend yan Chreetien de Troyee. De Roman du chevalier au lion yan dezen laetsten yangt byna op de leUde wyze aen als onze Beinaert, te weten , met eene hof- houding omtrent sinièn (2). De fransche tael bloeide des- tyds zeer in Ylaenderen , in zoo yerre dat graef Boudew]rn , op het laetst der twaelfde eeuw, onderscheidene historiën (1) EnmiJiT FuGifl, bl. cxitin. Het it twyfelachtig wie Marie de France door conté WUiiaumê quijadU fu conktê de Flandres mag bedoeld hebbeo. Zie daerorer Li Giahd a^AvsfT, Fabliaux, ly, p. 321, RoQVErotT, Poéiieê de Marie de France, I , p* 18. laanr, Fableê inéditeê, I, p. cini, en Vahbé Di la Rm, Eêaai hUtorique $ur les hardeê, lei jongleur» et Uê troueèren, UI, p. 70. (2) Biêtoire Hlléraire de la Franco, XV, p. 193 ün 235. uTi INLEIDING. ten gebruike der ingezetenen in die tael liet opstellen. Bau-' douifij zegt De Guysb , fii par Ie oonseü des grande oUrce de eet états reoueillir et composer des histoires reduites en forme abrégésj et les fit rediger en langue fra^aise (1). De dichter yan Reinaert schynt alstoen een grand clero, zoo wel in het fransch als in het nederduitsch , geweest te zyn , en dit Yerklaert ons waerom hy sommige namen , als Cor^ tois, Malpertuis^ Malcrois en Pinie, uit eerstgenoemde tael ontleende. Na aldus den oorsprong en ouderdom der Nederland- sche dierenfabel , in derzelver dubbele ontwikkeling yan de twaeUdé en dertiende eeuw, toegelicht te hebben , blyft ons overig te zien , wat er van onzen Beinaert in het vervolg van tyd , ook by andere natiën , geworden is. Zyne ver- wantschap met de oostersche , grieksche en latynsche fabels door Grimm allervoortreffelykst aengetoond en beoordeeld zynde, laten wy hier onaengeroerd (2). « (1) Winxoiina, Hütoin dê la Flandre, I, p. 213. (2) In het Toorbygaen kan ik nogthant niet nalaten by de door Gijsn aengehaelde Ikbeb nog iett te Toegen. Inde FUno^n of Ptnian liilêraiurê, London, 1804, Ïn-A^ bL 198 Tindt men uit de FabUs firom tht BakarUtaun of Jawmet het Tolgende Terhael In het pertitch gedrukt, dat leer groote OTereenkomtt heeft met RBinaeri V* 151S en Tolgende. Ik aohryf de daeibygettelde engeltche Tertaling oTer : • A fox onoe icrar ped acquaintanoe ^ith a wolf, and joined him at a companion on a joumey. They eme together to a ^eyard ; bot the door wat thut , and the fence wat hedg«d ronnd with brambiet. An entrance it dUigently tought for on e^ery ttde, nntil, at length, they came to a gap, wich would indeed admit the fox tolerably well, hut the wolf with the greatett difficnlty. The fox firtt eatily made hit way through it and the wolf foliowed , but not without contiderable exertion. They percei^e a proiution of Tariont tortt of grapet, with they are prompted to taste: in ihort, there wat an •bottdanoe of finiit, of different kindt and colonrt. The crafty fox bat contionally an eye upon the manner in which he wat to get out again ; but the wolf, forgetful of hit lafety, erammed himtelf at mnch at he conld. The keeper of the Tineyard , haTing obterred the thieret , teiied a handful of twitchet , and came running unexpectedly upon them, with a ^iew to ohattite the culpritt. The tlim made fox, taking to flight, darted through the gap at quickly at pottible ; but the wolf, being more fat and ha- Ting ttuffed himtelf too much, ttuck by the way. The keeper of the Tineyard following him up, to tererely trimmed the poor devil, that, half dead, mott of hit fatir torn out and with hit hide betmeared with gore , hé tcrambled out at the gap. > INLEIDING. xLTii Om kort te zyn zullen wy ons oyerzicht bepalen tot een ▼luchtig dooiioopen Tan de volgende BIBLIOGRAPHISCHE LYST o) Die historie vcm ^Reinaert die vos. Aen het einde : Ghe^ prent ter Gouden in Hollcmt by mi Gheraert Leeu den êeven- tienden doch in Augusto. Intjaer MCCCC ende LXXIX, 4® goth. Eene prosavertaling yan Beinaertj yolgens de om- dichting Tan Willek Utenhote, en aigedeeld in 43 kapittels. Een exemplaer is in de bibliotheek te s'GraTcnhage , en schynt het eenigst bekende. (1) Wie de Hütoria Utiüraria Tan Reinaert wil bestuderen kan, behalre de noeger eo bier ter plaetae opgenoemde werken, nasien : ffloiior ünierrichi van dêr itutêchen Spraeka «nmI Po9êU, bl. 333 ; FAtrcan Reeueü de forigme dê la langue et poene firat^ füiee, p. 197; — Hamiiü, Biet. de la poésie fronpaise, p. 177; — HAcuuma Programma de moraliapologopoetko, qui noitra vermacula de Reineke Voe appellantur. Helmstad, 1709 , in-4<>; — Guilielmi Neubrigeneiê Hietoria Anglicana, edit. Hbauib, Dl, p. 743; — GomcoD's Netieêteê aus der anmMthigen Gelehreamkeit , 1757, bl. 112; — Lan- «ST MI fiBSMT Btbliothêque deê romane, U, p. 313; -— Dietd's Nébenetunden , I, p. 1-256; — Hbdia's ZerttreutenhlAtter, T, p. 219; — RinnLuan Utierarüche hiêt, der Teutechen, IV, bl. 664 ; — Partzdi Annaleê iypogr, p. 372; — Tuscna's TVooffM l^t, bL9; — HmxAR Origineê typogr, n, p. 291; — Flóoil's Geêckichte der ko- mèeehen litteratur, IH, p. 28; -^ Roqüitoit De la poesie franfaUe dane Ie XU^ ei Xin* eiéclee, p. 171 ; — Rabüi's Vorleeungen über die geêckichte der deutêcke^ poeeie, I, 145, 183; — Koca's Compendium der deutecke Ut, geeckA^ p. 146; — Neuer dentecker Merkur, 1796, D, bl. 121 ; — RnmEiuHG's Geeckickte der N. edckei» ecken epracke, bl. 5, 359; — Bragur, m, p. 326, IV, p. 186; — Saxu Onomae- He&n, Tn, p. 355; — Jóboirs Lexikon dentecker dickter, IV, bl. 307; — EicHoia's Ge» eckickte der litteratur, D, bl. 225; — Tuom's Gelekrtee Oet-Frieeland, I, p. 19; — SpAüfiiimu's Vaterland. Arckie, T, p. 79; — Giuna's Wórterhnck der Aee- tkeiik, ly p. 147, 519; — Boitowik's Geeckickte der poeeie, T, p. 57, IX, bhidi. 347; — - Toniia Hachi's Grundrise Mttr geeckickte der dentecke poeeie, p. 422; — - Jenaer lAteratnr Jteüung, 1814, ErgAnxungs bUtt. I, p. 49 ; — Dnoni, Bibliotkeca Speneeriana, IT, p. 244; — ScBMuxt!* Bückerkumde der eaeeieck Niederd. epraeke, p. m; — Enar's, Allgemeinea Bigliograpkieckee Lesicon, II, p: 603; — BimiiT Manuel dn libraire, Snppl. H, p. 165; — HoroiAaB's Borae Belgicae, I, p. 125 en Fundgmben I, p. 240; — Banovrieckee Maga%in, 1828, p. 680; 1829, p. 321, 335; —Bos- weara's Origin of the dutck, London, 1836, p. 18; — Biograpkie univereelle de MtOLkC» XTU, p. 334, XXXIX, p. 533, ens. xLTui INLEIDING. Die hütorie van Reinaert de vos. Aen het einde : MCCCC en lücxxv opien vierden daoh vanjunio. Deo gracÜM. Delf in Hollant. 4® goth. 112 bladen; herdrukt onder den zelfden titel met byvo^ng yan : zum genauen Abdrucke befSrdert von LuDBwiG SuHL, Stadsbihliotheka/r in Lubeok. Lubeck en Leipzig^ 1783, H^. Ik heb my yan dezen laeUten druk be- diend. Hy begint met de Tolgende Prologe: Dus üit twee spraken? ja, en -wel uit die yan Lombardie en yan Frankryk; want later, sprekende yan ebrekerie (oyerspel) zegt hy (achter het derde kapittel), dai leyder icol schud in Lombardyen un in Wallant, dar dyt boeok ghedyoht^ is. » Louter yerdichtsel. Men ziet hieruit, dat men aen den inhoud yan toegeyoegde prologen niet te ▼eel prys moet hechten , inzonderheid wanneer zy met den inhoud yan liet werk stryden. Dezelfde L. Dietz drukte nog Tier anderen uitgayen in 4<^, 1639, 1543, 1549 en 1553, onder den titel yan Reynke de Voss de olde, nyge gedruokei LH INLEIDING. mit êidlickem vorstande und ichoneri figuren^ erluchtet unde verbetert. Gelyke titel wordt ook gelezen Toor eene slechte uitgaye by ZepheliuSj te Franc fort oen Mein, 1562, 4<^. De prosaïschen aenmerluDgea achter de kapittels zyn in de uitgaTcn yan Dietz naer de gezindheid der protestanten uitgebreid , of weggelaten. Van Reyneken Voss dem olden, 9yner mentuchvoUUg lyst und behendicheyt , Francf. a. M. bey Cyriaoo Jacobo, 20 Mdrz 1550, 4<^; met houtsneden. Verschilt zeer Tan den text des jaers 1498. Beyneke Voae de olde, nye gedrucket, mit stdlykeni vor^ itande unde schonen figuren. Rostock, S. MoUeman 1592, A^. In bedoryen nedersaksisch. Reyneke Vosz dat üz ain schön und nutte gedichte. Ham- burg by Lange ^ 1604, en by Frobenius 1608; beide in 8^, met houtsneden. De olde Reynike Voss, feyn zyrliken up nyge gedrücket , Hamburg, Dosen, 1660, 8®; met houtsneden. Reineke de Vos mit den koker. Verlegt van Frytag, Boeck» hdndler in Wulffenbüttel , 1711 , 4<>; door F. J. Hacuaun, professor te Helmstadt, bezorgd , naer den text der Lübeck- sche uitgaye yan 1498. De koker is geen dierenfabel , maer een zedenspreukig gedicht, dat echter weinig om 't lyf heeft. Reineke de Voss mit einer verklaring der olden sassischen worde. Eutin, Struve, 1798, 8^. Uitgegeyen door Brzdow. Reineke de fos fan Hinrek fan Alkmer upt nye utge^ geven unde forklared dorg D' K.F. A. Schellba, Bruns- 'yiryk 1825, 8<>. Men beschuldigt den uitgeyer, dat hy den text yan den Lubeckschen druk des jaers 1498 op sommige plaetsen eigendunkelyk yerbeterd , en geheel naer zyne by- zondere spelling (in zyne yoorrede ontwikkeld), yeranderd heeft. INLEIDING. un JMneke Vos. NaohderLühecker ausgabe vamjahre 1498, mü emleitung, glossar und anmerkungen von Hoffkan n yoii Falliisleben. Breslau 1834, S^. Keurige uitgaye, Terzeld yaa een Welbewerkt Glossarium. Reeds op Hei einde der twaelfde eeuw schreef HirmiiGH Ml GucHSBif AERB een gedicht yan Heinkart , waerschynlyk in nayoiging onzer ylaemsche en laty nsche fabels ; doch yan zjn werk is geen handschrift OYcrgebleyen , niets, dan eene omwerking en yerkorting yan eenen ongenoemden uit de dertiende eeuw, die de fransche branchen moet gekend heb* ben, en een paer namen yerfranschte : Hersant, Schante" kUr. Gbimm heeft dit opstel uitgegeyen in zynen Reinhart fuchs: yroeger was hel gedrukt in Koloczaer codex cdtdeut- scher gedichte. Pest 1817, 8% p. 361-420. Met V 1321 be- sdiryft de dichter de hofhouding yan Koning Nobel, en yolgt den loop der gebeurtenissen als in Reimiertj zya yerhael heeft nogthans meer oyereenkomst met de branche^ hierachter in onze Bylagen medegedeeld. Zoo yindt men er, onder andere , de miraouleuêe genezing in yan den haes op het graf yan Goppe, ten geyolge yan welke deze laetste als een martelaresse beschouwd wordt. Voor het oyerige zyn al de in het hoogduitsch gedrukte Reinaerden , welke wy nu gaen opnoemen , yertalingen of nayolgingen yan den Sak- sischen Beineke. Reinicken Fuch$. Das ander teyl des buchs Schimpff undEmst.YrenxcSuTi aenMein, by Cj/riactis Jakobus, 1544, fol. Berymde yertaling, door Migh. Beutheb bezorgd, c< dessen arbeit, zegt GEnn^ durch auslassungen und ungeschickte bdiandhing so sehr sündigt , dass sie unlesbar ist, und alle anmut der dichtung yerwischt. » Nadrukken bestaen er van LiY INLEIDING. 1666, 1662, fol; 1674, 1687, 1690, 1608, 1617, »>; deels by Zephdiui, deels by Boitcmu in dexelfiie stad Francfort aen het licbt gekomeo. Iteineke Fuchs^ a/uffda$9 neuê mü alhrhandjetxiffer %eii üblichen reim-^rten ausgezieret, tnit etzliohen hundert versêen bereichert, mit unterschiedltchen sitten und lehr^ sdizen verbessert. Rostock, by Wilde, 1660, ea 1662, 8^; met slechte houtsneden. Ook in rym, met eene nieuwe gloise, Tolgens den smadc yan dien tyd. Na deze uitgave is de hoog[duitsche prosa bearbeid, getiteld: Der listige Bei-- neke Fuohg , doê iet ein eehr nutzliohee lustend einnreickee BUchlein, waenran menigYuldige drukken bestaen. Heinrichs von Alkmar Reineke der Fuchs mit schonen KupferUj nach der Ausgabe von 1498 ins Hochdeutsche übersetzet, von J.C. Gottsgheden , Leipzig und Amsterdam j verlegts Peter Schenk j 1752, in klein folio. De geëtste pla- ten zyn verraerdigd naer teekeoiogen van den nederland- schen kunstenaer Allert tan Elyerdiivgen, wier originelen met de bibliotheek yan den hertog van Marlborough te Londen, in 1819, yerkocht zyn. Bitter Beineke von Waldburg. Dresden 1791, 8®. Eene Trye nadichting. Beineke Fuchs in 12 gesdngen, von J. Wfo. von Goethe, Berlin, by Unger, 1794 , 8<>. In hexameters yry gevolgd naer den nedersaksischen text. Dit gedicht van den grooten Goethe is in het deensch overgebracht door den beroemden QEhlenschueger, Kióbenhavn, 1806, 8<^. Beineke Fuchs. Ein volksbuoh, Aus den plattdeutsohen reimen in hochdeutsche prosa aufs neus gelreu Obertragm, Tttbingen, by Osiander, 1817; langwerpig 8^, met pi. Beineke der Fuchs von D. W. Soltau , in 4 büohem und INLEIDING- LT 12 gesongen, Berliil 1803, Braunschwe% 1823) 8«>. In Tier- Toelige rymen. Meineke Fuohs, gê$atibert nnd abgekuHzt van F. RAssAiiif ^ Hdlbron, 1822,ia24^ En Raeffuehog, som kaldes paa tyske Reinike Foss^ nu nylige fordanskit aff^EEfiUkun Weigere. Lubeck, by J. Ri^ cholff, 1555, ea Kopenhagen, by P. Hake, 1656, beide in 4^; met houtsneden. Berymde yertaling naer het hoog- duitsch ; later omgewerkt in een' anderen druk , Kopenha- gen, 1747, 8o. 3n l)n 3toirrd0(l) : Reyncke Foü, thet dr en skön och nytHgh dicht. Stock- hohn^ by Meurer^ 1621, S^. In rym, naer het deensch. Reinick Fuehê eller michel rdf, 3 uplagan. Stockholm 1775, 8<^. In prosa. Er bestaet ook eene Tslandsohe orer^ brenging. £eUvr$defmÊi$treRegnardetd9dameffer9antsafemfnêj Uvre plaüant ei faoetieuw. Imprimé mmvelhm&tt a Porie parVmuFFE le Noie, libraire. Klein 4<^, goth.; zonder jaer« teekening; doch yolgens Bevnet niet yóór 1521 gedrukt. Dit boek beyat de prosaïsche yertaling Tan Jean Tenessax , be- Tirerkt naer Renart le nouvel Tan Jacquekars Gi&£e, en is herdrukt onder den titd Tan Le docteur en malice, maistre Regnardj demonstrant hs rueet et cautelles quü use envers hipenonnee, Rouen 1550^ en Paris 1551, in 18^, fig. Mar- GHAifD en Paqvot spreken nog Tan andere editien ; doch men twyfelt of zy bestaen . ivi INLEIDING. Lb Renard ou U procez des beite$, traductum enrictm de figures en taille douccj Bruxelles, chez Jaoques Patmeelê et Charles De Vos, 1739, 8^. Met eene goedkeuring yan den 6 july 1739 , door H. /. Lambertj censeur et examina^ teur des livres. Het is eene vertaling der nieuwere Tiaemsche prosa ; doch de namen der dieren zyn veranderd : Reinaert heet Trigaudtn^l^enffTim Glouton, Grimbert Domtncmt^eïa. Barbier in zyn Dictionnaire des Anonymes, N^ 16311, zegt dat dit boekjen in 1788 te Parys herdrukt is, onder den titel Tan Les ïntriguss du oahinet des rats; men mag echter daer aen twyfelen ; want de ratten hebben met onzen Rei- naert niets gemeens. De heer Robbrt belooft ons eerlang eene uitgaye Tan Rs^ nard Ie contrefait. Opus poeHcunt de admirabtli fallaota et astutia vulpe^ jmlcte Reinekes. Auctore Hartmanno Schappero, Novofo* rense Norico. Francf. a. M., by Fabrittus 1567, en by £as^ saeus, 1574, 1579, 1580, 1584, 1595, in 12»; met fraeie houtsneden Tan J. Amjm (of Anon?) en Virgiliüs Solis, mids- gaders eene opdradit aen keizer Maximiliaen den II. Het boek beTat eene Tloeiende Tertaling in Tersen naer de hoog* duitsdie rymeii Tan Mich. Bbuther: QuoSy puto, Soxonico Beutherus, ore loqaentes Germano jassit caltius ore loqoi. ScHOPPER kende den oorspronglyken schryTer Tan Rei^ naert niet : Ego autorem libelli ubi cognovero, ab ipso liberir tissime, si quid a me neglectum inconditumque oMatum est, corrigi ac emendari patiar. Hy ondernam het werk in Troegere jaren : INLEIDING. Lvii Qaem oondidi floreniibus Hartmanus annis integer Ad castra natns Norica, €iim quatoor natalibus Annum videns yigesimiim Dom caesar in feros Getas Secundus armis fortibus Maximilianus fulminat. Volgeas Ebbrt is de eerste , yolgens Brunet de tweede uitgaye (aen het einde het jaer 1575 hebbende), toot de beste te houden. Deze Tertaling heeft niet weinig bygedra- gen , om den inhoud yan onzen Reinaert by yreemde natiën kenbaer te maken. NAMEN DER DIEREN. RjoRJUBRT, de Vos (soms ook Reiner gespeld), meUen roden boerde V' 60; €lat felle dier 88; die felle man 106 ; meester 154, 6017; scone Jongelinc 223; gerecht man 263 ; die felle gebure 343 ; die felle sage 395 ; die felle 614; die ribaut 938 ; rode ecalo, felle gier 9A0'^ felle creature 1704 ; ongetrouwe 1705; onreine vraet 1738; onreine quaet 1801; heer 1015; felle gast 1888; dü felle vode 1948; quaet wicht 3406; vuule toicht 3660 ; van rade taifs ende vroet^ ende van groten geslachte 3694; de rode 3745, 3771; raet 3834, 6178, 7771 ; vuul catijf 5286; sml ter juoht 6125; lose sculc 6272; lose vos 6920; souve^ rein baljuto 7611. Zyn yader hiet ook Reinaert, V' 6017, die listige oude 2370; die vroede , die boude 2398 ; studeerde te MontpeUier in medecinen 5952. 4r«%*%%i(c4c LT1II INLEIDING. De naem Tan Reinaert of Reinhart, vroeger ReginKart of Raginhart, en nog yroeger Raginohart «n Ragnohart geschreven , in oorkonden der zevende , achtste en negende eeuw, beteekent zooveel als raedgever, en is afgeleid van het Gothisch woord ragtn, regin, dat is, consilium. Bewyzen hiervan geeft Grih, bl. cgxl, cgxli , en Masskann in More's AnzeigeTj 1835 , bl. 184. Zie ook hiervoren bl. xliv. Men gelooft dat het meermaels betwyfelde woord Rachinburjo of Rachimburguê , als consilium ferens^ van den zelfden wortel stamt. Beneun , daerentegen , in zyn' TeiUo oder Ur^ namen der DeutscheUy bi. 389, vertaelt Reinfujtrt door fester herr; doch deze verklaring houdt geen steek. IsENGRiK , de Wolf, oom van Reinaert V' 1632 (doch zie y* 1486) de heer 187, 2886 ; die grise 2266 ; moer- scalc 3822 ; can walsch , dietsch ende latijn 4047 ; sterc ^ groot ende lanc 6516, 7115; de hongerige 6599, 6637; die van honger griht 6449; nie soo sat, hi en had geeme m^er gehad 6485 ; sterke vraei 6767 ; groot masr sonder hert 6864 ; heeft soo me^ nich lam verslonden 7018. Veeltyds schreef men ook Isengrtn (in het HoUandsch handschrift byna altoos Ysegew, zelfs daer , waer het rym ijn vorderde). De oorzaek daervan is , dat men ou|ings by ons gewoon was in veel woorden de m met de n te verwisselen. Zoo zyn grimmen en grynen eenerlei ; zoo stelde men pel'- grijny oor pelgrim (V* 3017), ie bem voor ie ben (¥• 380); zoo rymde man op nam (¥•. 105); ^ram op began (¥• 107), enz. By de duitschers hiet Otnit's en Dieterich's helm zoo- wel Hildegrijn als Hildegrim (Grimm's Deutsche Mythologie, bl. 146). Ik kan derhalve met het gevoelen van Mohb niet instemmen , in den Anzeiger für Kunde der teutschen Vor^ zeil uitgedrukt, jahrgang 1836, bl. 48, als zoude Jren^nm INLEIDING. LIX by uitsluiting een hoogduitsche naem zyn , en geen neder- landsche. De latynsche dierenfabels , in Vlaenderen opge- steld, spellen toch yolstandig Isengrimus/ a hem, etsen ist » keine niederlèndische Form , zegt die geleerde schryver, » und dieser namen widerstreitet schon der Ansicht , dass » die Sage Tom Isengrim einen niederlandischen Ursprung » habe. Die Oertlichkeiten beweisen nur die niederlandische y> Aneigung. Wir wissen, dass die sachsische und nieder- x> lèndische Mundarten schon zu Anfang des O^'' Jahrhun- » derts das auslautende m in n gesch wacht hatten, fol- y> gerichtig zeigen die sp&teren Niederlander so wie die » Franzosen fast nur die form hengrijn ftir hengrijm. Da » in der sage Isengrim eine besondere Bedeutung bat , also i> kein gleichgültiger Namen ist , so muss man die Kenntniss » dieser Bedeutung bei jenem Yolke suchen , welches den y> Namen am h&ufigsten gebraucht bat. » Uit dien hoofde besluit hy dan ook, dat de naem Isengrim ons uit Beieren' zy oTcrgekomen , yermids men dien in de oude charters yan dat land, sedert de negende tot in de dertiende eeuw, het meest aentreft (1). Niemand zal ontkennen dat Isengrim een historische hel- dennaem geweest zy ; ik neem ook aen , dat Isen yzer, en oyerdrachtelyk zwoerd j beduidde, en dat men dus door den naem zooyeel als de grimmige met het zwoerd yer- stond. Immers , deze yerklaring stemt wel oyereen met het fgezeQde yan den wolf in den Reinardus, lib. I, Y' 1481 : Hinc et ab antüfuiê cognominor Isengrimas Comiseca; Want men kan geen hoornklieyer, geen hoornhouwer zyn, (I) By de door hem Mngeweune plaetten kan men nog Toe|;en limtgfim êpiêco^ pmê, op hei j«er 933, in Pnti, Mamtmênta germanioê hiiiorka, I, p. 94. LX INLEIDING. zonder een snydend Werktaig te bezigen. Ik twyfel echter of myn geleerde yriend Mone zyne stelling zou kunnen to1« dingen. In Beieren, evenzeer als in België, schreef men lêengrin, IsengrintM, Ysengrynnus, henortn: dit blykt uit de Toorbeelden door hemzelf aengeyoerd ; en wat hen be- treft , deze vorm was ook onzer tale niet vreemd , en is nog bewaerd gebleven in Isendike (de yzersterke dyk), alzoo genoemd in brieven van het jaer 984 (1) ; in Isenkruid by KaïAEif verbenaeaj in Isenbari, een mans- en vogelsnaem (Theutonista aurtfex); in Isenherg en henloOy by Yeurne gelegen ; in Isenbruin, een lakenkleur; in de Nederlandsche familienamen Isénghien, Isendoorn, enz. Bovendien heeft het Anglosaksisch almede hen; zoo dat men deze vorm niet uilsluitelyk aen Hoogduitschland mag toerekenen. Dat hengrim in Beieren als mansnaem veel meer "^oor^ komt dan by ons, schynt my, ten aenzien van den oorsprong der dierenfabel, juist tegen Mone, en tegen dat land, te getuigen. Waer de sage van Isengrim zop sterk in omloop, zoo algemeen bekend was , als in Ylaenderen , in zoo verre dat het volk er den spotnaem van hengrimmers aen heb- zuchtige grooten gaf , daer kan de heldennaem, verachtelyk geworden zynde , niet zoolang voortgeleefd hebben , als el- ders, Intusschen is er toch tot heden toe binnen Oostende eene familie overgebleven , die zich hengryn noemt. Doch het komt my voor, dat hen van Ysen, dat is, tot ys worden, of door koude schrik bevangen zyn {horrere), mag worden afgeleid (2). Wellicht zyn hen en her niet anders (1) ReBpomum ad quaêihtm : Quelles §ont Ie» placn dans Uê Payê-Ba» , qui dêpuiê Ie eepHéme êiêch juaqt^au dousiéme ant pu pas$er pour deê villeê^ Bnixellet , 1818, page 21. (2) Volgens Bildibdtk's Verklarende geêlachtlyit, I, bl. 181 (waermede Hvrraoom*! Proeee, U, bL 340 moei TergelelLeii worden) stamt eiten en eislyk (sohrikken en^ •chrikkelyk) Tin het oude eken, wonden. Twen daerentegen ion benneten xyn. INLEIDING. ^ Lxi dan y9aohtig, yxend; figuerlyk aen het metael toegepast (1). De Torm Isa>r, reeds in het gothisch, g^iyl'^ ook in alle de andere duitsche dialecten , l>ekend , schynt my veel ouder dan isen (als ferrum). Zeker gaet het, althans, dat men dien in de oudste schriften aentreft; blykens de yoorbeelden aengehaeld in Grafip's Sprachschaiz , I, U. 488. Byaldien nu hen, in zyne oorspronglyke beduideois, blootelyk yzer ware geweest , en niet de Yoorsteiliog yan het yskotuh stoel, dan zou men , naer ik denk , onder de heldennamen zoo wel een' Jior- of Isamhariy hambart, en learrich, als een* lecmr- hart, Isanbart, Isahrich, geteld hebben. Wanneer men Tan yzermelael spreken wilde , zeide men in Ylaenderen Bouiiewyn de Yzeren, en in Duitschland der eisem Hein^ riek (2). Wyders kon men den wolf ook geen gepaster naem geren dan de yselykgrimmige j en deze Terklariog staet bo- vendien beter in yerband tot toeerwolf, loupgarou, en der- gelyken. De yslanders heetën den ysbeer yswolf (isolfr), en misschien ligt hier eenige betrekking in tot Isengrim. Ik laet de beslissing aen kundiger oyer, dan ik ben, in de noordsche talen. - NcHiBL, de Leeuw, die cenino V' 44 ; conino here 66; soete here 420; edel here 991, 2555; vreselio 1330, 2975, 3381; coninc lioen 1837, 3398; harde vroet 1899; milde 2193; edel conino 2209 ; so wel geboren 2340; soet ende goedertiere 234 1 ; genadich allen dieren 2342; hopende ten gewinne 2496; daert at aen stast 2767, 5465; conino rike 4316 ; weigert geen recht 4620. De leeuw is yan ouds yoor den edelsten en geyolgelyk yoor <1) « Dé» kalle eitea, eine •Hhersebraohle umtchreibuiig d«f tohwertet, • Begt emam, «BitwtUcn lag (ia het geren Tan namen) eine getohiokte yergtetchaag mm CS>— da, wie man ém Eisen wq;ea seiner Kalte sckeint mit den Eise vergHehen lu Mbea;* tegiKnasBuiieyiniyne GWeA wie die doget haten , Ende laten begaen elcken man , 10 Bie maken mitter logen malach Het aiilken konaten ala hi can. Y\ 2 Dicken j dikmaels. — 8 Hem verdroot zoo hard, zoo zeer. — «4 Geeste, fr. geste. — 8 De vite, de levensbeschryyiog ; doch KniAiff heeft ook viie, flandricè treie. — 10 Siere, synere > zyner. — 1* Dor- p^^BH, oobeschaefiden ; doren, dwazen. Vai. 16 V. 8 Dagei, deag^. » Fertyen, TOOrbytrekkeQ. REINAERT Die emmer es al even malsch : 20 Si maken sulke rime yalsch , Daer 8i niet meer af en weten Dan ie doe , hoe dat si heten Die nu in Babilonien leven. Daden si wel, si soudens begeven. 26 Dat en seggie niet dor minen wille ; Mijns dichtens ware een gestille , Ne hads mi ene niet gebeden , Die in groter hovescheden Gerne keert hare saken : 30 Soe bat mi , dat ie soude maken Dese avonture van Reinaerde. Al begripic die grongaerde Ende die dorpren entie doren Ie wille , dat die ghene horen , 36 Die gerne plegen der eren Ende haren sin daer toe keren , Dat si leven hoo&chelike , Sijn si arem , sijn si rike , Diet verstaen met goeden sinne. 40 Nu hoort , hoe ie hier beginne. Het was in enen sinxendage Dat beide bosch ende hage [leiQflk*, I,kap* 1.] 26 lijn gedicht wair gebleren itU. 32 Al berifp ie die muMerde. 37-40 Dat ty leren in hentcbeiden. Ru hoort , ie ael u Toort betceiden Den tin des woortt, na dit prologe. Mer ie bid u, to wat ik toge , Hoort die woorden , ende meret den sin; 5 Onthont , dair leit Teel wijtheit in. 41-46 Het wat op enen pinxter dach Dat men woude ende Telde sach Groen ttaen, myt loTer ende grati, Ende menich Togel blide waM, Hit tange , in hagen ende in bomen ; 5 Die crude sproten uut, ende die bloe- (men. Die wel roken hier ende daer, Ende die dach Tras schoon ende claer. Nobel, die coninc Tan allen dieren, Had s^n hoff doen kreygiren 10 Syn lant al door, ende oTeraL y% 19 Mahch, week. — 28 Hotescheékny heasohheid, courioiêie. SO Soe, sy. — 83 Grongaerde, fr. grognards; in het hollandsche hand- schrift Mosards. — Ai Beide, gezaniendlyk , gdykolyk. EERSTE BOEK. 3 Met groenen loyeren waren beyaen. Nobel die coninc hadde gedaen 45 Sijn hof craieren over al , Dat hi waende , hadde hij8 geval , Houden ten wel groten loye. Doe quamen tes coninx hove Alle die diere , groot ende clene , 60 Sonder to8 Reinaert allene. Hi hadde te hove so vele misdaen , Dat hire niet dorste gaen. Die hem besculdich kent ontsiet. Also was Reinaerde gesciet ; 65 Ende hier omme scuwedi sconinx hof , Daer hi in hadde crank^i lof. Doe al dat hof versamet waa Was daer nionen , sonder die das , Hine hadde te dagene over Reinaerde , 60 Den feUen, metten roden baerde. Nu gaet hier op ene clage. [i«ioek«, i. r v«. S3.i Isengrijn ende sine mage Gingen voor den coninc staen. Isengrijn begonste saen 66 Ende sprac : cc Coninc here , Dor u edelheit ende dor u ere , Ende dor recht , ende dor genaden ^ Ontfermt u der groter scade , Die mi Reinaert heeft gedaen , 70 Daer ie af dicken hebbe ontfaen • 63 Wie qoaei doet die souwet dat licht 55 Aho dede Reynaert dat hoff. 54 Dei teit die scrift al orer recht. 68 Ontfaennt a miere tcade. y\ 45 Craieren, uitroepen. — 46 Hetwelk hy dacht, viel hem dit mede. — 50 Sonder, uitgezonderd. — B2 Hire, hy er. — - B5 Souwedi, schuwde hy^ De achteraengevoegde t geldt Toor hi, of voor di: dit zy eens Toor al aangemerkt. — 59 Hine, hy en, of hy. — 64 Saen, spoe* dig. REINAERT Groten lachter ende verlies. Voor al dandre ontferme u dies Dat hi mijn wijf heret yerhoert, Ende minen kindren so misToert , 76 Dat hise besekede , daer si lagen , Datter twe^ noint [meer] ne sagen ^ Ende si worden staer bünt : Noditan hoondi mi sint. Het was so yerre oomen 80 Datter enen dadi af was genomen , Ende Reinaert soude hd>ben gedaen Sine onsculde : ende ako saen Alse die helege waren brocfat , Was hi anderrins bedoohl; , 85 Ende ontvoer oosin sine veste. Here , dit kennen noch die beste Die te hove sijn comen hier. Mi hevet Reinaert , dat felle dier, So vele te leede gedaen , 90 Ie weet wel , al sonder waen , Ware al tlaken perkement , Dat men mak^ nu te Gent , Ine gescreeft niet daer an. Dies swijgio nochtan ; 96 Ne ware mijns wives laditer Ne mach niet foliven achter, 7 1 Grote scande , twier Terlies. 73 D&thi mijn goede wijffTerdoert 74 Ende mijn kijnder to Termoort 76 Datter geen aynt nye en sagen. 86 Heer, dat weten noch die beste 87 Die tot uwen hoTe sijn alhier. 80 SoToel gedaen te leide 90 Hy en leeft niet diet a seide. 93 Hen soats datr in niet scryren : 94. Dit laet ie noch al afler bliven. y. 71 Lachter, lasteiiykheid , schande, hoon. — 74 Misvoefij mi«- daen. — 75 Be$ekêde, bezeikte, — 80 Doch, rechtdag. — 8S Die heiige brocht, de reliquien aangebracht. Wanneer men zich by eede zuiveren wilde (omeulde doen) , deed men zulks op de oyerblyisels der' heiligen, en men noemde dit sekeren ten heiligen. — 8-4 Bedochi, be- dacht; en niet beducht, als Ganu stelt, Reinhart fuche, bl. S69. — 9S. Ine, contractie van te en. — 95. Ne ware, maer. «* iiütf 0((lt>Mr au» m (Hu vefbe S>i« tot-»iv«tt l|<»t« li|te.tl)*>Xt nyeit ymu» 9MruinittSutH (iyut tt>it< Wti ir'uorl|f^«*lHmeu *1 • ♦ EERSTE BOEK. 6 No onvers wi^n , no ongewroken. » Doe Isengrijn dit hadde gesproken, Stont op een hondekijn , hiet Cortois , 100 Ende clagede den conino in franscNs: Hoet so arem was , wilen ^e , Dat alles goets en hadde mere In enen winter, in enen vorst , Dan allene ene worst, 105 Ende hem Reinaert, die fdle man, Die selve worst stal ende nam. Tibert , die cater , die wart gram . Aldus hi sine tale began , Ende spranc nridden in dmt rinc , 110 &ide seide: a Here conino, , Dor dat gi Reinaerde sijt onhout , So en es hier jone no out , Hine iiebbe te Wroegene jegen u. Dat Gertois daget tiu , 115 Dats over menich }aer gesciet : Die worst was mine , al en clagic niet. Ie hadse bi tniere Hst gewonnen , Daer ie bi naehte quam geronnen Omme bejaeh in enen molen , 120 Daer ie die worst in hadde gestolen Enen slapenden molenman. Hadder Cortois iewet an Dat was bi niemene dan bi mi. Hets re<^t dat onberet si 97 ll<»ch on^ebetert off ongewroken. 22 Her had dair Cortoyt yet an. 13 Hy en heeft ie wroegen Toor u. 24 Het is be«t dat ontboren tt V». 101 ^ffefi ere, weleer. — 103 Dat, dat 't — 100 Rinc, de a^eperiite dingplaets; Ginti's Deniiehe Reehistjierikümer, bl. 747, 800. — 111 Onhoui, ongenegen. — \\%Wroegen, beschuldigen. — \^%I&wetf iets. — 13-4 Onberet, ontbeerd, Ter8teld',|[ontdrag^i , TersohoTen, weg* gedaen, écarté , by Qim onherecKt, 6 REINAERT 125 Die cla^, die G)rtois doet. » . Paneer, de bever, sprac : « Dinct u goet Tibert , dat men die dage onbere ? Reinaert es een recht moordenere , Ende een trekere , ende een dief : 130 Hine heeft ooc niemene so lief, No den conim^ , minen here , Hine "wilde dat hi lijf ende ere Verlore , mocht hire an winnen Een vet moraeel van eere hinnen. 135 Wat sechdi yan eere lage ? En dedi gistren aen den dage Ene die meeste oyerdaet An Guwaerde den hase , die hier staet , Die noit enich dier gedede ? 140 Want hi hem , binnen sconinx vrede Ende binnen des cpninx geieede , Gelovede te leerne sinen crede^ Ende soudene maken capelaen. Doe dedine sitten gaen 145 Vaste tusschen sine beene. Doe begonsten si over eene Spellen ende lesen beede , Ende lude singen crede. Mi geviel , dat ie te dien tiden 150 Ter selver stede soude liden. Doe hoordic haerre beider sanc , Ende maecte daerwaert min^i ganc 26 Ptntlier tprac : docbtet u nu goei , 35 Wat tegdi Tan eenre sagen ? 27 Tybert dat men der clagen ontbaer ? 44 Ende deden Toor titten gaen. 32 Hy en wonde dat hi goet ende eer. 00 Dat ie dair Terfoy tonde liden. Y'. 1S4 Moneel, fr. morceaa. Eere, verkorting van eenre, of eener. 141 Geieede^ Trygoleide, fidesjmblica, eamtneatvê iutue etliber. — 142 Crede, credo, in Reineke trede; doch dit laetste zal wel een schryffeil zjn. — Ik^i^Soudene, loude hem* De suffix ne beteekent kern. — 147 Beede ^ beide. — 150 Liden, Toorbygaen^ waerran nog averlyden. EERSTE BOEK. 7 Met eere harde Biielre yaerde : Doe yandic daer meester Reinaerde , 155 Die siere lessen hadde bleven , Die hi te yoren op hadde geheven , Ende diende van sinen ouden spele , Ende hadde Guwaerde bi der kele , Ende soude hem thooft af hebben genomen , 160 Waer ie hem niet te hulpen comen Bi ayenturen in dien stonden. Siet hier noch die yerssche wondmi Ende die teekine, here conine^ Die Guwaert van hem ontfinc. 165 Laetti dit bliyen ongewroken , Dat u yrede dns es te broken , Gine wreket ^ als uwe mannen wisen ^ Men salt uwen kindren misprisen Hier naer, over wel menich jaer. » 170 cc Bi gode , Paneer, gi secht waer ! Sprac Isengrijn , daer hi stoet : Here , waer Reinaert doot , het waer ons goet : Also behoude mi God mijn leven ! Ne ware , werl hem dit vergeven , 175 Hi sal noch honen binnen eere maeht Sulken, dies niet ne bewaent. Doe sprancop Grimbert, die das, [ReiMka,i,s.vti49.] Die Reinaerts broeder sone was , Met eere verbolgenlike tale : 180 nd. Yergelyk Geihh*s Deuteche RechUaUerthümer , bl. 879, 881. — 294 TVide mare, wydvermaerd. — 297 Vrouw Alentes goede EERSTE BOEK. 13 Die goecK hane Graiant, 300 Die scoonste hane , die men yanl Tusschen PortaeDgen ende Polanen. Elkerlijc Tan desen hanen Droech een bemende stallicht , Dat lanc was ende richt. 305 Daer waren Coppen broeders twee , Die riepen^ wi ende wee. Om haerre sustre Coppen doot Dre?en si clage ende jamer groot. Pinte ende Sproete droegen die bare : 310 Hem was te moede harde sware Van haerre suster^ die si hadden yerloren , Men mocht harde yerre horen Haerre tweer karminge. Dus sijn si comen int gedinge. 315 Gantecleer spranc in den rinc Ende seide: cc Here coninc, Dor God ende dor genade , Nu ontfarmet miere scade , 1 ToMchen HoUmt ende Ordanen. 17 Hoort na my , door n genaden , 3 Droech wyeroock ende stalUcht 18 Ende ontfermt u der grooter acadeD. haen. Alente scliynt Terkort Tan Adelent, AdeliDdo. Ziet dit op Adelheid, graef Amouts gemalin , gestorven in 964 , en begraven in het klooster Tan St-Pieter te Brugge; — op Adelheid, vrouw van graef Boudewyn van Ryssel, overleden in het door haer gestichte klooster van Meessene , 1079; — of op Adele de Clermont, vrouw van Willem van Dender- monde (Yudh Geneal, comitum JFlandfia^ p. 45 )? V" 801 Tusschen Britanje en Polen. — 808 Bemende êiaüichi, bran- dende waskaersen (HüTDXcom op Stoki, ni, bl. 188). — 806 O wiende wee, oei ! en wee ! Wanneer men eene moordklage deed, werd er driemael door de verwanten des vermoorden wee,'o{ wraek, of wapen (wopen) geroe- pen , en driemael het zwaerd opgeheven : hier is dit laetste door den veder- dag der hoenders vervangen. Zie Oude friessche wetten , bl. 571 , en Gmnra*» RtchtêoUert. , bl. 878. Met zoodanig geschrei moest men beginnen. « Dat geruchte is der klagebegyn, >> iegtdeSa$$enêpiegel (Edit. Hoirm, U. 57.) — * 817 Dar God. « De klager gedaen hebbende sijn wapenroep^ dcde 14 REINAERT Die mi Reinaert heeft gedaen , 320 Ende minen kindren , die hier staen , Ende seere hebben haren onwille. Ten ingane yan aprille , Doe die winter was vergaen , Ende men sach die bloemen staen 325 Over al die yelde groene , Doe was ie fier ende coene Van minen groten geslachte : Ie hadde jonger sonenachte , Ende jonger dochtren serene , 330 Dien wel luste te levene , Die mi Rode die vroede Hadde brocht te dien broede. Si waren alle vet ende stare , Ende gingen in een scone pare , 335 Dat was beloken in eenen mure ; Hier binnen stoet eene scure , Daer vele honden toe hoorden , Dat si menich dier fel scoorden ; Dies waren mine kindre onvervaert. 340 Dit benijdde dus Reinaert , 23 AU die wynter leden wa», 24 Ende men tach lover ende grM 25 Schoon bloeyen, ende staen groen. 81 Die mijn wijf Coppen, die vroede, 32 Herde wiJMclic op Toede. 86 Dair bynnen ttont eens monict tcoere, 87 Dair aoM ttercke hond toe hoorden , 38 Die menige dieren den pels scoofden. voorts sijne klagte aen Gode van don hemel , aen den grare , ende aen den bailju van de plaetse, ende allen goeden luyden; rerhalende hoe, waer, wanneer ende van wie den overleden met geraden wille was ge- wondet ter doot , ende dat daer aen was gebroken Godes vrede van den hemel, des graven vrede, ende des bailjuws vrede, ende alsulken vrede als ieder onschuldig man behoort te hebben van eenen andren , dien hy niet misdaen en hadde ; versoekende dat het selve ongelijk sonde wer- den geregt. n H. Giotu Inleydinge M de H, regtsgehertheyt , bladz. 341. Y' 335 Behken, gesloten : van het werkwoord beluiken, — 386 Stoet, stond. — 338 Scoorden, scheurden, van een reten. r^^^MSynP mck ^Itlt• V filfif JtoA AtahfUM EERSTE BOEK. 15 Dat sire waren so yaste binnen , Dat hire negeen conste gewinnen. Want Reinaert , die felle gebure , Hoe dicken gine hi om de mure 345 Ende leide om ons sine lagen ! Alsene dan die honde sagen , Riepen si nae met haerre cracht. Eene warf wart hi op de gracht Bi avonturen daer belopen , 350 Dat ie hem sach een deel becopen Sine diefte.ende sinen roof, Dat hem die pelse sere stoof. Nochtan quam hi bi baraten : Dattene God moete verwaten ! 355 Doe waerwi sijns lange quijt ; Sint quam hi als een hermijt , Reinaert , die mordadege dief, Ende brochte mi segele ende brief Te lesene , here coninc , 360 Daer u segele atie hinc. Doe ie die lettren began lesen , Dochte mi daer an gescreven wesen , Dat gi haddet coninclike Over alle uwen rike 365 Allen dieren geboden vrede , Ende ooc allen vogelen mede; Ooc brochte hi mi ander niemare , Ende seide , dat hi ware Een begeven clusenare , 370 Ende hi hadde gedaen vele sware 47 Settcn ty hem «en myt alre oradit, 63 Dat gi had koenlike. 48 Ende eens doe waa hi op die drècht. 65 Alle dieren gegeren vrede. 54 Vandanen. Datien goede TerwaeU 70 Ende leefde in penitentien swaer. T' SKS Baraei, bedrog. — 854 Verwaten ^ Teirloeken, doemen.-^ UO Begeven f wereldbe^pdyen, yande wereld afgezonderd levende. Zie orer dit woord HoTNcom, op Stou, m^ bl. 449 en EomAjtfCs Fimd- gmben I , bl. IW. 16 REINAERT Voor sine sonden menige pine ; Hi tooohde mi paldter ende slavine ^ Die hi brochte van der Elmare , - Daer onder ene 8cerpe hare. 375 Doe sprac hi : « Here Cantecleer, Nu moogdi wel vorwaert meer Van mi sonder hoede leven : Ie hebbe bi der scole yergeyen Al yleesch ende yleesehsmout. 380 Ie hem yoort meer so out Ie moet miere sielen telen. Gode ynllic u beyelen i Ie ga daer ie hebbe te doene , Ie hebbe middach ende noene 385 Ende primen te seggene yan den dage. » Doe nam hi neyen eere hage Sinen wech , ende te dien gescede Gine hi lesen sinen crede. 71 Hi had onifaen om die tonden tijn. 76 Nu mochdi wel ToorUen meer 77 yan my sonder aorge leren ; 78 Want ie hth voort aen begeroi 79 Alle TencliTleytclieode toot; 80 Want ie bin worden so ont. 84 Ie lidi> noch aext ende noene 85 EndoTeaperteletenTandenda^ 86 Doe nam hi, onder enen hage, 87 Synen wech tenen getceyde. Y' 872 PaUter ende êlavine, pelgrimsstaf en kleed. Zie het Glosm^ rium yan Dücahqb op het woord Selavinay alwaer men leest , ex chronioo Andiensi : Pedeê incedenê in habüu peregrinif qui vulgo diciiur eelavina. — 878 Elmare j eene Tan St-Pieters te Gent af hangelyke proostdy , gelegen op de grensen van Vlaenderen en Zeeland, in 1144 gesticht, en in 1424 OTerstroomd, volgens Sandbküs Flandria iUustratal^ p. 252, 28S. Men ziet de plaets nog op de oude kaert Tan het jaer 1274 by Shallegahcb, Chronyk van Zeeland f hL 120. — %1^ Bi der scole vergeven, d.i.by degeea- telyke gemeenschap , in hét klooster, afstand gedaen. Het woord schooi komt van Scholen (yergaderen), en beteekendé ondtyds zoo veel als yer- tameling, yolgens BnMinTK's P^erhlarende ge$lach$lg$i lil, bl. 85, en de Toorbedden aangeroerd in Homumi's GloêêoHmm achter Florie en Bkm- chefloeTf U. 154. — 881 Telen, mcki aenbrengen. — 887 Geêcedo, afscheid. EERSTE BOEK. 17 Ie waert blide ende omrertaert , 390 Ende ^c Ie mineii kindrai waert ; Ende was 90 wd al Miider hoede ^ Dat ie al met mmea broede Sonder sorge gine buten mure : Daer geviel mi qoade aronture; 395 Want Reiiiaert , die feUe sage , Was gecropen dor de hage , Ende hadde om die porte oAdergaen : Doe waert miere kindr^i saen Een g^ronden uten getale , 400 Dat leide Reinaert in sine male. Quade aTontnre mi óoe nakede : Want sint dat hise smakede In sinen gieregen mont , Ne conste ons wachtre , no onse bont 405 No bewaditen , no besoermen; Here, dat laet u ontfermen. Reinaert leide sine lage Beide bi nacfate ende bi dage , Ende roofide emmar mine kindre ; 410 So yele es tgetal nu mïndre , Dant gewone was te siae ^ Dat die XV kindre mine Sijn gedegen al tote vieren, So suver heeftse die ongiere 415 Reinaert in sinen mont verslonden : Noch gistren wart hem meiten henden 93 Wndcreo fhinck butea der miireii. 3 In tynen gierigeD Tuylen mont , 96 Want Reynaert had (^eit tgnlage. 4 Ende konde jager noch hont 98 So dat hi m^nre kynderen uen 5 Ons bewaren noch betcermen. 99 len heeft gqirynt uuten getale. 6 Heer coninc laet u dit ontfermen. 1 Dier ona groot myigeral doe naecte. 14 So na heeft die yaltche gier. Y' S91 Sofê, koorts^ ab of men leggen zonde: die booxe pest! — 899 Gefronden, g/erood '^yeokfrinden, ZieVAii Hbblü, op V' 5988. — 414 On^ gè/^fj vreealjke, wreede; yerkort van angehire^ hoogd. ungekeueff en anglosaxisch unhyre^ Zie Wachtia, Gloeear. germ, p. 1743. 18 REINAERT Ontjaget Coppe die mare , Die hier leget op dese bare. Dit clagic u met groten sere : 420 Ontfaremt u mijns, nvel soete here! » Die conine sprac : «Grimbertdiedas, S^^^] U oom , die clusenare was , Hi hevet gedaen so goede carine ! Leyic een jaer, het aai hem seinen. 425 Nu hoort , heer Cantecleer, Wat sal der talen meer? ü dochter leget al hier versl^en : ( God moet haér re sielen plegen ! ) Wine mogense niet langer houden , 430 (God moeter al gewonden I) Ënde sullen onse vigilien singen ; Daerna sullen wise bringen , Den lichame ter eerden met eeren. Dan sullen wi met desen heren 435 Ons beraden ende bespreken , Hoe wi ons best gewreken An Reinaerde Tan dese moort. » Doe hi gesprac dese woort , Beval hi jongen ende ouden , 440 Dat si yigilien singen souden. Dat hi geboot was sciere gedaen. Doe mochtemen horen ane slaen Ende beginnen , harde ho , Dat placebo Domino , 17 lijn docbter ontjaget Coppen, die mare. 30 Want wi wiUent gode laten gewonwcn , 21 Die conine tprac : hoordi hier, her das. 31 Ende doen Tigüien Toor haer liel singen. 23 Heeft gerast sulke karynen. 38 Doe hi geseit had dese woort. 28 Daer willen wy eens doden recht me 42 Doe ginck men dan aenslaen (plegen. V' 417 Mare, vermaerde. — 424 Seinen , blyken. — 426 Der talen y dier, dezer tale. — 480 Geiroucfen, willen. — 441 Sciere y spoedig. — 44S Hoy hoog. — 444 Placebo. By lyk-of-zieldiensten zingt men na het vers Requiem cstemam, enz. Placebo Domino in regione vivorum. EERSTE BOEK. 19 445 Ende die yerse, die daer toe hoorden. Ie seide ooc , in waren woorden ., (Ne mare het ware ons te lanc), Wie daer der sielen yers sanc , Ende wie die sielenlesse las. 450 Doe die yigilie gehent was , Doe leidemen Coppe in dat graf, Dat bi engiene gemaect was Onder die linde in een gras , Van marberstene , die slecht was : 455 Die letteren , die men daer sach An den sarc , die daer op lach , Dede an tgraf beldnnen , Wie daer lach begrayen binnen. Dus spraken die boecstaye 460 An den sarc op den graye : cc Hier leget Coppe begrayen , Die so wale conste scrayen , Die Reinaert die yos yerbeet , Ende haren geslachte was te wreet. » 465 Nu l^et Coppe onder mouden. Die ooninc sprac te sinen ouden , 4S>72 Die retponiai die daer toe boorden ; Die ye eyer leido op neste , Daerom cort ie deten woorden ! Off die myt Toeten cons getcraTen , 1 5 Doe die letten ten eynden ttreoten , Die leit onder deten terck begraven. Ende die ptabnen mitten collecten , Reynaert die fel, diete Terbeet Wat die conmienda geleten myt be- Sonder betcbeit myt Taltcben lagen. tceit , 5 Sy willen dat alle die werelt weet lode ty wat in dat graff geleit , Op datmente te meer macb beclagen. » 20 Daerop een menner tteen , die wat Aldut nam dit getcrifl een eynde. G^>olytt alt een gelatt, Die coninck ontboot alle die bi kende Met letteren groot daer in gebouwen , Wijt van rade , om hem te betpreken Dat men daerlio mocbt aentcouwen 10 Op Reynaert, Tan deter ondaet. Wie daer onder lacb begraTen. Doe andwoorde alto die roet 25 Dot ipraken die boecttaTen : Dat ty den coninc Toor tbette rieden , . « Coppe, Cantedaert wijf, die bette Dat bi Reynaert toud ontbieden. y 482 Bi engiene, iogeniosè, kunstelyk. — 454 Skchi, effen, ge- pdjil. — 462 Scraven, schrabben, krabben. — 465 Onder monden ,, onder het xand, onder de aerde. 20 REINAERT. Dat si hem alle bespraken , Hoe 81 alrebest gewraken Dese grote oyerdade. 470 Doe waren si alle te rade Dat si daer den eoninc rieden , Dat hine dan soude ombieden , Dat hi te boTe soude comen , No dor seade, no dor Tromen 475 Ne liete , hine quame int gedinge , Ende men Brune van dien dinge Die bodscap soude lad^i. Dies was die eoninc sciere beraden , Dat hi dus sprac te Bruun den bere: 480 c(Here Bruun, dit seggic Toor dit bere, Dat gi dese bodscap doet : Ooc biddic n^ dat gi sijt Troet , Dat gi u wacht van baraet ; Reinaert es fd ende quaet : 485 Hi sal u smeken ende liegen , Mach hi , hi sal u bedriegen Met yalschen woorden ende met sconen ; Mach hi , 1h Gode , hi sal u honen, n c( Here , seit hi , laet u castien ! 490 So moete mi God yermalendien , Of mi Reinaert so sal honen , Ine salt hem weder lonen , 78 Det wat die conino al fan ttaden, Ende mitten ynmn. wel beraden. 80 Her Bruno, io xegge a, alt een heer. 82 Her ummer tiet dat gi u hoet. 84 Want Reynaert it fel ende quaet, Ende weet nieni(j;en loten raet. 87-96 Ende bonen ofte tchem driTen. • « Ay lioTe Heer, laet dat bÜTeo. So gee£P my God onge^ Off my Reynaert yet bonen mJ, Ie en tel bem weder dat in wiifeo. Dat hi aen tkorttte eynd tel bUTen. • Dot tcbiet hi blide ende yto tan daeo; Her eer by keert telt andert gaan. Y' 480 Here, heir, yerzameling. — 48K Smeken, Tleien. -- 489 Loei u kostten, laet uw kastfen', aw terecht wyzen, daer: ik heb hel niet noodig. — 492 Zoo ik het hem niet wedervergelde ! titf hrvm te yegg«v nf* emlje \-,»S<ü \ytnttn <>pte (Wj«iti ïtciw^i EERSTE BOEK 21 Dat hijs an den dulslen si ; Nu ne sorget niet om mi ! » 495 Nu neemt hi orlof^ ende hi sal naken , Daer hi sere sal misraken. Nu es Bnme op die Taert, Ende heyet in siere herten onwaert ; Ende het dochle hem orerdaet , 500 Dat iemen soude sijn so quaet , Ende dat hem Reinaert honen soude. Dor den keer Tan eenen woude Quam hi gelopen dor ene woestine , Daer Reinaert hadde de pade sine 505 Gestegen erom ende menichfoude ^ Also als hi uten woude Hadde gelopen om sijn bejach. Beneden der woestinen lach Een berch^ hooch ende lanc , 510 Daer moeste Bruun sinen ganc Te middewaerde oyek* maken , Sal hi te Manpertuus geraken. Reinaert hadde so menich huus ; Maer die casteel Maupertuus 515 Was die beste van sinen borgen : Daer trac hi in , als hi in sorgen Ende in node was bevaen. Nu es Brune die bere gegaen Dat hi te Maupertuus is comen. 520 Doe hi de poorte hevet yernomen , 9B-fiOO Stoot Ttn moede ende onTerraert. Een wech , hooch ende lanck. 2 Door dat doncker Ttn den wonde. 1 1 Te mydde dner recht maken. (1-8 Diok had gehondeo om sgnbejadi. 16 Daer lach hi in abhi waa in torgeo. Bfliiden der woettynen lach 18 Ho ia Broon ao lang gegaan. T' 49S Zoo dat hy er het meest mI sen getroffen xyn. Duhi is Tan het oude iulhnf JMIen, treflEsn. Zie BiumiTK's FêrkandeUng itver ée g^tladUenf bl. 8S8. — 408 Onwaert, Terachting ^ yeronti hier versmading van al wat Trees baren kon. 22 REINAERT Daer Reinaert ute plach te gane , Doe gine hl Toor die barbecane Sitten oTer sinen staert, Ende sprac: « Sidi in huus, Reinaert? 625 Ie bem Bniun , des coninx bode , Die heyet gesworen , bi sinen gode , Ne comdi niet ten gedinge , Ende ie u niet TOor mi bringe , Redit te nemen ende te geyene , 630 Ende in yreden yoort te levene , Hi doet u breken ende raden. Reinaert , doet dat ie u rade , Ende gaet met mi te hoTe waert. » Dit Terhoorde al nu Reinaert , 635 Die Toor sine poorte lach , Daer hi yele te liggene plach , Dor warmhede yan der sonnen. Bi der tale , die Bruun heeft bronnen , ^^^^ll^\ Bekenden altehant Reinaert , 640 Ende tart bet te dale waert , In sine donkerste hagedochte : Menichfout was sijn gedochte, Hoe hi yonde sulken raet , Daer hi Bruun , den feUen yraet, 23 Neder titten op tinen tteert. Hoordse ten eersten wel Reynaert, 28 End ie u niet myt my en bi^nge. Inde hi trat bet in tijn hol waert; 30 Dattet u cotten sel u leren ; Want Hapertons dat wat al toI : 31 Ende men tel u hangen ende tetten op Hier een gat, ginder een hol , 6 32 Reynaert , ie rade u dat , ( een rat. Nan , erom ende lanck : 33 Trect myt my te hoTewaert. Ende had menigen uotganck 35 Die bynnen TOor die poorte lach. Die hi ondede , tloot ende ontaloot , 38-49 Als Brunn die tael had begonnen, Als hi remam dats hem was noot; y* 522 Barbecane f Toormuer van een slot, Aniemurale. — 5S1 Hf doet u radbraken.v — 5S0 Bekenden aliehanif kende hem aenstonds. — 540 En trad lagerwaerts, dieper in syn hol. — 541 Hagedochte, krocht, hol, spelonk; doch eigenlyk het selfde als oquaeductMtf yan awe, water, en togen , trekken (AAocht). Zie Bildiidtk^s VerUarende ge- elachtlyêtf hl. 264. Groih houdt het voor « der innerste, heimUchste sits im hag; n welke verklaring ook xeer aennemelyk is. EERSTE BOEK. 23 545 Te schéerae mede mochie driven ^ Ende selye bi siere eren bliyen. Doe sprac Reinaert oyer lanc : « Uwes goets raets hebbet danc , Here Bniun , wel soete yrient , 550 Hi heyet u qualie gedient , Die u beriet desen gane , Ende u desen berch lanc Orer te lopene dede bestaen ; Ie soude te hoye sijn gegaen , 555 Al haddet gi mi niet geraden ; Maer mi es den buue so geladen Ende in so utermaten wise , Met eere Tremder niewer spise, Ie yruehte , in sal niet mogen gaen : 560 Ine mach sitten no gestaen , Ie bem so utermaten sat. » €< Reinaert, wat aetstu? wat? » Wanneer hi enige proy brochte ; 10 Off ab hi witte dat men hem tochte Om ondaet , die hi had mytdaen, 8o ontliep hi sijn vianden saen, In aijn heymelike hagedochte ; Dat hem niement Tijnden enmochte: 15 Inde dier had hi gemaect to Teel, Dattet mennigen dieren ginck anten (•peel, Deer in verdwaelden dair hite beliep. Xeonich pensen , hooch ende diep , Docht nn Reynert, hoe hi den beer, 20 Dien myt woorden overliep ao teer, AlrdMat tot «potte drere, Inde aelve in die eere blere. Ra dete gedochten hi nut trao Tot Bmnen den Beer, ende tprac : 25 Bninn oom, weüecoom mot ghi weten. Ie heb ter ttont Tetper geleten : Dat dede dat ie Tlncht niet en qnam. Boe ie a tale eertt Temam. Syt wellecoom oom, liere grient. 30 52-62 Dede OTercomen, dats mi leet. Want gi sijt to moede , dat u tweet ünt uwen Ig ff loopt, ie tiet. Enèe al en waerdi hier comen niet Ie wair te hoTe comen morgen ; 5 Her nu ben ie myn in torgen, Dat ie n weet hier to byi Want uwen treeden raet die tal my Te hoTe, hoop ie , helpen teer. En Tant die coninc onte Heer 10 Ghenenimynderen bode dan n? Want naett den coninck tldi nu Die edeltte, ende- die meette Tan loTe, Yan al den lande. lo wilde wi te hote Rn waren ; want my ducht mijn waen,! 5 Dat ie niet en tel mogen ontgaan; Want ie heb gegeten to teel. Dat mijn buuck ende mijn keel Hy duncken tpliten. Ie bin to tat ! Het wat nywe tpite die ie at ; 20 Y* 5B8 Eere f eenre. — 889 lo vruchie^ ik Yreeze, hoogd. furchte. 24 REINAERT « Here Bnme, ie at eranke have, Arem man dan nes geen graye : 565 Dat iiKK>gdi bi mi wel weten. Wi arme liede , wie moeten eten , Hadden wijs raet, dat wi node aten: Goeder yersscfaer bonichraten Hebbic commer harde groot : 570 Die moetic eten , dor den noot , Als ie el niet macb gewinnen. Nochtan als icse bebbe binnen, Hebbidcer af ptne ende ongemac. » Dit hoorde Brune , ende sprac: 575 c( Helpe , Keye tos Reinaert , Hebdi homcfa dus onwaert ? HonJch es een soete spise Die ie voor alle gerediten prise , Ende icse yoor aHe gerediten minne. 580 Reinaert , helpt mi , dat ics gewkine ! Edele Reinaert , soete neye, Also lange als ie sal leyen Willic u daer omme minnen : Reinaert , helpft mi , dat ics ghewinne ! 566 ese , 796 Ende gine mét al ommè dingen. Ludolf mettett crdjumén vingeren Dede hein atlés te töt*eii ; Want hi was be«€ geboren , Sonder Lamfiroit alleene ; 800 Hugelin , meiten cronmien beene , Was sijn yader, dat weet men wale , Ende was geboren yan Absdéle ^ Ende was sone Trouwen Ogernen Eens houtmaldgge tan lanternen. 806 Ander wijf ende ander man , Meer dan ie genoemeu can , Daden Brunei! groot ongetnac , So dat heiti «ijü bloét üüt lac. Inde meer pijo dan dander deden ; Deie atonden al na Bmnen l^fL Deen had een haec Tan scerpen mede , Ellic itac ende sloech , al dat hi conde. 20 lode dander had een lange loeie. Üraun anchie ende stan myt gronde, Baerdeloge, ende ATeaoete , ' IS Ende noni dat men hem gaff. Abdqnack, ende Tron Bare, Die paep liet den cruns ataff JSadediepaepmytaynencnmaaiaitO, Dicke gaen omtrent iijn hria. IodeTroiiJnloGke,ayriw$ff; BiecoêternmeotebemöecBeermak 25 y* 789 Kükèn, "vrdlicfat te leien koten; tOör hóièrèH; dbeh Scfttezius- Obbuh heeft in zyn Ghssariüm germanicüm, bl. 840^ ceii ^èrbom kui- ken, excitare. — 796 Loodwapper, in de prosa : eenen groeten loden wap- pert, sÜDgertuig^ waer over zie Kiliaeh, of Vaw Heblü , V* 5462. — 795 Swingen, zwingelen, slagen. — 802 Absdah, Abbatis-vallis , by Hukt (SiirBBftiJs, Fkmdr. !II, p. 258). — 804 Hettimukiggé: In Ylaenderen •egt men iggè tour liel Drabatid^Iie esse, en dils tHêkHrigge toot nUiek- teer bfinakêrèH. — 808 Uut lac, nklektè. ?Ai. 774 Y' 21 Stan, steende , kreunde , kermde. 5 34 REINAERT Brune ontfinc al sulc paiment 810 Als hem elc gaf daer omtrent. Die pape liet den cruusstaf ' Gedichte slaen , slach in slach ; Ende die coster metter yane Ginc hem vastelike ane. 815 Lamfroit quam ter selver wilen Met eere scerper bilen , Ende sloechene tusschen hak ende hooft , Dat Brune wart sere yerdooft , Dat hi verspranc van den slage 820 Tusschen der riyiere enter hage ^ In enen trop yan ouden wiyen , Ende warper een getal yan yiyen In die riyier^ die daer liep , Die yirel wijt was ende diep. 825 Des papen wijf wasser ene , Des was spapen bliscap clene. Doe hi sijn wijf sach in die yliet ^ Doene luste hem langer niet Bruun te stekene no te slane. 830 Hi riep : <( Siet , edele prochiane , Ginder ylot yrouwe Julocke , Beide met spillen ende met rocke. Nu toe , die haer helpen mach ! Ie geye hem jaer ende dach Bitter Tanen , die hi rayt hem brachte. Her Ltntfireit maecte tmeette crachte; Want hi wat die edelite Tan geboorten : yrou Julocke Tander aller poorten Waa sijn moeder , eode tijn Tader 30 Waa Haoop die itoppel maker; (Een stout man daer hi wat aHeen ! ) Bruun mott fan mennigen tteen Een worp gemuetm, ende ontttaen. yoor hem allen tpranc due aaen 35 Lanfreitt brueder, myt eenre ameyde, Dien hi Brunen opt hooft leyde, Ende gaff hem enen groten tlach. Dat hi en hoorde noch en tach. 31 Ghinder drijfft Trou Julocke, 32 Beide myt pelte ende myt rocke. V* 810 Gedichte f met dicht op elkander Tolgende slagen. — 835 fFoêserenej was er een van. — 884-886 In Reineke roept hy: « Twee tonnen bier geef ik u ten besten, en daer nog een deel aflaten by ! » Tab. 774 V'S4 Gemneten, ontmoeten. — S6 Ameyde, hammeiboom. EERSTE BOEK. 35 835 Vol pardon ende aflaet Van alre sondeliker daet. )> Beide man ende wijf Lieten den armen keitijf Brune liggen orer doot , 840 Ende gingen ^ daer die pape geboot , Beide met stringen ende met haken. Die wile dat si die vrouwe uut traken , So quam Brune in die riyiere Ende ontirwam hem allen seiere. 845 Die dorperen waren alle gram : Si sagen , dat hem Brune ontswam , Dat si hem niet mochten Tolgen ; Opt oeyer stonden si yerbolgen , Ende gingen na hem rampineren. 850 Bruun die lach in die riyiere , Daer hi yant den meesten stroom : Al driyende bat hi , dat God den boom Moeste yerdoemen ende yerwaten , » Daer hi sijn ore in hadde gelaten , 855 Ende beide sine lier. Voort yloecte hi dat felle dier, Den bosen yos Reinaerde , Diene met sinen brunen baerde So diepe in die eeke dede crupen ; 35 yol pardoen ende recht oflaet. 41-60 AltBmunsach dat die lieden Altemael van hem tcieden , Ende trecken gingen OTer dat oude wij^f^ Spnoic hi int water, heen ginc hi driyen Ende fwimmen metten live. 5 Doemaecten die dorpers groot geruchte. Hi dreef heen myt crancker lutte, Inde ai liepen hem na aeer gram : Dal wat om niet ^ want hi ontquam. Dea waren die dorpers tongemake: 10 Sy riepen hem na myt leuker sprake : c Coomt hier, keer weder, oorloos dieff!» Dan Bruen swam, dair hi besief Den meesten stroom, ende lietse kallen, Tot dien dat hem was gevallen. 16 Hi was blide dat hi ontginck. Hi Tlocte den boom die hem so ^ck, Dat hi dair beide sgn oren liet; Ende Reynaert mede, dien verriet^ Vak. 841 Y' IS Bwiefj bezéfle, ontwaerde. — 18 Wegens het voorgeyaUene» het aen hem gebeurde* 36 REINAERT 860 Daer na Lamfrqit^ yfW d^^ 9tupeq Dar hi hem so leede d^d^. In aldustanen g^b^de Lach Brune alêo lange wUe , Dat hi wel eea halye mjle 865 Van der 8ted^ wa3 g^dreyefi , Daer die dqr(>er9eheidenheden I , bl. Ii9) ; doch ik denk dat het hier en by hem moet genomen worden Toor bewend, gekeerd. Zie hier achter Y' 16i0. EERSTE BOEK 41 Die Brune bekende Ie bant, Ende seide : cc dit es mijn sertaBt 985 Brune ^ hem ts» dat hooft so root, Hi es gewoirt toter doot ; Ai God, wie heeftene ao mismaeet? » Binnen desen so vras Brune genaeel, Dat bi den coninc dagen nochle. 990 Hi stan, ende irersuobte onsochte, Ende sprao : Tybert maecte hem wech myt spoede , Ende tooch te Mapertuus waert , Dair hi sel vijnden Reynaert. 10 01-54 Ende rlicht tot mijnre rechter side. ¥• 1041 Doet 9waer, zwaer (-moedig) maekt. — 1047 Sente Martins vogel, de kraei, en volgens sommigen de gans. — 1048 Toen werd Ti- bert vrolyk en yerheugd (in hogen). — 1054 Luchter, linker. — 105K Gemoet, ontmoeting. Yai. 1061 y* 2 Lyde, liden, trek, toeht. 44 REINAERT So waendi hebben goet^gerai ; 1060 Nu was hi dies onthopet al. Nochtan maecte hi hem selTen nfoel , Ende geliet hem , als menich doet ^ Bet dan hem te moede was* Dus liep hi hema sinen pas ^ 1065 Tes fai qnaoi te Afaapertuus , Ende Tast Reinaerde m si}n huus Allene stacna , yerwenddike. Tibert sprac : « Ood , die rike , Moet u i^^den awmt geren I 1070 Die conisc dreicht u an u leTen , Ife comdi niet te hove met mi ! n Retnaert sprac : Ja ie , Reinaert , op die geleide Ginge ie met u te Mompelier. » 1160 » So gaen wi dan; wi sijn hier 35 Wüdy nniMn myi goeden wflle? 41 So leid my dair die maten tijn. 47 Seker, Tyberi, wiii ie dat, 48 Ie meecie o mosen Uront sat. 60 Tybert, ie wMn gi tegt in tpeel? 64 So ga wy, Tybert, al te hant* 67 Eer ie taTont Tan u tceide. 69 Gaio myt n , al waert te Monpelier. y* 11S6 ReinaeH, cwyg toch stil daenran! — 1U7 W&a God, God weet het. — 1 150 Tibert, dat zegt gy tot spel? — 1 151 Ik en doe , Rei- naert : ik zweer het by al wat my heilig zyn moet. Andere Toorbeelden Tan dit hy myne weil yindt men in Huraicona op Mius-Stoki, III , hl. 401, en in Floris en BI. Y* S7S9. — 1153 Soe, zy. — 115» Bisani, Byzantisch goudstuk. 4S REINAERT Al te lange » sprac Retnaert. Doe 80 namen si op die TaerI Tibert ende sijn oom ReinaerI, 1165 Ende liepen daer m lopen wilden; Dat si nie togel op hilden , Eer si quamen les papen scure , Die met enen eerdinen mure Al omme ende omme was beloken y 1170 Daer Reinaert in waa gdaroken Des ander dages daer te voron, Doe die pape hadde yerloren Enen hane, die hi hem nam. Hier omme was toornioh ende gram 1175 Des papen sone Martinet , Ende hadde toot dat gat geset Een stric , den tos mede te Tane : Das geme wrake hi den hane* Dit wiste Reinaert , dat felle dier, 1180 Ende sprac : « Nere Tibert, hier Crupet in dit sehre gat : Ne weset trage , no lat ; Gaet al omme ende omoM gripen. Hoort , hoe die muse pipen. 1185 Keert weder uut, als gi sqt aat : Ie sal hier bliyen toot dit gat, Ende sal u hier buten leiden ; Wine mogen niet tavont seeiden : Morgin gaen wi te hoye waert. 1190 Tibert , siet , dat gi niet en spaert , 65 Eode gingoi, eer ti ophilden, 66 Ter tUt,dair 91 weten ifUden: 67 Dat wat tot dee papen acuyer. 71 Opten anderen nacht te Toren. 82 Ende en weett traech no mat : 83 Ghi «eU dair maaen bi hepen snpea. 84 Heortt ^^<>® ^ ^<^ welicheit p^ea! 90 Tybert , hoe coomt dat j^ apaert ? Y* 1166 Zoo dat cy den teugel nooit ophielden. — 1175 Martinêi, zoo Teel als kleine Martyn. — 1182 1^^ let. Wees niet traeg, noch en yrerlei niet! — 1190 Spaeri, draelt. Dl&Mne\>e»tt i»« (lnca;lftnc om 1)1» iitande WTmnMte^fatT^niMr EERSTE BOEK. 49 Gaet eten ^ ende laet ons keren Te miere herbergen met eren : Mijn wijf sal ons wel ontfeen. » cc Willic te desen gate in gaen ? 1 195 Wat sechdi , Reinaert , eist u raet ? Die papen connen vele baraet : Ie besteeese harde node. » » O wi, Tibert, twi sidi blode? Wanen quam uwer herten desen wanc? » 1200 Tibert scaemde heip ^ ende spranc Daer hi vant groot ongeree ; ^"^ Want eer hijt wiste was hem een stree Omme sinen hals^ harde yast. Dus hoonde Reinaert sinen gast. 1205 Alse Tibert geware waert ^t^'^] Des strecs , isart hi yervaert , Ende spranc voort; dat strec liep toe. Tibert moeste roepen doe , Ende wrongede hem selyen , dor den noot : 1210 Hi makede een geroep so groot Met enen jamerliken gelate , Dat Reinaert hoorde op der strate , Buten ^ daer hi allene stoet ^ Ende riep : cc Vindise goet , 1215 Die muse, Tibert, ende vet? Wiste nu dat Martinét Dat gi ter taeflen satet, Ende dit wiltbraet dus atet , 96 Deet p*p«n koonen mennigen quaet: 01 Dair hi in TOnt Mer groot Tttdriet. 97 Ie betUett na b«rde node. » 04 Dut htinade Reynaert synen gast. 98 • WaoiyTjbert, gienwMrtnyeUode^ li Kt enen herden dfoeiFen gelaét. y* 1197 Ik Tal se noode aen , ik beproef ze ongaeme. — 1198 Twi, waarom. — 1202 Ongeree, ongemak, mishagen. Zie Hüffhann's Gloss, op Fhriê en Blanckefloer, bl. 148 , en Koiabii op Ghereke, — 1209 Ff^ron- ftde^ rerwrong. — 1212 Da^, dat, 't. 7 50 REINAERT Dat gi verteert , in weet hoe , 1220 Hi souder u saeuse maken toe : So hoyesch een cnape es Martinet. Tibert ^ gi singet je lanc so bet : Pleecht men tes coninx hove des ? Vergave God , die geweldich es , 1225 Dat Isegrim daer met u ware Die felle dief , die moordenare , In suiker bliscap als gi sijt ! » Dus heeft Reinaert groot delijt Dor Tiberts ongeval ; 1230 Ende Tibert slont ende gal So lude , dat Martinet ontspranc. Martinet riep : « Ha ha , God danc ! Ter goeder tijt heeft nu gestaen Mijn strec: ie hebber met gevaen 1235 Den hoenre dief, na minen wane. Nu toe ! gelden wi hem den hane ! Met desen wart* hi toten viere , Ende ontstac enen stroewisch sciere , Ende wecte moeder ende vader, 1240 Ende die kindre alle gader, Ende riep : c< Nu toe ! hi es gevaen ! » Doe mochte men sien porren saen Alle die in huus waren ; Selve die pape ne wilde niet sparen, [BeiBflke, I, 4, Vi 116?.^ 21-24 So haetêchen man is Hertynet. Tybert, my dunot gi tlngt alt gi et? Doet mens tes heren hooff des? Vergare God, die aelmechtioh es. 28-30 So wair mijn hert zeer Terblijt: Sodic heft hi my lede f^edaenl • Tybart die niet en kan ontgaen, Lach so lude ende hal (sic) Dat hi thuds yerstoorde al. 5 37 Hit dien woorden scoot hi ten fiere. 42 Doe liepen sy derwaert wel saen. 44 SeWe die paep is opgetareo. V* 1222 Gy zingt al langg zoo beter! In de prosa staet: Ghi ende ghi ety Tolgens het andere handsclirift. ' 1224 GewekUckf machtig. — 1228 Deiytj Termaek, fr. déUce. — 12S0 Gal, gilde. — 1242 Porren y Toortsnellen. — 1244 t^aaren, achter blyyen. EERSTE BOEK. 51 1245 Quam ute sinen bedde , moedernaect. Mariinet , hi was geraect Tote Tibert , ende riep : cc Hijs hier ! » Die pape spranc an dat vier Ende gegreep sijns wijfe rocke; 1250 Een offierkeersse nam vrouwe Julocke Ende ontstaese metter haest. Die pape liep Tibert naest , • Ende ginken metten rocken slaen. Doe moeste Tibert daer ontfaen 1255 Wel menegen slach ^ al in een. Die pape stont , als hem wel sceen , Al naect , ende sloech , slach in slach , Op Tibert, die voor hem lach. Daer ne spaerdene haer negeen. 1260 Martinet gegreep enen steen , Ende warp Tibert een ooge uut ; Die pape stont al bloter huut , Ende hief op enen groten slach. Alse Tibert dat gesach , 1265 Dat hi emmer steryen soude , Doe dedi een deel als die boude , Dat dien pape verginc te scanden : Beide met claeuwen ende met tanden Dedi hem pant , alsoet wel sceen , 1270 Ende spranc dien pape tusschen die been , In die burse al sonder naet , Daer men dien beiaert mede slaet. Dat dinc viel neder op den vloer. Die vrouwe was serich ende swoer 51 Ende daedte bvnen mitter haeti. 85-60 Grote aUf e op eiker tyden. Mertinet fpranc toe myt nyden. 69-72 Scoot hi den peep tuMohen die beeo Eode haelde liem dat een Van den tween, ens. y* lS5tt jiiim een, al op eens. — 1256 AU hem wei êoeen, ab het wel deed blyken. — 1250 Haernegeen, geen van hen. — 1266 Toen deed hy iets dat stont was. Die boude, de stonte. — 1274 Serich, bedroefd; gelyk Meer nn nog emari is. 62 REINAERT 1275 Bi der sielen van haren vader, Sine wilde wel , om al gader Die offerande yan enen jare , Dat niet den pape gevallen ware Dit yemoi ende dese scame. 1280 Soe sprac : cc Int sleets duyeU name Moeste dit strec sijn geset ! Siet, lieye [sone] Martinet, Dit was yan uwes yader gewande ; Siet hier mijn scade ende mijn scande 1285 Emmermeer yoort, in allen stonden. Al genase hi yan der wonden , Hi bliyet ten soeten spele mat! » Reinaert stont noch doe yoor tgat. Doe hi dese tale hoorde , 1290 Hi loech , dat hem bachten scoorde Ende hem crakede die tayerne. Doe sprac hi te sinen scerne : Grimbert sprac: « Coninc here, ie sal. » Dus gaet Grimbert te Maupertuus. Als hire quam , vant hi in huus 1365 Sinen oom , ende yrouwe Ermelinen , Die bi haren welpekinen Lagen in die hagedochte ; Ende ten eersten dat Grimbert mochte Groete hi sinen oom, ende siere moien; 1370 Hi sprac: « En sal u niet vernoien Des onrechts , daer gi in sijt.^ Dinket u noch niet wesen tijt, Dat gi trect, oom Reinaert, Tote des coninx hoye waert, 1375 Daer gi wel sere sijt beclaget? Gi sijt drie werren gedaget. Yermerrendi morgin den dach, So sorgio, dat u ne mach Negeene genade mee gescien. 1380 Gi sult in den derden dage sien Uwen casteel bestormen, Maupertuus; Gi sult gerecht sien voor u huus Ene galge ofte een rat. Over waer seggic u dat, 1385 Beide u kindre ende u wijf 60-61 Ha gaet, Grymbert, ende tijt Wd verheet tec;en Tenaet. Reyoaeri b lees fel ende qnaets Gbi behoeft u te wachten wd. 64 Eode fant Reynaert m tijn ham. 66 Die tat al bi hair wiec;elyn. 70-75 Laet u niet Ternoyen , Sprac hi, Tan den gemft daer gt in tijt; Her docht u goet to waert wel tijt , Dat te hoTC myt my wond comen. Te Tertreoken en mach u niet Tromen. 6 Dair » to Teel orer u geclaeoht. 81 Al om ende om beleit n hans , 82 Ende Toor tcatteel Tan Hapertuot. V« 1377 p^ermerrendi , blyft gy nog marren, talmen. — 1S78 So •orgie, xoo Treeze ik. T4m. 1S70 y* 2 Geruft 9 gerucht, naem. — S Uitstellen zal u niet baten. 56 REINAERT Sullen yerliesen haren lijf, Lachterlike, al «onder waen, Gine moget selve niet ontgaen. Daer omme es u de beste raet, 1390 Dat gi met mi ten hoTe gaet. Hets misselic , hoet gevallen mach : U es dicken op enen dach Yremder avonturen geyallen, Dat gi noch quite yan hem allen 1395 Met des coninx orlore Morgen sciet uten hove. » Reinaert seide : c< Gi secht waer. Nochtan , Grimbert , come ie daer Onder des coninx gesinde , 1400 Dat ie binnen den hove vinde £s op mi verbolgen al; Quame ie danen , het ware geval. Nochtan dinct mi beter viresen (Genese of ie mach genesen,) 1405 Dat IC met u te hove vare , Dan het al verloren vyare , IS, Vt 1311] 86 Sel die conino doen nemen Ügff. 89-91 Dair om Ut nu be«i gedaen Dat gi ten hove myt my gaet. Ghi cond doch «o menich quaet Dat u licht wel baten mach. 95 Ende ai alleen in die scande bieren. 96 Ghi hebt doch dit meer bedreren. 98-10 Tb best dat ie myt u ga daer; Want dair b gdirec ymn mynen rade. Die conino sel my doch doen genade^ Can io hem onder die ogen tien, ' Ende io m^nre talen mach plien , 5 Al had ie noch meer myadaen; Want thoff en maoh buten my niet staen : Dai bedenct die coninc wel. Al sijn my nu die lommich fel, Dat en gaet hem niet ter herten in ; 10 Want sy en weten net noch syn. Al die net sluut meest in my. In wat hoTO oec dattet sy, Dair coningen ofte heren ynraamen , Dair men subtyl net sel ramen, IS Daer moet Reynaert die Tonden vanden, Al sijn dair ander, dies hem bewynden, Dats n^jn best ende tgaet Toren. Nochtan heefter Teel gesworen Mijn quaetste te doen^ die nu daer syn: Dit maect bedmd dat herte miya| y 1386 Lijf, leven. — 1391 Müaelijk, twyfclachtig , misvallig. — 1399 Gesinde, gexin, Lofrtoet. — 1404 Of ik miMchien losgeraekte. Geneêen ïb ontslagen, Tcrlost zyn. Zie boven Y' 245. Vam. 1398 y* 5 PUen, plegen, beugen. EERSTE BOEK. 67 Gasteel , kindre ende wijf Ende daer toe mijns selves tijf • In mach den conine niet ontgaen ; 1410 Alse gi wilt ^ so willic gaen. (c Hoort (seit hi ) yrouwe Hermeline , Ie bevele u die kindre mine, Dat gire wale pleget nu : Voor alle dandre bevelic u 1415 Minen sone Reinaerdine: Hem staen wel die gaerdeline An sine muulkine oyer al : Ie hope, dat hi mi slachten sal. Hier es Rosseel, een scone dief, 1420 Die hebbic nochtan harde lief, Ja , al» iemen sine kindre doet ; Al eist, dat ie nu van hier moet, Ie salt mi nemen harde na. Op dat ie mach, dat ie ontga. 1425 Grimbert, neye. God moet u lonen. » Met hoofschen woorden ende met sconen n,Vt«79.] Woii daer Teel tgn gemeen Die mogen meer dan io alleen. DU heb ie anxt, ad my daer deren. Hochtan it beter dat ie dair mitter eren Te hore myt u trecke, neTe, Inde reden Toor my teWen geve, Den dat ie wijff ende kijoder liet In anxt, in aorgen, ende in Terdriety Dat alTerloren tonde weten. 30 Ie geneae to ica mach genoten ! Wanneer ghi wilt to porren wi. Die conine it te maehtich mi: Wanneert weten toude So mott ie doen al dat hi wonde; Ende want ie dan niet bet en mach , So en b niet beter dan Terdrach. 16 Hem ttaen to wel tijn granekijn. 22-26 Doedymynenkynderengoet, Ende gant my God dat ie ontga, So telt my gangen alto na Dat iet u weder tel lonen. Mit tueten woorden ende tconen. 35 Y' 1416 Gaerdeline, in Rbhiiki grdnken, (en zoo ook hier achter Y* S9M) ttekelbaerd, by TerUemiDg yan gaerde, anders koerde, prikkel. — 1417 Muulkine, muilken. — 1419 Dief, in de oude beteekenis Tan tyro, jayenis^ zegt Ganui. — 1424 Op dai ie mach, zoo ik mag. — 14S6 Hoofêchen, henssche. Yaa. lSfl8 Y' VX GtmêÊU,m 't gemeen. — 1421 Y' 2 G€m mi, gunde mj* — 2 Gomgm^, gaen. 8 58 REINiERT Nam Reinaert an de sine oriof , Ende niumde sijos selyes hof. Ai , hoe droeve bleef vrouwe Hermeline , 1430 Ende hare clene welpekine I Doe Reioaert sciet uut Maupertuus , Ende hi hof liet ende huus Al dus omberaden staen, Nu hoort, wat hi heeft gedaen. 1435 Teerst dathi quam an der heiden, Hi sprac met Grimberte , ende seiden : c( Grimbert , scone wel toele neve , Van sorgen suchtie ende beve. Lieve neve , io wiiie gaen 1440 (Nu hoort mine redene saen,) Te biechten hier te di : Hier nes ander pape bi. Hebbic mine biechte gedaea , Hoe so die saken sijn vergaen, 1445 Mine siele sal te daerre wesen. » Grimbert andwoorde na desen: trpn*pt»> V. \- a •« EERSTE BOEK. 69 1455 Van aHe gader miere misdaet : Nu hoort , Grimbert , 'ende verstaet : Confiteor [tibi] pater, mater, Dat ie den otter ende den cater Ende allen dieren hebbe misdaen ; 1460 Daer af willic mi in biechte dwaen. » Grimbert sprac : c< Oom, walschedi? Of ^ iet wilt , spreeot jegen mi In dietsche , dat iet mach verstaen. » Doe sprac Reinaert : cc Ie hebbe misdaen 1465 Jegen alle diere , die leven ; Bidt Gode , dat hijt mi moete yergeyen. Ie dede minen oom Brune Al bloedich maken $ine crune. Tibert dede ie muse vaén 1470 (Daer ickene 8ere dede slaen ^) Tes papen huua, daer hi spraüc int net. k hebbe gedaen groot ongeret Cantedeer, ende sine kindre : Waren si meerre ofte mindre , 1475 Dicken makedicae los: Dor redit beclaget hi den tos. Die coninc en es mi ooc niet ontgaen; Ie hebbe hem toren ooc gedaèn, Ende misprijs der coniüghinben , 1480 Dat si spade sullen Terwinndn Also vele eren van mi. Ooc helmie, dat seggie di, (Asiiiéke, I , n, V.. 141S.1 60 Pet wilio gern in boete gaen. 71 Want icken int ttriek lopen dede. 72 Deck beb io «eer mitdaen mede. 75 Vmmer uaecte ie te hem lota. 78 Ic heb hem dicke tcand gedaen, 79 Ende tynen wyve der coningynnen. 81 Sy tijn getcandanteert bi my. 82 Rochtaü hebbid, dat zeg ic dy. V' IMO Dwaen , tttwaiSÊchen y reinigdn. -^ 1461 JVaUehedi? wasHst gji spreekt gj waelich? — 1472 Ongered, *t zdfdo ab ^ngeree (zie hotren Y' ISOl ) : Gbdw leest het ketste. -^ 1 47S Ifttwerf deed ik ze ve r d w yu etti kirytrdien (engelsoh maie hoêe). De ouden schreren yeel- tyds maken Toor doen (boyen V* 1041). — 1479 Miapr^e, laekbaeriidid. 60 REINAERT Grimbeit, meer liede bedrogen, Dan ie di soude gfeseg^en mogen. 1485 Ende Isengrijn , dat verstaet, Hiet ie oom , dor baraet : Ie maeelene monc ter Elmaren, Daer wi beide begeven waren, Dat wart hem ai te «ere te pinen. 1490 Ie dede hem an die cloekelinen Binden beide sine Toete: Dat luden wart hem doe so soete Dat bijt emmer wilde leren: Dat verginc hem toneren : 1495 Want hi luudde so u termaten , Dat alle, die gingen bi der straten^ Ende waren binnen der Elmare , Waenden , dat die durel ware , Ende liepen daer si luden hoorden. 1500 Eer hi doe conste in corten woorden Gespreken : « Ie wille mi begeven , » Hadsi hem na genomen tleven. Sint dedic hem orune geven , Hem machs gedinken al sijn leven , 1505 Dat wetic wel over waer. Ie dede hem af bernen dat haer , So dat hem die swaerde cramp. Sint dedie hem meerren scamp Opt ijs, daer ieken leerde visschen, 1510 Daer hi niet conste ontwisschen : 89 Dat hem teer quam te pynen. 1007-8 So nau der Tel dattet wel naer 94 Her dat wat luttel ttynre eren. Die twaerde aen den lire cramp^ 97 Diet hoorden worden datr aff in Taer. Synt leyd ie hem dat wu tgn ramp. t Y' 1487 Monc^ monnik. — 1489 Dit leren werd hem al te lastig^. — 1494 Toneren j tot oneer. — 1501 Begeven y de wereld Terhten. Zie Y' S69. — 1507 Die swaerde oramp, de hooidhnld inkrimpte. De Brabanders noemen het de Mwoei. — 1510 Ontwiêêehenj oBtglippea,- in 't hoogd. eniwieohw. EERSTE BOEK. 61 Hi oiitBnker menegsen «lach.' Sint leiddUckene op enen ddch Tote des papen Tan [Yianois:] In al d^t lant yan Yermandois 1515 Son woonde geen pape riker. Die aeWe pape hadde enen ^fnkér, Daer méntch yet bake in lach ; Des haddic dicken goet gelach. Onder dien spiker haddic een gat 1520 Verholenlike gemaect in dat : Daer dedic Isengrijn in crupen ; Daer yant hi rentyleesch in cupen^ Ende baken hangende yele. Des yleesch dedi dor sine kele 1525 So yele geliden utermaten , Als hi weder uten gate Waende keren , uter noot , Hem was dien leeden buuc so groot, Dat hi beclagede sijn gewin. 1530 Daer hi was com^n hongerich in , Ne condi.[sat] niet comen uut. Ie liep, io maecte groot geluut Int dorp , en de maecte groot gerodite ; Nu hoort, wat ie daer toe brochte. 1535 Ie liep al daer die pape sat Te siere taeflen ende at. Die pape hadde enen cappoen: Dat was dat airebeste hoen 17 Bair menich goet bami in lach. Dat hi uutten teWen gate 18 Daer ie my dicke op te taden plach. Hiet uut en mocht, dair hi in qnam , 23 Inde Tettcr Tercken alto ▼ecl. Dat hem iijn groten buuck benam. 25-28 So grooten hoop , bóyen de mate 87 yoor hem ttont een tcoon cappoen. V' 151S FianoU, by Giin.... UoU; waeracbynlyk een nitgedackte naem, want men vindt de plaets niet in bet land van Vermandpi». — ' 1816 Sfiker, spyswaerde, bergplaets voor eetwaren; in de nieuwe pnMadrok $fmde. — 1624, 1885 Hy deed zoodanig veel vlecscb door %jn keelgat glyien {geUd^). — 1536 AU hi, versta: dat ah hy. 62 REINAERT Dat men in al dat lant Tant : 1540 Hi wast gewent al toter hant. Dien prandie in minea mout Voor die taefle, daer hi stoat, Al daert die pape toe sadti. Doe riep die pape: a Vaoc ende slach ! 1545 Heipe, wie sach dit wonder me? Die yo8 comt , daer ie toe 8ie ^ Ende rooft mi in mijns selres huus ; So heipe mi sancta spiritus Te wers hem , dat hire quam t » 1550 Dat tafelmes hi op nam ^ Ende stac de t&efle , dat soe vlooch Verre boTen mi harde hoodi, In midden waerde op den vloer. Hi yloecte sere ende swoer, 1555 Ende riep lude: a Slach ende ya! » Ende ie yoren, ende hi na. Sijn tafelmes haddi yerheyen, Ende brochte mi gedreyen Op Isengrijn ^ daer hi stont : 1560 Ie hadde dat hoen in minen mont, Dat harde groot was ende swaer; Dat so moestie laten daer., 89-43 Dat men witt in enloh lant. Dat hoen ie ter Taert prant, Inde liep heen al dat ie mochte. Doe maeote die paep groot gemchte. 46-55 Dat my een Toa rooft Tan mijn cappoen lu myn huns? wie lach ye man to koen Dief, ende ie lach seWe oec toe. » Sijn tafelmes greep hi doe Ende werp na my, mer ie ontToer. Dat mets bleef steken in die Tloer. Hi stiet df e tafel dat sy Tlooch , Ende Tolchde my myt stemmen hooch. 57-66 Ende myt hem luden een groot getal, Die mijd quaettte meenden al. So lange liep ie dat ie quam Dair Tsegrim Temam. Dat hoen liet ie Tallen dair , 5 Want het was my al te twair : Des most ics mijos ondanx laten. Ende ie liep henen , mijnre straten. T^ 1540 Hi wasy hj was des. — 1541 Prandie , roofde ik. Zie op y« M9. — 1444 Vangt en slaet! — 1545 Nie, ooit; doch eigenlyk noaii. — 1549 Te wen kern! Niet het engelsche towarde kim, als Gtnol meent; roaer hem te wart! hem ten kwade. — 155S Middenwaerts op den vloer. — 1555 Fa, vang. — 1556 Ie veren, ik (liep) Tooroit. EERSTE BOEK. £3 Wast mi leet ofte lief. Poe riep die pape: « Ai, here dief, 1565 Gi moet den roof hier laten ! » Hi riep , eode ie ginc miere straten Danen , daer ie wesen woude. Alse die pape op heflRen «oude Dat hoen , sach hi Iseogrine : 1570 Doe naecte hem ene grote pioe. Hi warpene int <^e metten messe. Den pape yoichden si sesse Die alle met groten staven quamen: Ende als si Isingrijn yernamen 1575 Doe maecten si een groot geluut, Ende die gebure quamen uut, Ende maeeten grote niemare Manlic andren, dat daer ware In spapen spiker een wulf geyaen , 1580 Die hem selyen hadde gedaen Bi den buke in dat gat* Als die gebure geyreischeden dat, Liepen si dat wonder bescouwen. Aldaer wart Iseogrijn te blouwen , 1585 So dat hem ginc al uten spele; Want hi onlïFinker harde yele Grote slage, ende grote worpe. Dus quamen die kindre yan den dorpe , 68-74 Inde doe hi tboeo opboren tonde, Mennigen tiach dat ty hein gaTen. Bit heeft die paep gerynek TeroomeD, 78-06 Inde oiaecten cont oter al geheel. Tot alleo die mjt hem waren comen Dair mott hi Tan mennigen ateen Eyepen : • liere Trienden , slaet ! Den worp ontiaen , ende mennigen alach, ia wolff, een dief quaet: 5 So dat hi neder viel ende lach 9iet dat hi u niet ontgaet. » In onmacht , ende o?er doot. Doe acoten ty hem alle na, Daer wasaermennicfa die aen hem fcoot, Snlc myt tulo myt stayen (tic): Inde aleepten myt groten geruchte. T* 1M7 Van daen , tot waer ik wesen moest. — 1S72 Si êeae, nog les andere. — 1IS78 Manlic ander», malkanderen. — 1583 Gevreisohedenf yemamen. 1K84 Te bhuwen, geslagen. Cugiibtt's Bydragen, bl. 118. Tai. 1868 y* 1 Opboren, opbeuren. — S Gerinc, citè. 64 REINAERT Eade yerbonden hem die ogen. 1590 Het stoot hem so, hi moest gedogen. So sere sloechsi ende staken Dat sine uten gate traken. Doe gedogedi vele ongetrais; Ende [si] bonden hem an sinen hals 1595 Enen steen, ende lietene gaen, Ende Uetene dien honden saen, Diene gingen bassen ende jagen. Ooc diende men hem met groten slagen So lange , dat hi geloyet was. 1600 Doe viel hi neder op dat gras Of hi ware al steendoot. Doe was dier kindre bliscap groot. Gindre was grote niemare. Si namene ende leidene op ene bare, 1605 Ende droegene met grolen gehuke Over stene ende over struke. Buten den dorpe, in ene gracht, Bleef hi liggende al dien nacht: Ine weet , hoe hi danen voer. 1610 Sint yerwaryic, dat hi mi swoer Sine hulde een jaer al omtrent. Dat dedi op sulc conyent , Dat icken soude maken hoenre sat. Doe leiddickene in ene stat, 1615 Daer ie hem dede te yerstane. Dat twee hinnen ende enen hane 11 Syn hulp te doen een jaer omtrent. 16 D«t teren hennen ende enen hme. y* li$9S Gedogedi, verdroeg hy. — 1596 En lieten hem spoedig aen de honden over. — 1599 Gelovet, (by Ginn gelove) toegewezen; d. u tot dat den toeêlag gegeven was; van bet uitloven ontleend. — 1605 Ce- hukef gebuik, lastige dracbt, van huokén. Zie Kn.. op dit laetste woord. — 1609 Ik weet niet hoe by er vandaan kwam. — 1611 Hulde, dieqstgetroawbfitd. — 1613 Conveni, fr* convention* — 16U iStmi, plaets. EERSTE BOEK. 65 In een groot huus ^ an eere straten Op enen haenbalke saten, Recht teere Taldore bi. 1620 Daer dedic Isengrijn bi mi Op dat huus clemmen boyen : Ie seide , ie wilde hem gdoren , Wildi crupen in die Taldore , Dat hire soude yinden yore 1625 Van yette hoenren sijn geyoech. Ter Taldore ginc hi , ende loech , Ende croop daer in met yare, Ende begon tasten harentare. Hi taste, ende als hi niet en yant 1630 Sprac hi : cc Nctc hets hier bewant Te sorgen : ie ne Tinder niet. » Ie sprac : cc Oom , wats u gesciet ? Gruupter een lettel bet in : Men moet wel pinen om gewin; 1635 Ie hebse wech, diere saten Toren. » Dus so liet hi,hem Terdoren , Dat hi die hoenre te Teerre sochte. Ie sach, dat icken honen mochte, Ende hoondene so , dat hi Toer 1640 Van daer boTcn op den Tloer, 22 Ie seide hem, wonde hi my geloTeD, Want wat ie sueck , ie en Tijnd niet. 23 Dat hy croop al in die duer. 39-41 En stieten dat hi over Toer, 27 len deel croop hi in , myt vare. Ende cpiam gerallen op den vloer; 29-31 Hi sprac: Reynaert wi sijn Termelti Want dien haenbalc was xeer smal , Off het is boert dat gi my telt ; So dat hi Yiel enen groten val. T* 1618 Haenbalke, de hoogste dwarsbalken van een huis, waeraen de ddkqperren vast zyn. Dinicx, Mémeiree eur la ville de Gand, II, p. S8: • Dat fy sollen moghen doen bangben een cloexkin in de kaenbalken Tan der voors. capelle, binnen sdaecx. n — 1619 Reebt (juist) by eene TiUenr (dakyenster). — 1627 F^are, veiroefdbeid. — 16218 Harentare, bier en daer; nog bewaerd in her-en-der-Yraeris. -^ 1680 Neef, bet is hier tot «orgen gewend: ga toume è soufu Vai. 16S9 T* 1 Fermek, yerraden. 66 REINAERT Eade gaf enen groten yal , Dat si ontsprongen oyeral, Die in den huse sliepen. Die bi den yiere lagen , si riepen 1645 Dat ware in huus, stne wisten wat, Gevaiien dor dat Tiwergat. Si worden op, ende ontstaken lecht. Doe sine daer sagen echt, Wart hi gewont toter doot. 1650 Ie hebben brocht in meneger noot, Meer dan ie geseggen mochte. Nochtan , al dat ie ie gewrochte Jegen hem , so ne roeke ie niet So sere , als dat ie yerriet 1655 Vrouw Harswenden, sijn scone wijf, Die hi lieyer hadde dan sijns selis lijf. God die moet mi yergeyen : Haer dedic, dat mi lieyer ware bleyen Te doene, dant es gedaen. » 1660 Grimbert sprac: cc Of gi wilt gaen Claerlike te biechten tote mi , Ende sijn yan uwen sonden yri , 44-49 Die tommich totten Tierwaert liepan Om te weten, wat duer dat gat Gerallen waer, ai en wisten wat. Si stonden op ende ontstaken lucht. Een ygelic die was beducht. Doe sy en sagen doe wart hi oock Geslegen , gewont , al totter doot. 51-66 Meer dan ie kan genoemen. lo souder noch wel door comen , Waert dat ie dair wat om doekte , yeel meer dan icker Toort brochte : Ie selse u efter wel ontbijnden ; 6 Ende oec heb ie myt ttou Eerswijnden Syne wire dat bedreren. Ie woudet achter watr gdileren, Het is my leet , mer tiss gedaen ; Want si dair scande off had ontfren 10 So Teel, data my seer Terdriet. • Y* 1646 Viwergaif waerschynlyk te lezen mn$$êrgai, gelyk in Rif- rkkb; doch anders het vuergat, de schouw. By GsiRBi leest men Pfvêrg ai, — 1647 Si worden op y zy stonden fvp; en zoo zei men ook: Si worden op haerpaerty hlykens Mbus Stokb, II, M. S7. — 1648 Eohi, veryolgens. — 165S Roeke, aehte. Yae. 1644 Y' 1 P^ierwaeriy de merwaerde, de haerd; namdyk om licht te hebhen (zoo Isemgrim niet door de schouw gevallen zy). EERSTE BOEK. 67 So suldi spreken onbedect. In weet, werwaert gi dit Irecl: 1665 c< Ie hebbe jegen sijn wijf mesdaen. » Oom , dat en can ie niet Terstaen Waer gi dese tale keert. » Reinaert sprac: « Neye Grimbeert, Ware dat hoofecbede groot , 1670 Of ie hadde geseit ai bloot : Ie hebbe geslapen bi miere moienP Gi sijt mijn maech , u souts yernoien , Seidic enege dorperheit. Grimbert , nu hebbic geseit 1675 Al dat mi mach gedinken nu: Geeft mi aflaet , dat biddic u , Ende settet mi, dat u dinct goet. » Grimbert was wijs ende vroet , Hi brac een rijs yan eere hage , 1680 Ende gafier [hem] mede XL slage Oyer alle sine misdade. Daema, in gerechten rade, Riet hi hem goet te wesene , Ende te wakene , ende te lesene , . 1685 Ende te yastene, ende te yieme, Ende te w^e waert te stierne ■ Oom , dit en Tertta ie nyet : Ende sprinct dair driewarff ojer aen een, Ie heb mjtdaen myi tynen wive. Sonder tnerelen off bogen been. 5 Ghi biecht , recht of gi een tcyre Dan kuste se vriendelic , sonder nijt , In die bant bilt, aflermeed aen te gaen. 15 In teiken dat gi gehoorsam ujt. 73 Spraeck ie vrouwen dorperheit. Dese penitentie ie u set : 76 AbsolTcert m j nu , dat bid ie u. Hier mede sidi van alre smet 80-1700 Ende sprac : oom , nu slaet drie tl»- Quijt , ende van allen tonden , 10 Op u buut myt deter gheerde, (ge Die gi ye gedeed voor dete ttonde ; Dair na legt te neder op die eerde Want ie vergeefse u altemad. T* 1677 Sêitet mi, set my, stel my een penitentie. — 1683 Daer na met welmeenenden raed. Tab. 1651 , Y* 14 en 15 zyn my onyerstaenbaer. Misschien moet het heeten : Gy doet als iemand die het geld in de hand heeft om een ach- tert:oop of achterhner (aftermede, achtermiede) aen te gaen. — 1680 V* 2 Geëerde, stok, staef. — 5 Snevelen, wankelen. 68 REINAERT Alle, die hi buten wege sage: Ende dat hi yoort alle sine dage Behendelike soude generen. 1690 Hier na so dedi hem yersweren Beide roven end,e stelen. Nu moet hi plegen siere selen , Reinaert , bi Grimberts rade , Ende gine te hoye, op genade. 1695 Nu es die biechte gedaen. Die heren hebben den wech bestaen Tote des conincs hoTe waert. Nu was, buter rechter va«rt, Die si te gane hadden begonnen , 1700 Een prioreit yan swarten nonnen, Daer menege gans ende menich hoen , Menege hinne , menich cappoen , Plagen te weedene, buten mure. Dit wiste die felle creature, 1705 Die ongetrouwe Reinaert, Ende sprac: c< Te genen hoye waert So leget onse rechte strate. » Met dusdanen barate Leidde hi Grimbert bi der scure, 1710 Daer die hoenre buten mure Gingen weeden harentare. 12, Tl. 900.1 Reynaert wat blide Tan deser tael , Ende dede dat hem tijn neTe riet. Doe sprac Grymbert : a Oom , ou tiet 15 Dat gi Toort aen doet goede werken. leeat u talmen , ende gaet te kerken ; Yatt, ende Tiert die heilige dagen, Ende wijst die u de wegen vragen. Aehniiten teldi geren, 20 Bode Tenweren n bote leren , RoTen , ttelen ende Terraden : So suldi comen tot genaden. Dit geloofde hem al Reynaert. Doe gingen ti ten hoTo waert. 25 Betiden den wech, dair sy rennen, Stont een clooster Tan swarte nonnen. 3 Dair plegen te wesen bynnen mueren. 5 Reynaert sprac totten dass : 6 Hier bedden , oTer dit past. Y' 1602 Zie daer, hoe hy zyne ziel moet verplegen ! — 1608 Na lag daer^ een weinig buiten den rechten weg. — 170S TVeedene, weiden; eigenlyk rondgaen om voedseL Zie Wulahd's fVoardenboek, laetste deel, bl. 12S. EERSTE BOEK 69 Der hoenre wart Reinaert geware. Sine o^n begonden omme te gane. Buten den andren gine een hane, 1715 Die harde yet was ende jone: Daer na gaf Reinaert enen spronc, So dat dien hane die plumen stOTen. Grimbert sprao : « Oom , gi dinct mi doven ! Onsalich man , wat wildi doen? 1720 Wiidi noch om een hoen In alle die grote sonden slaen, Daer gi te biechten af sijt gegaen? Dat moet u wel «ere rouwen! » Reinaert 8prac: a Bi rechter trouwen, 1725 Ie had8 Tergeten, lieye neye; Bidt Gode, dat bijt mi yergere. Het ne gesciet mi nemmermeer. » Doe daden si enen wederkeer Oyer ene smale brugge. 1730 Hoe dicken sach Reinaert achter rugge Weder, daer die hoenre gingen ! Hine conste hem niet bedwingen , . Hine moeste siere seden plegen : Al hadde men hem thooft af geslegen , 1735 Het ware ten hoenren waert geylogen , Also yerre alst hadde gemogen. Grimbert sach dit gelaet Ende seide: (c Onreine yraet, Dat u dat oge so omme gaet ! x> 1740 Reinaert andwoorde cc Gi doet quaet , Dat gi mine herte so yerdoort , Ende mine bede dus verstoort: 37 Ie en doet Toort nemmermeer. Reynaert tprac : « Nere, tit myidaen , 89^1 Hoe laet gi n ogen omme gaen ! Dat gi myt uwen oTerlopende woord. y* 1718 Gi dind mi dof>en, gy maekt my dal! wegens doven (woe- den), ue Tan Hulu op Y* 16S7. — 1741, 174S Dat gy myn hart dus ▼erdwaeld, en myn gebed stoort. 70 REINAERT Laet mi doch lesea II pater nooster, Der hoenre sielen van dea clooster , 1745 Ende den gansen te genaden, Die ie dicken hebbe Terraden, Die ie desen heiegen nonnen Met miere list af hebbe gewonnen. » Grimbert balch , ne waer Reinaert 1750 Hadde emmer sine ogen achterwaert : Tes 8i quamen ter rechter straten, Di si te Yoren hadden gelaten: Daer keerden si ten hoye waert. Harde sere beefde Reinaert, 1755 Doe hi began den hore naken , Daer hi waende sere misraken, Doe in sconinx hof was vernomen, SJtTieMo Dat Reinaert ware te hoTe comen , Met Grimberde den das, 1760 Ie wane daer niemene ne was So arem , no Tan so cranken magen , Hine gereede hem op een dagen: Dit was al jegen Reinaerde. Nochtan dedi als die onTenraerde 1765 Hoe so hem te moede was; Ende hi sprac te Grimbeerde den das : cc Leidet ons die hoochste strate ! » Reinaert ginc in dien gelate, Ende in al so houden gebare, 1770 Gelijc of hi sconinx sone ware, Ende hi niet en hadde misdaen : Boudeliken ginc hi staen 60 Had altgt thoofl ten hoenre waert. 67 Herde fierlio door die hoge ttraeC 65 Inde geliet bet dan hem wat, 70 Ende hi oec Tan enen hair 66 Ende hi ginck myt tynen nere den daa 71 Tegent nyement en had mitdaen. V' 1740i7a/(DA, verbolgde, werd gram; en niet onlnMMesiM^ abHoFra^nn denkt, op JFhrii en BL, Y' IW. Ne waer, maer. — 1762 Hime gereed^ kern, of hy maekte xich gereed, bereidde sich. — 1769 BouJen, stoaU EERSTE BOER. 71 Voor Nobele, dien conine, Ende sprac : cc God , die alle dinc 1775 Geboot, hi geye u, ccminc here, Lange bliscap ende ere. Ie groet u , coninc , ende hd[>be8 recht ! En hadde nie coninc enen knedxt So getrouwe jegen hem, 1780 Ah ie oit was ende bem: Dat es dicken worden aenseijn; Nochtan die 8ulke, die hier sijn, Souden mi geme roTen Uwer hulden , wilde gi hem geloven ; 1785 Maer neen gi niet, God moet u lonen ! Het ne betaemt niet der cronen , Dat ai den scalken ende den feilen Te licht gelovet [van] dat si yertellen. Nochtan willics Gode clagen: 1790 Dier es te Tele in onsen dagen Der scalke, die wroegen connen. Die niet te rechter hand hebben gewonnen Oyer al, in rike hoTe, Dien sal men niet geloren: 1795 Die scalcheit es hem binnen geboren ; Dat si den goeden lieden doen toren. Dat wreke God op haer IcTcn, Ende moete hem ewelike geyen 74 Kdden in der heren rinck. 77 Ie gmet n geme , io hebs recht. 80 Ab ie tt ye wat ende noch ben. 84 MH logen wondjit hem geloTcn. 90-97 Beir itter te Teel in onsen dagen. Die myt bootheit, die ty connen, Die Torder hant hebben gewonnen, Orer al, in héren hoTen; Dat ty to Ter tijn comen boren. Dien tcalke tijn in dien geboren Dat ty den goeden beraden thoren. Dat wn God wreken aen hair leren! V* 1777 Hebbeê recht , heb des recht, ik mag a wel groeten. — 1781 TVorden aenêdjn, gebleken. — 1790 Dier, Tan de Kulke« — 1791 PVroegen, aenklagen, beschuldigen. — 1795 Binnen, in. Tak. 1790 V' S Z>te «onfer hant, de voorhand. 72 REINAERT Al sulken loon, als si sijn waert! » 1800 Die coninc sprac: « O wi Reinaert, O wi Reinaert, onreine quaet, Wat condi al scone gelaet! Dat en can u niet gehelpen een caf. Nu comt uwes smekens af. 1805 In werde bi smekene niet u yrient: Hets waer, gi sout mi hebben gedient Van eere saken , in den woude , Daer gi qualiken hebt gehouden Die yrede, die ie hadde gesworen. » 1810 (c O wi, wat hebbic al yerloren! » Ri^ Canticleer, die daer stont. Die eoninc sprao : cc Hout uwen mont , Here Canticleer, nu laet mi spreken : Laet mi and woorden sinen treken. 1815 Ai, here dief, Reinaert, Dat gi mi lief hebt ende waert , Dat hebdi, sonder uwe pine, Minen boden laten aenscinen , Arem man Tibert, here Brune, 1820 Dien noch bloedich es sijn crune; Ie ne sal u niet [yele] scelden : Ie waent u kele sal ontgelden Noch heden, al op ene wile. » cc Nomine Patrum, Christum File! 1 o TUyle onreyn bote druut! 2 Hoe wel condi u saluut ! 3 Her ten baet u niet een caff. 6 Dat gi my dicwgl hebt gedient, 7 Dat wart u nu te recht gegouden. 8 Gy hebt den Trede wel gehouden , 9 Dien ie geboot ende had gefworen. 14 Ie moet andwoorden op sgn treken. 15 Quaet dief, tprac hi, fel Reynaert. 17 Dat hebdi, in den lachter mijn, 18 Hynen geboden gedaen aentchijn. 22 Haer ie denck u diea te gelden. y* 180S Een caf, Toor de waerde Tan een kaf {gluma). — 1804 Na is 't met uwe vleiery gedaen. — 1805 Door vleiery worde ik uw vriend niet. — 1822 TViU^ wyle tyds. — 1824 Nomine ^ ene. Deze uitroeping wordt in den firanschen Renart, Y* 10287, in den mond van Bruin den beer gelegd , by het Toonral met de honigraten. EERSTE BOEK. 73 1826 Sprac Reinaert, of wijn here Brune Noch al bloedich ea die crune , Was hi te blouwen ^ of Tersproken , Waer hi goei , hi [haddet] gewroken , Eer hi noint ylo int water* 1830 Tander side, Tibert die cater, Dien ie herbergede ende onifinc, Of hi ute om stelen gino Tes papen , sonder minen raet , Ende hem die pape dede quaet, 1835 Bi Gode , soudic dat ontgelden ? So mochtie mijn gdluc wel scelden ! » Voort sprac Reinaert : « G>ninc lioen , Wien twifdt des ^ gine moget doen Dat gi gebiet orer mi^ 1840 Hoe groot mine sake si : Gi moget mi yromen ende scadep; Wildi mi sieden, ofte braden, Ofte hangen, ofte blenden, Ie ne mach u niet ontwenden. 1845 Alle diere sijn in u bedwanc; Gi sijt groot, ende ie hem cranc ; Mine hulp es clene , ende duwe groot : Bi Gode , al sloechdi mi doot , Dat ware ene cranke wrake ! » 1S50 Recht in dese selve sprake Doe spraoc op Belijn , de ram , Ende sine hie, die met hem quam, 27 laar eoniac wat bettaet ay dat, 30 AfterTauTybert diacater. Offhy lantfireita honioh at 35 Bi lode, soudic de» ontgelden? lode hem die keerle lachter deden f 40 Hoe groot , hoe goet mgn sake ty. Hoeh heeft Braun to ttercke leden ; 62 Ende tyn oey, die met hem quam, Waa hi gealegen of Tertproken ? Dat wae irnuw Ote wi. y* 1827 Werd liy geslagen , of te na gesproken. — 1828 Ware hj ergens goed toe. Hi haddei, by Geih : At ware. — 1852 Hie, conjus, in het ondhoógdaitach Mwa. Het HoUandtche handsebrift en do prosa- dmk hebben oey, eigenlyk voedster; van Of-#f»i voeden , waervan eop- 10 74 REINAERT Dat was dame Hawi : Belijn sprac: « [Nu toe,] gawi 1855 Alle Toort met onset clagen ! » Bruun spranc op, met sinen magen , Ende Tibert die Me, Ende Isengrijn sijn geselle, Forcondet dat everswijn , 1860 Ende die rayen Tiecelijn, Paneer die bever , ooc Bruneel , [Die gan8, dat tijtsel, ende tlampréel,] Dat wateryar, dat butseel , Ende dat eencoren , here Rosseel , 1865 Dieweline, die yirouwe fine, Cantecleer ende die kindre 8ine , Makende groten vederslach ; Dat foret , clene bejach , Liepen alle in dese scare: 57-68 Ende Tybert , sijn geselle , Herri die etel , Boreel die ttier, Ende Ttegrim, die snelle , Dat hermei , die wesel^ waren oec hier. Die haxe, ende dat ererswijn, Ende Cantecleer, ende sijn kgnder, Ellic wilde in die claj^e sijn , Die claechden teer haren hijnder, 10 Pantheer die kemel, ende dat Bruneel , 6 Ende maeoten groot Tederslach , Die gans, dat tijtsel, ende tlampreel, Dat knoesel , ende een dein bejach. lam. In twee charters van de jaren 948 en 1025, by Mieub {Charier- boek, I, bl. 41 en 62) wordt melding gemaekt van bestice qua Umtonicè elo et scelo appellantur. Moeten deze e^o en schel-o ook niet tot ot ge- bracht worden ? of is elo 't zelfde als elah , elako, by Geatt, SprackschaiM , I, bl. 2S5? Vergel. Bildbidtk's Verhand. over de geslachten, bl. 280. Men had ook oi-scot (elders quic-scot), enz. y* 1860 Tiecelijn. Als iets zonderlings merk ik aen, dat byna de zelfde naem aen den sperwer wordt gegeyen in de Malbergsche glossen op de Salische wet,* tit. Vil, 4 (Waltbe, Vorpusjuris Gertnan. antiqui^ l, p. 17). — 1868 TVatervarj butseel y waerschynlyk te lezen : waterrat en buseel (voor busaert, by Kn. buleo, accipitris genus). Zie vers 8867. Vai. 1857 y* 6 Tytsel, de tyte, titü, pullus galUnaceus. — 7 Herri, fiendrik ; in de prosa en in Rbiniks Boudewyn. Borreel die stier, in de prosa slechts Borre^ — 12 Knoesel, waerschynlyk een scliryffeil , in stede Tan wesel. Yergel. in den text Y* 1868. EERSTE BOEK. 75 1870 Alle dese gingen openbare Voor haren here , den coninc , staen , Ende daden Reinaerde yaen. Nu ginct gindre op een plaidieren. Nie hoorde men yan dieren 1875 So scone tale ( als nu hier, Tu88chen Reinaerde ende dandre dier,) Vort bringen ^ dan men brochte daer. Het ware mi pijnlic ende 8waer; Daer omme corte ie u de woort. 1880 Die besten redenen gingen dar voort. Die clagen , die de diere ontbonden , Proefden si met goeden orconden ^ AU si sculdich waren te doene. Die coninc dreef die hoge baroene 1885 Te Tonnesse , van Reinaerts saken. Doe wijsten si, dat men soude maken Ene galge, sterc ende vast, Ende men Reinaerde , den feilen gast, [leineka I, aO, T« 1791.] 73-90 Ra ginct hier op een perkinent. Die dieren, die Reynaert stonden om- WiDen hem njn lij ff off wynnen : (trent, Wat talen dat ay op hem begynnen Dair gaff hi eiken op andwoort. 5 llye en qnam man die ye hoord Scoonre onttcout ende meerre dage, Dan men en dede in dien dage, Ja Tan tulken wilden dieren. Yannauwen rade ende tubtijl TersierenlO Wart dair geronden op dien dach In orconde diet hoorde ende tacb. So wie een taeck liet off hoort Mach wel gelovep ende aeggen Toort : Ende alto geviel aldaer. 15 Ie wilt u corten en aeggen twaer, Hoet myt Reynaert dair yerginck. Des coninct raet ende die coninck Die hoorden getuge Tan tijnre misdaet. Het ginck myt hem alst dicwil gaet: 20 Die crancste heeft die mynste crode. Sy gaTen oordel dat men dode Ende hangen toud by tijnre kele : Doe ginct myt hem al uten spele. V' 1882 Oficomien, bewyzen, getaigen. — 1884 Z^rw/*, vermaende , êêmon^ait, een reehtsterm. — 1886 PF'ijsten, wysden, Tonnisten. Taa. 177S y* S Sijn lijff afwynnen ^ zyn leyen afwinnen, zyn dood ▼erkrygen. — 7 Onuxmtf ontschuidiging, verdediging. — 10 Naeuw- geiochte raed en subtiel uitdenken (oudtyds vi$eeren). — 21 De zwakste heeft de minste knu-lading, brengt niet yeel weg. Men zei gecroden, Toor verkruid. 76 REINAERT Daer an hin^ , bi siere kele. 1890 Nu gaet Reinaerde al uten apele. Doe Reinaert Terordeelt was , ^^ifV^jJ ; ^ 21, Ta 18S7.] Orlof nam Gnmhert die daa , Met Reinaerts naeste magen : Sine consten niet yerdragen ^ 1895 No sine consten niet gedogen^ Dat men Reinaerde Toor haren ogen Soude hangen abe enen dief. Nochtan wast hem somen lief. Die conine, die was harde TToet^ 1900 Doe hi mercte ende yerstoet, Dat so menich jongelinc Met Grimberte uten hove ginc , Die Reinaerde na bestoet, Doe peinsdi, in sinen moet: 1906 Hier mach in lopen andren raet. Al es Reinaert selye quaot, Hi heyet menegen goeden maedi. [Tibert sprac] : « Twi sidi traech , Isingrijn ende here Bruun? 1910 Reinaerde es cont menich tuun , Ende hets den aronde bi; Hier es Reinaert, ontsprinct hi, Comt hi ni Toete uter noot, Sinen list die es so groot, 91-1900 Hem en mochte helpen gene tre- En mochten niet sien oft Terdraf^en, Hoe tcoon hi ooc conde spreken , (ken: Dat men doden tonde alto: Dat oordel , dat dair gewijtt wat, Si namen oorlof, ende waren onvro, Dat mott witen Grymbaert de dat (?) , Ende ruumden det coninct hoffl Ende een groot deel Tan Eeynaert ma- Die coninc bedocht hem w«l daïr odO (gen 5 10 Hier it mennich end tuun. y* 1890 Uten spek, buiten gissing, verioreti spel. Zie CLTcirBrr^ Toor- rede op den T^tkanista, bl. Lxxvn. — 1898 ffem somen, sommigen van hen. — 1908 Tybert sprac, ByGBiMM staet: Doe sprac he (de koning); doch de text van het Hollandsche handschrift is verkieslyker. 7Vt, waerom. — 1910 Cond, kundig, bekend. Tuun, tuin; doch hier dooihof. EERSTE BOEK. 77 1915 Ende hi weet so menegen keer, Hine wert geyangen tjaer meer. Salmen hangen , twine doet ment dan ? Eer men nu gereden can Ene galge, so eist nacht. » 1920 Isingrijn was wel bedacht, Ende sprac : ) Ende met dien woorde yersuchte hi. Doe sprac die cater, here Tibeert: « Here bingrijn , u e, yerseert 1925 U herte, ine wancans u niet; Nochtan eist Reinaert , diet al beriet , Ende seWe mede ginc, Daermen uwe twee broeders hinc , Rume ende Widelanken. 1930 Hets tijt, wildijs hem danken. Waerdi goet , het ware gedaen ; Hine ware noch niet onyerdaen. » Isingrijü sprac tote Tibeert: c( Wat gi ons al gader leert! 1935 Ne gebrake ons niet een strop, Langeleden wiste sijn erop 16 Hy «n wart gcTangen nemmermeer. Keynaert, ende seWe mede ginck. 17 Selmen hangen wat beyddi dan? 31-35 Wairdi goet het wair geschiet ; 23-27 So dattet Tjbert wart ontwaer, Hy en wair ooc noch ontgangen niet. Inde tprac Tjbert: « Gi sgt in Jtm Isegrim balch hem ende aprac : Her Taengrim, ofs n gedochte ? Gi maect ons aUen groot getrac. Gedenct u niet dat gi eens brochte Her Tybert, hadden wi een strop. y* 1916 Tjaer meer, in geen jaer meer. Yergel. V^ 424. Monb (AnMeiger, 18S5 , bl. 5S) ziet er het firanscbe jamme in; doch dit kan ik niet aen- nenien. Een onder Toorbeeld vinden wy in het Leven van Jesue, uit de dertiende eeuw, bl. 209 ; « Ghi sijt mine yrint, op dat ghi doet dat ie a ghebiede. Tsarmeer en sal ie u nit heeten knecht. » Is dit eene letter- lyke Tertaling van het latyn (Eyang. Joan. CXV , V' 15) : Jam non dicam 90$ eervoê , dan beduidt het woord zoo Tcel als voort meer, van nu af aen. — 1925 Ine wancans u niet^ ik dnide u dit niet ten kwade. Zie boven Y* 907. — 1992 Hy zou daer nog niet ongelet staen. Vak. 1991 V' 4 Geirao, getrek. 78 REINAERT Wat ftijn achterende mochte wegen. i> Reinaert , die laoge hadde geswegen , Sprac: « Gi heren , cort mine pine. 1940 Tibert heeft ene yaste line, Die hi bejagede an sine kele, Daer hi yernois om hadde vele Int huu8 , daer hi den papen beet , Die Toor hem stont al sonder cleet. 1945 Here Isingrijn, nu maect u Toren! En sidi niet daer toe yercoren, Ende gi Bnine, dat gi sult doden Reinaert, uwen neye, den feilen yoden? i> Doe 8o sprac die coninc saen; 1950 (c Doet Tiberte mede gaen; Hi mach clemmen , hi mach de line Op dragen, aonder uwe pine. Tibert , gaet Toren , ende maect gereet ! Dat gi iet let, dats mi leet. » 37 Wat sijn lijff mochte wegen. 41 Die hem omtrent die keel neep 42 Tot des papen hu js , dair hi ao peep, 45-82 Hi can wel clymmen , hi tel gereet Die lynde opdragen , hi ia ao anel. Her Taegrim het Toecht a wel, Ende Bmnn , dat gi doet n nere. Het ia my leet dat io so lange lere : Haett uwer, gi xijt dair toe geaet! Tia quaet dat gi ao lange let. Y* 19S7 Wegen. Een oud spreekwoord ten aenzien van hangdieven, door den franschen dichter Vuloii in zyn graüschrift aldus nagevolgd : Je suis fran9oi8 (dont ce me poise) Në de Paris, empr^ Ponthoise, Or d'one corde d*ane toise Scaora mon col que mon col poise. Leê Poèieê franfaia avant Malherbe, Il , p. S89. V 1940 Line, lyn. — 1945 ronn, vooraf. — 1948 F^oden, vot; nog overig in hondsvot, een obsceen woord, door velen gebezigd , maer door weinigen verstaen. Men leere de beduidenls uit het volgende puutrym van Jah Vos : Ik ben een hondsvot zoo gy zeght , maer t*is gezocht ; Ik zou een honds-vot zyn, zoo 'k u had voortgebrocht. V- 1964 Lei, vertraegt. EERSTE BOEK. 79 1955 Doe sprac Isingrijn tot Brune: c( So heipe mi de clooster crune , Die boTen op mijn hooft staet! In hoorde nie so goeden raet, Alse Reinaert «eWe geyet hier. 1960 Hem langet omme cloosterbier? Nu , gaen wi Toren , ende bruwen hem ! » Bruun sprac : c< Neve Tibert , nem De line; du selt mede lopen. Reinaert die sal nu becopen 1965 Mijn scone liere, en dine oge! Gawi, ende hangene so hoge Dats lachter hebben al sine yrient! » « Gawi , hi heyets wel yerdient , » Sprac Tibert , ende nam de line. 1970 Hine dede nie so lieye pine. Nu waren die drie heren gereet. Dat was de wulf ende Tibeert Ende her Bruun, die hadde geleert 1975 Honich stelen te sinen scaden. Isingrijn was so beraden, Eer hi Tan den hove sciet, Hine wilde des laten liet, Hine yermaende nichten ende neven, 1980 Ende alle, die binnen den hore bleyen, Brmm , gaet Toor, ende leyt my, Ende Ttegrim beval gereit Tybert west hem vatte b j : Al tynen vrienden ende magen , Wacht wel dat hi n niet ontgaet ! 10 Dat ty wel tot Reyner xagen , Bninn tprao : « Dat is die bette raet Ende dat ty hem traden alto na, Bie ie ye gehoorde, die Reyner teit. » Dat hi hem nmmer niet ontga. V* 1960 Hy verlangt naer kloosterbier ; spreekwoord. Vergel. V- 5180. — 1961 Bruwen, brouwen. — 1970 Pine, werk. — 1978 Hy soa het namelyk niet hebben willen nalaten , of hy , enz. Yab. 1945 y* 12 Reyner, Toor Rrinaert; en zoo nog yerscheiden malen hier achter. 80 REINAERT Beide gebure ende gadie , Dat si Reinaerde hilden Taste. Vrouwe Hersinden sinen wiye Beyal hi, bi haren liye, 1985 Dat soe stonde bi Reinaerde, Ende soene name bi den baerde, Ende van hem niet ne sciede, No dor goet, no dor miede, No dor nijt, no dor noot, 1990 No dor sorge Tan der doot. , Reinaert andwoorde in corten woorden , Dat alle die daer waren hoorden: Here Isingrijn , half genade ! Al ware u lief mijn grote scade, 1995 Ende al brincdi mi in Ternoie, Ie weet wel , soude mijn moie Te rechte gedinken ouder daet, Sone dade mi nemmermeer quaet. Maer, her Isengrijn, soete oom, 2000 Gi neemt uwes neTen cranken goom , Ende here Brune ende here Tibeert , Dat gi mi dus hebt oneert. Gi drie gi hebb^ gedaen al , Dat men mi ontliTen sal. 2005 Daer toe hebdi gemaket , Dat so wie , die mi genaket , 87-94 Ende lijiit wel teker nanen waerde , Eode off |^ niet al o quaettte en doet Dat hihem nminer niet enttpnoge. Keynaert hoorde al dete dfai|;e; Het dede bem leer; noebtan tprac hi : Och Here oom, my donket dat gi V teer pijnt om mjne tcade. Dorst ie by halrer genade. 99-81 Doch ie bynt, dair a over gaen moet. Aen my, gi Brmu eode Tybeert , So moet gi a^n tan Gode oataeri. Ie bina getroost te deaen wcrre; Doch ie en aaach mer eens atecren , Ende dat woudic dattet wair geaciet; Want , doe m^n Tader sijn lexen liet Doe watt kort myt hem gedaen. » T" 1984 Bi haren livBj op levensstraf. — 1986 Soene y tj hem. — 1988 Miede, belooning. ^ 1998 Hier dient half genade. — 1M8 Zj en zonde my nimmer kwaed doen. — 2000 Cranken goom^ weinig acht. EERSTE BOEK. 81 Sceldet mi dief , ot he^et ket. Daer omme moeiti , God w€et ^ GeonneerI werden alle drie ^ 2010 Gine faaest, dat gescie Al dat gi begeeft te doene. Mi es dat herte noch also coene : Ie dar wel sterrea ene warf. Ne wart nurjn Tader, doe hi starf ^ 2015 Van alle ainen souden "vri? Gaet , gereet die galge , of gi Een twiat mi langer niet ne spaert, Of Taren moeiti hinderwaert [Met] awe Toete ende uwe been! » 2020 Doe sprac Isingrija : cc Anieen« »^ « Amen, sprac Brune, ende binderwaert Moet hi Taren , die langer spaert l » Tibert sprac : « Nu baesten wi ! z> Ende met dien woorde sprongen si , 2025 Ende liepen Toort harde blide , Ende pijnden hsm ten stride Te springene OTcr menegen tuim, Isengrijn ende here Bruun. Doe ^aoTtegrim : « Solaet ont gaen 10 Ghi Tloect ons, off wi n laDger tperen , Eode qiulic to moet wi Taren Off wijt langer maken beide Aeo Reyer. b Alt hi dit seide Scoot hi myt enen groten nyde, 15 Eode Rruiin ter ander zyde, End leiden vast ter galghen waert. Tjbert Kep voor ongetpaert Ende droech tot Reyen behoef dat ttrop : Rem wat al wee in synen erop 20 Van den ttric, dat hem Tynck Tot det papen hmia, daert hem qualic Dat laet hi «onder cronen ; (ginck : Want hyt nu Reyer meent te lonen. Si tpronghen over mennigen tuiin 2& Tybert , Tsegrim ^ ende Bruun , Hit Reynaert den tcalcken roden , Eer sy quamen dairmen sonde doden, Dair men plach den doden te nemen thjff. Die coninck ITobel, ende tijn wijff, 30 Ende alle die in den hove waren, ¥• 2009 Geoftneert. De Terwcnsching geonneert werdi ! is in de keure Tan hertog Jan, van bet jaer 1292, opeene boet van vyf scbellingen ge- tarileerd. Zie het Codex dipkmaticus achter Van Heelü, bl. 542. — 2010 Ten ty dat gy u haesl om to Toltrdcken. — 2017 Emt. iwini, een beet- jen. — 2018 yarm hi mée r waeif aehlerwaertftgaen. Vai. 1999 Y' 2S Deswege bekreunt hy zich niet. 11 82 REINAERT Tibert Tolchde hem naer : 2030 Hem was die Toet een lettel 8waer, Van der line, die hi droedi; Nochtan was fai rasch genoech: Dat dede hem al die goede wille. Reinaert stont ende sweech al stiUe, 2035 Ende sach sine yiande lopen, Die hem dat strop an waenden cnopen. a Maer het sal bliyen » sprac Reinaert, Die stoet ende scouwede der waert , Ende [sadi] si springen, ende keren. 2040 Hi peinsde : cc Deus , wat jondieren ! Nu laetste springen ende lopen: Leyic, si sullen noch becopen Hare overdaet ende hare scampie. Mine gebreke Reinaerdie; 2045 Nochtanne sijn si mi Liever yerre danne bi , Die gene die ie meest ontsach. Nu willic proeyen , dat ie mach Te hoTe bringen een baraet, 2050 Dat ie yoor de dageraet In groter sorgen yant, te nacht. Heyet mine list sulke cracht Volchden dh myt groten scaren, Om teynde dair off te tien. Keynaert , die hem Tan mUschien Seer onttach, ende bedocht hem dick 36 Hoe hi by enigen ttick Mocht van der doot verdingen , Ende die geen, die dair to springen, Ende tijn acand sagen so gem, Verscalken mocht , ende driyen tschem, Ende den coninc myt Terraet, Te hulpe crege , tot sijnre baet: Kier op was al sijn studeren. Hy sprac tot hem selren: « Ie moei «we^ (rea Ende helpen myt loesheit off ie kan; 46 Want die noot die gaet my an. Al is die coninc gram op my Ende mennich die hier is by, Wats dan? dat heb ie wel verdieDt. Ie ward noch licht hair liefte trient, 60 Rochtan en deed ie hem nemmer goei: Die coninc is sterc ; s^n raet is ttocé; Ifochtan sondicse wel behalen. Mocht ie gebniken mijnre talen. Y' 2044 Ten ware my myne Reynaertelitten ontbraken. Yai. 1999 V- 24 Miê$chien, kwaed geschieden. ^ BS Bekahn, 'm- halen I bereiken. Bl.m. "If «ntifemviifttnyier weitee f 'e ittoet ^»«n«iint«-öe« S>aat~iat Cel Ij^in \W1 betvnnat EERSTE BOEK. 83 Als ie iK>ch lH>pe dat so doet , Al es hi listieh ende Troet , 2055 Ie wane den ecminc noeh yerdoren. » I)ie eonine dede blasen enen hcHren , Ende hiet Reinaerde uutwaert leeden. Reinaert sprae : cc Laet teerst gereeden Die galge , daer ie an hangen sal , 2060 Ende daer binnen so salie al Den Tolke mine bieehte conden , In Terlanessen van minen sonden. Hets beter, dat al tfolc Terstaet Mine diefte ende mine ondaet , 2065 Dan si namaek enegen man Mine OTerdaet tegen an. » Die eoninc sprac : cc Nu segget dan ! » Reinaert stont als een droeve man, Ende sach al omme , harentare. 2070 Dan so sprac hi al openbare : c( Helpe , seit hi , Dominus ! Nu en es hier niemen in dit huus , No yrient no yiant, ie ne hem Een deel misdadich jegen hem. Ie waet to iMiuiiipeii loten Tont. • 56 Na quemen uj dair die galge ttont. lK»e tpreo Ttegrim: « Her Braun, Desoilnii een die rode crami, Die 1^ ontlèoot bi Reyert toout I Twttr iqt dat §bij» hem nu Tergoui 60 Die qoeetbeit , die hi n ye gedede. Wy hebbent mi wel ontt Igi ende ttede. TyberI haeti n ende clymt op I (ttrop ; Knoopt «en die Ignde, ende maeci den Ght lyidie liohteTtnontdrien; 65 Ghi tnlt nwen wil noch haden üen Tan hem, dien gi to xeer haet. Bmon, wièht dat hi n niet en ontgaat! Hout hem tatt , ende tiet wel toe. Ie moet pinen dat io doe 70 Die leder oprechten, hem op te gaen. * Bmmi tprac: < Datt wel gedaan. Doet, dat tel hem wel bewaren. » Reynaert tprac: « Hy mach wel yertwaren Mgn hert, n4)ntyn, Tan taxte groot; 75 Want in tie roer mijjo ogen die doot , Dien io niet en mach ontgaan. Heer conino, ende alle die hier ttaen, ü allen hid ie eèn bede , Eer ie Tan der werelt tcede,. 80 Dat io myn biecht doch mach tpreken, Ende Toor u allen maoh mijn gdireken T* S061 In verhneêÊen, tot ontlastiDg; Tan verhden. — 2066 Tegen f «entygden. — 2071 Zoo waar helpe my de Heer! Vak. 1999 y 59 iSbowl, tchuld. 84 REINAERT 2075 Nochtan, boret «Ile, gi herm: Laet u wisen emét leren , Hoe ie Reinaeit, aennmc, Eerst die boosheit ane vioc. In allen tidh^i spade eiide yvoe 2080 Was ie een faoye«ch kint nock doe. Doe mea mi spaande yan der maomien , Gine ie spelen metten Ijtmmeo, Dor te boorne dat gebleet; So lange dat ie een yerbeet : 2085 Ten eersten lapedic dat Uoet : Het smaecte so wel , het was so goet, Dat ie dat yleescfa mede oatgan. Daer leerdic leckeraie an So yele, dat ie ginc ten geeten 2090 Int wout, daer icse hoorde bleeien: Daer yerbetic boddne twee. So dedic des derdes dages mee, Ende ie wart faouder ende coeoer^ Ende yerbeet [yogel] ende hoener, 2095 Ende gansen , daer icse yant. Doe mt faloedidi wart mijn tant, 100 daoUo ^ertrtokflB , op dtt dalr by Myn kiel det oabeotanMit «f, Inde nen mijn éioflo ende 'vcmet 85 Enen anderan , dmniet en bestoet, Riet «D iwtye, aa deeen tidea. lo «d dea doei te Mobter lidea. Inde bid lile dan Toot aiy, Dat God ni^JDre lielea genadicb ff ! • 90 Alle die geeo, die dete iale boorden, Dien iamerdeB ^an tyaen iroorden , Ende teiden, het wair een cleynbede , Ende baden den ooninck dat bi dede; V* S077 J^rmine, armeling, ongelaklu|;o. Uimacopit hoadi ket waord Yoor pelgrim (op Milis Stokb, I, bl. 418). — 2083 Dor, om. — 2086 lAtpedic, lepte tk. — 3089 GtêUny geiten, ~ M91 Bw^mê hoee, twee bokskens. — 2092 Mêe, nog meer. Vai. 1999 V 87 Betye, voor behfge, aentyge. So data faam dia eoninek ^affoorloff. 95 lejMert di^ büde waa bier off. Docht t bet mocht naeh beto^ia Hen ! Doe tpraa bi abb» voer bam aBen: « No belpt By^pbitaw Damfaii; Want io en lia bier nyemenl by » Ie en bin dair miedadicb tegen; Ifoobtant ivaaie in aüaniRrQ^en Dat goedertiefeseta jao^ ^^f Dat men vaat aff a*ob vyat , Tot dat BMB my tpaande vaader taam- (nwa. 105 EERSTE BOEK. 85 Was ie so fel «nde so Tn*eet, Dat ie êowev op Terbeet Al dat ie Tant , aide wat hu doehie 2100 Dat mi beqaam , «nde dat ie vermochte. Daer na quam ie met Isin^me , Te wintre in eaen coudên rime, Bi Basele onder enen boom: Hi rekende, dat hi -ware mijn oom, 2105 Ende began ene ^bbe tellen. Aldaer worden wi gesellen. Dat mach mi te rechte rouwen ! Daer geloofden wi, bi trouwen, Recht geselscap manlic andren. 2110 Doe begonsten wi te gader wandren. Hi stal tgrote, ende ie dat dene. Dat wi bejaechden wart gemeeiie ; Ende ais wi delen souden doe , Ie was in hogen ende vro 2115 Mochtic mijn deel hebben half. Alse Isingrijn bc^agede een calf Of enen weder, of enen ram , So grongierdi ^ ende maecte hem gram , Ende toochde mi een gelaét , 2120 Dat so saur was , ende eo quaet , Dat hi mi daer met Tan hem yerdreef , Ende hem mijn deel al gader bleef; Nochlan achlic niet yan dien. So meaich waryen hebbic yersien ! 2 Tb wjv é u ■ 15 Die coninck began ai}n Moet te meren, Ala hi den groten toat hoorde noemeo, Ende sprac : « Waen it u geeomeo Keinaert die acat, dat aegt my umi f • Edel heer, het wntt gedaen: 30 Ie talt u teggen , aynt gi my hiet. V* 21S1 Zoo en mocht ik naeawlyks de eene hebben. — 21S4 ZoUca schrale jacht heb ik gedaen. — 2126, 2187 Ware 't niet geweert dat myn lin loo groote liefde droeg. — 2142 Dat al in myne macht is. EERSTE BOEK. 87 2150 No dor lief no dor leet Sone salt daDoe bliyen Terholen : G>iunc^ dien scat was bestolen : Ne waer hi ooc gestolen niet , Daer ware die moort bi gesciet 2155 An u lijf, in rediter trouwen , Dat alle uwe vrienden mochte rouwen. » Die coninghinne wart yerraert Ende sprac : « O wi , lieve ReinaerI , O wi, Reinaert, o wi , o wi , 2160 O wi , Reinaert, wat sechdi? Ie mane u bi der seWer yaert , Dat gi mi secht, Reinaert, Die u siele varen sal, Dat gi ons secht de waerheit al 2165 Openbare , ende brinct voort , Of gi weet van eneger moort , Of enen moordeliken raet, Die jegen minen here gaet ? Dat laet hier openbare horen! » 2170 Nu hoort, hoe Reinaert sal verdoren Den eoninc entie coninghinne Ende hi bewerven sal , met sinne , Des cbninx vrientscap , ende sine hulde , Ende hoe hi (buten haerre sculde) 86 Aen Q telft edel lijff. > 86 Doe dit die coninck ende sijn wijff 87 Hoorden , worden ty Tenraert. 88 Ende wopen riep sy , Reynaert. 61 Ie Termaen o, Reynaert. 72-84 Eode baerre beider gewynnen, Inde nochtan dair toe Terwenren Dat hi die geen tel yerderren, Die nu staen na lynen doot. Nu ist hem gecomen in den scoot , 5 Ende wil nu tynen sack ontbynden , Ende tien off hi dair in can Tynden Dat hem mach comen te baten. Nu wil hi to liegen nutter maten, Ende dat ao schoon brengen Toort, 10 Dat ellic sel wanen waert, diet hoort. Va». 2168 V* 1 fFbpen, anders wapen. Zoo ook hierachter V* WÖ5, en OTer dit geroep^ 'waermede men gewoonlyk eene moordklage begon , kan men nazien Grum's RBohisaUêri,, bl. 770, 878 , en de geleerde aen- toekaning Tan Bóhbam, Charierbo^ fw» Gdre^ bh 876. — 9172 Y' 6 Saek, Toor oeiJMJb, gocheltasch. 88 REINAERT 2175 Bnine en IsiDgrqii beede Op hief in groote ongereede, Ende die in Teten ende in on^^eval Jegen den coninc bringen sal. Die heren , die nu waren so fier, 2180 Dat si Reinaerde waenden bier Te sinen lachter hd^ben gebrouwen, Ie wane wel, in rechter trouwen^ Dat hi aal weder mede blanden , Dien si suUen drinken m^ scanden. 2186 In enen gelate met droeven sinne i^tTïis'i Sprac Reinaert : « Edde coninghinne , Al haddi mi nu niet gemaent, Ie bem een die steryen waent ; In laet niet liggen op mijn siele; 2190 Ende waert so, dat mi geviele, Mi stonder omme in de helle te sine, Daer die torment es , entie pine. In dien dat die coninc milde Een gestille malcen wilde, 2195 Ie soude seggen, met genaden, Hoe jammerlike hi was Terraden Te moordene, tan sinen lieden. Nochtan, diet alre meest berieden, Sijn som van minen liefeten magen, 2200 Die ie node soude bedragen , Ne deedt die sorge van der helle, Daer men seit, dat si in quellen, Die hier sterven, ende moort Weten , sine bringene voort. » > a7 Al en haddi my niet «o hooch Termaeot. 95 Ie soud hem teggen , al myt ttaden. 90 Want licht dat my geviel 3 Die hier weten Temet olF moort, 91 In die hel dair om te syn. 4 Ende dat niet en brengen voort. Y*2176 Bracht in groot ongeval. — 218S Dat hy daerentegen een meft- drank sal mengen (blanden). — 2107 Tb moordene, om vemocMrd te worden. — 2200 Bedragen, besohnldigen. -^ 2204 Zonder die voor te brengen, te ontdekken. EERSTE BOEK. 89 $ 2205 Dien ooninc wart dat herte swaer, Ende sprac : cc Reinaert, sechstu mi waer ! cc Waer, sprac Reinaert, yraeohdi mi des? Jane weet gi wel boet met mi es. Ne bewaent niet , edel coninc , 2210 Al bem ie een aerminc, Hoe moditic sulke moort getemen? Waendi , dat ie wille nemen Ene logene c^ mine lange yaert? In trouwen neen ie, » sprac Reinaert. 2215 Bi der eoninghinnen rade, Die sere ontsach des coninx scade . Geboot die coninc openbare, Dat daer niemen so coene en ware , Dat bi een woordekijn iet sprake , 2220 Tote dien , dat Reinaert met gemake Hadde yolseit al sinen wille. Doe swegen si alle gader stille. Die coninc biet Reinaerde spreken : Reinaert was van feilen treken : 2225 Hem docbte scone sijn geval , Hi sprac: cc Nu swiget over al, Na dien dat es den coninc lief , Ie sal u lesen, sonder brief, ' Die yerradenesse openbare , 7 • Owi sprac Aeynaert , waendi det? Der coninghinne jammerde van desen , 8 Ghi liet doch wel hoet myt my et. Ende bat den coninc op genaden , 9-24 Wat waendi dea, edel heer, Om te acotten meeire acaden» Al bin io anders besundicht seer, Dat hi den toIc bode sylency, Dat ie mijn siel wil Terdoemen? Inde Reynaert gare audiency, Wat sond my te baten comen Sijn tael te spreken al uut. 15 Dat ie anders seide dan het waer? 5 Doe dede die coninc oTerluut Kjn doot die b my also swaer, Gebieden , dat ellic swege al stille , Hy Cn mach helpen bede noch goet. » Snde liet Reynaert synen wille Doe beefde Reinaert, dair hi stoet, Onberispt ten eynde spreken. In enen gereysden schijn ^an Tresen. Reinaert , die toI was loser treken. y* 8209 En denkt niet, edel koning. — 2211 Getêmen, gedoogen. Zie orer het woord Hutd. op Stoki, II, bl. AZZ. — 2220 F'errade- )f by Giuni: verraderen. ^ Var. 2200 V' 18 JBocb^ gebode. 12 90 REINAERT 2230 So dat ie memene en spare , Dien ie te wroegene sculdich bem. Dies lachter hevet, scaems hem! » Nu yerneemt alle g^ader, Hoe Reinaert sinen eertschen vader 2235 Met yerradenessen sal bedriegen , Ende ened van sinen lielbten magen liegen Dat was Grimbert , die das ^ Die hem hout van herten was. Dat dede Reinaert omme dat ^ 2240 Dat hi wilde , dat men te bat Sinen woorden geloven soude Van sinen vianden , [waer] af hi woude Die verranesse tien an. Nu hoort, hoe hi dies began. 2245 Reinaert sprac : « Wilen teer stonden Hadde mine here mijn vader vonden Des coninx Hermelinx scat, In eere verhcrfnen stat. 33 Nu koort hoe Reynaert des began, 34 Dat hi den vader, die hem wan, 35 In Terradeniêten wil bedragen, 36 Snde een van tynen liefsten magen. 40 Dat men njnre woorden te bat 41 GeloTen toude , die hi sprake, 42 Inde hi dan die teWe sake 43 Op tijn yyanden te bet mocht leggen. 44 Aldus began teerst Tan synen seggea. 46 Hy sprac : WUeneer tot enen stondao. 47 Des conins heymelicste scat 48 In enen Terholentliken pat; y* 22S2 Hy schame zicb , die daerran de schande heeft. — 22S6 IA»- gen, beliegen. — 2249 Tien an, aentrekken, aentygen. — 2245 TVihn teer stonden, eertyds t*eener stonde. — 2247 Hermelinx êcai. Ermenrik , koning der Gothen, volgens Saxo Grahhaticüs, oyergroote schaUen by een gebracht hebbende, deed, om de zelve te bewaren, een groot kan- teel bouwen. In de Miracula St-Bavonis , geschreven in de tiende eeuw {j4cta Benedict, sect. II, p. 407) vindt men, dat deze koning te Gent een slot had: n Ferunt autem Agrippam quondam Romanoram dacem in eo (loco) castrum condidisee, Gandavumqne appellasse. At alii Her- menricnm regem in eo arcem imperii sibi tradant institaiase. Yergel* Griiu, Reinhart^ bl. glii, en Chronique de St^Buvon^ è Gand , par iMJJi n TanLioDB, p. 9S«9K. — 2248 Stat, plaels^ inde anderen jpa#« Var. 2248 Op leggen, bezwaren. EERSTE BOEK. 91 Doe mijn Tader hadde Tonden 2250 Den scat, wart hi in corten stonden So oyerdadich , ende so fier, Dat bi yeronweerde alle dier, Die sine genote te voren waren; Hi dede Tiberte , den kater, Taren 2255 In Ardennen , dat wilde lant , Aldaer hi Brune den bere yant : Hi ontboot Brune grote Gods boude, Ende dat hi in Ylaendren comen soüde. Of hi ooninc wilde wesen. 2260 Bruun wart vro Tan desen , Hi hadt menegen dach begeert : Daer maecte Ü hem te Ylaendren weert Ende quam in Waes , int soete lant , Daer hi minen Tader Tant. 2265 Mijn vader ontboot Grimberte , den wisen , Ende Isingrijn , den grisen ; Tibert, die kater, was die vijfle, Ende quamen tenen dorpe , hiet Hijfle. Tusscen Hijfte ende Ghent 2270 Bilden si haer parlement, In eere belokenre nacht ; Daer quamen si bi sduvels cracht Ende bi sduvels ge welt , Ende swoeren daer, an twoeste velt , 49 Inde doe hi had aldas groot goet, 80 Wart hi to fier, so hooch gemoet, 51 Dat hi myt «glire groter hoTeerde 62 An» dieren veronweerde. 63 Die agn getellen te Toren waren. 67 Hi ontboot tine houde. 61 Want hi hadt langen tyt begeert. 63 Dair hi mynen Tader Tant, Dien wel ontfenck doe te hant 69 TuMchen Ritelende Ghent, 71 In enen donckeren langen nacht , 72 Orermitt det Tiant cracht, 73 Ende mijnt Tadert gewelde. 74 Dien dwanc myt tynen gelde, ¥• 2253 Veronweerdey yerachtte. — 22Ö7 Gtüle Godê h&udé, groole eomplimeiiteii; want men wenschte gewoonlyk aen iemand godêhoude, dal ifl, de goddelyke ganst. — 2268 Hijfte, thans, geen dorp meer, maer een gehucht hy Desteldonk en Looehrisly. — 2270 Parlêmêntf onderhandeling, gesprek. — 2271 Ia eeacn bedekteD (donkeren) nadii» 92 REINAERT 2275 Alle Tive, des coninx doot. Nu hoort wonder alle groot Wat 81 noch over een dragen : Wilde iemen van sconinx magen Dat wederseggen ^ mijn rader soude 2280 Met sinen silrere ende met sinen goude So den genen steken achter, Dat sijs souden hebben lacbAer. Dit wetio, ende segge u hoe. Eens morgins harde vroe 2285 Geviel , dat mijn neye , die das , Van wine een lettel dronken was , Ende liet in verholnen rade minen Wive , miere vrouwe Harmelinen , [Die hijt] al van pointe te pointe seide , 2290 Daer si liepen an die heide. Mijn wijf es ene yremde vrouwe, Ende gaf Grimberte hare trouwe , 76 Swoeren si dair des conincs doot. 77-82 Sy iwoereo op Tsegrims cruun, Alle TiTe', datse Bniiin Coninck ende heer souden maken, Ende setten hem, in den stoel tAken, Op sijn hooft die croon Tan goade ; 6 Ende wair yement , diet keren wonde , Van des conincs Triende ende magen, Hijn rader soudze al verjagen , Vit sijnen scat, ende steken achter. Dat si bieren in den lachter. 10 87-98 So dat hi rrou Sloppelkade Synen wire seide in rade , Ende hiet haer dat sijt sonde helen ; Ende sy rergat al sijn berelen ; Want sijt roort in biechte seide 5 Hynen wife, op eenre heide, Dair sy bederaert gingen t'samen; Her si most bider drie coningen namen Eerst sweren, ende bi haerre trouwe, y* 2277 Over een dragen ^ samen yaststellen. — 228S Dü wede, dit kwam ik te weten. — 2287 Liet, belydde het ; van /ten. Yab. 2277 y* 1 Op Isegrime eruun, op zyne in hot klooster gehei- ligde kruin (V 1508). Men Ewoer op heilige zaken , reliquien eni. Priesters echter moesten geenen eed doen: wanneer zy getuigden , leidde de rechter zyne hand op hunne kruin, en zoo deden zy hunne yerkla- 'ring u Ende io bevinc den pape bi sire priestersoape ; dandro suorent ten heiiighen bi gestavedea eede. » (Zie de waeiiieidsbrief van het jaer 1275 in het Codex dijd. op Tah Heblij, bl. 571). Wereldlyke persoonen wer- den by de ooren getrokkrai (ieste$ per aureê tracH). Yergd. Gtnn's Reekteakher^ümer, bl. 057 , en Mohb*s Jnseiger, 18S5, bl. 151. EERSTE BOEK. j»3 Dat verbolen bliyeii 80ude. Ten eersten , dat soe quam te woude , 2296 Daer ie was, ende soe mi vant, So telde soet mi te hant : Ne waer het was ai stiliekine. Ooc seide soet bi suUken lijctekine, Die ie kende so waer, 2300 Dat mi alle mine haer OpWaert stonden , van groten Tare. Mine herte wart mi openbare Also cout als een ijs, Dies sijt seker ende wijs. 2305 Die pude wilen waren yri ; Ende ooc so beclaechden hem si, Dat si waren sonder bedwanc: Ende si maecten een gemanc, Ende so groot gecrai op Gode, 2310 Dat hi hem gaye, bi sinen gebode, Enen conine , die se dwonge. Dies baden die oude entie jonge Met groten gecraie, met groten gelude. God gehoorde die pude Dal lyt , door liere noch door rouwe, 10 Hemmermeer xoad teggen Toort ; Her mgn w^ff en hielt nye hair woort; Want teerst, dat m in mi qnam, Seide ay my wat ay Temami Mer ai aeit my in stilhe teyken , 16 Mede aeide ti my tnlck litteyken. 6-20 Ende hoe dat ti claechden dat ty Te Tori waren onbedwongen , Inde riepen op €ode , myt Inder tongen* Dat hi hem gare enen heer, Diete bedwonge na sgnre geer. 5 Want ten doooh geen meent tonder DH waa alder paden tanck; (dwanck. Ende God die dede hair begeer, Eode tette hem enen heer. End teynde hem enen oderader, 10 Die Tortlant ende Terbeette algader, In allen ateden, dair hi te Tant, Wast te water off opt lant. Y* 2205 Soe, zy. — SSOQ Zoo yertelde zy het my dadelyk. — 2297 Ne waer y doch. — 2298 Lijotehine, teeken, waerteeken, merk, he- duidenis. — 2S01 F'are, Trees. — 2805 Pude, pniden, kikyorschaii. — 2S09 Gecrai, geroep; Tan kraien, craieren. Yai. tt06 y* 5 Geer, begeerte. — 6 Want geen gemeente deogt zon- der bedwang. 94 REINAERT 2315 Tenen tide yan den jare, Ende sende hem den conine Oderare , Die se verbeet ende verslanc In allen landen , daer hise vant , Beide in water ende in Telt. 2320 Daer hise yant in «ine gewelt Hi dede hem emmer ongenade. Doe claechden 8i : het was te spade. Het was te spade ; ie segga twi ? Si, die voren waren vri, 2325 Sullen sonder wederkeer Sijn eigin bliven emmermeer, Ende leven ewelike in vare Van den conine Odevare. Gi heren, arme ende rike, 2330 Ie vruchte ooc dies gelike, Dat [met u so] soude gevallen : Doe droegie sorge voor ons allen. [Here ,] dus hebbic gesorget voor u : Dies dancti mi lettel nu. 2335 Ie kenne Brune valsch ende quael, Ende vol van alre overdaet. Ie peinsde: worde hi onse here, Dan ontvruchtic harde sere, Dat wi alle waren verloren. 2340 Ie kenne den conine so wel geboren, Ende soete, ende goeder tiere, Ende genadich allen dieren. 28 Hel ynê ie spade te teggeo o wy ! 28 Onder horeo ovdenrader, óm oooliioiu 26 Ende niet en aohteD op iement drei|;en| 30 Ie docht al de» gelike. 26 Sijn ewelic tcalc ende eygen, 37 Dair om ontach ie hem leer, 27 Inde moeten bliTen ontelinck 38 Inde pejntde: word hi ona heer. V' 2S16 Odevare f ooivaer. Dezó fabel is ook te lezen in Lucas Dhurb, fVarachiige fahulen der dieren ^ bl. S7. — 2880 F'ruchtey yreeze. Yab. 2826 Scaky knecht. — 2827 Onselinck, ongelukkig; van on- laetde, onxaligheid, miseria, calamitas. Zie Scntnn Ghsear. bl. 1859. — 1828 Ouden vader, voor Odevare. EERSTE BOEK. 9& Het dochte mi bi allen dingen Ene quade mangelinge , 2345 Die on» ne mochte comen No teren, no te Tromen. Hier omme pijndic ende pogede, Mine herte grote sorge dogede, Hoe 80 erge ene sake, 2350 Dat so g^êcoort worde, ende brake Mijna yader bosen raet. Die enen dorper, enen Traet, Coninc ende here maken waende; Emmer bad ie Gode, ende maende, 2355 Dat hi den coninc, minen here, Behilde sine ivareltere. Bedi ie kende wel dat, Behilde mijn yader sinen scat. Si souden wel des raets getelen 2360 Onder hem, ende sinen gespelen. Dat die coninc worde yerstoten. In diepen gepeinse ende in groten Was ie dicken, hoe ie dat Soude vinden, waer die scat 2365 Lach, die mijn yader hadde yonden. Ie wachte nauwe tallen stonden Minen yader , ende leide lage , In menegen bosch, in menege hage. Beide in yelde ende in woude, 2370 Waer mijn yader, die listige oude. 45 Ikir oot altoos off tonde comen 46 Veel pioen, ende Teel onfromen. 47 Nanwe pijnde ie endepogede. 49 Hoe ie gedode enige xake, 00 Dair bi io sooorde ende bnke. 67 Her wel berroede ie elty t dat. 59 Hy tonde, myt tynen Taltcheo getpdeOi 60 Den raed Tynden ende telen. Y" 3S49y 2451 Hoe zulke erge zaek mocht worden gescbenrd, en aUoft gebroken wierd myns yaders boozen raed. — 2357 Bedt^ by dien, daerom. — 2S59 Zj zonden wel gemaekt hebben, dat hun raeds- bedag niet vnichteloos oitYiel. Geiden ^ YrucbtgeTen. — 3M6 Nauwe, met naenwgdetheid. 96 REINAERT Henen trac ende henen liep : Was het droge , was het diep , 3372 h. Wast bi naehte , wast bi dage , mie. Ie was emmer in die lage, Wast bi dage, wast bi nachte, Ie was emmer in die wachte. 2375 Op enen slont geviel , daer nare , «ItTniVi Dat ie mi decte met groten vare , Ende lach gestrect neven deerde , Ende van den scatte , die ie begeerde , Geerne iewet hadde vernomen : 2380 Doe sach ie minen vader comen Ute enen hole gelopen. Doe began ie te scatte hopen Bi den barate , als ie hem sach Driven [dal] ie u seggen mach : 2386 Want [doe] hi uten holen quam , Sach ic wel, ende vernam, Dat hi omme sach, ende merkedi. Of hem iemene ware bi ; Ende als hi niemene en sach, 2390 Doe queddi den sconen dach, Ende stoppede dat hol met sande, Ende maectet gelijc den andren lande. Dat ie dat sach ne veiste hi niet. Doe sach ie, eer hi danen sciet, 2306 Dat hi den steert liet mede gaen Daer sine vóete hadden gestaen , 72 Wat heet , cont , nat ofte diep. 79 Bair !c ^erae off had Teraomen. 76 Enen tiden lach ie in die eerde , 85 Want ie aen hem dit Ternam , 76 Ende wachte , alt die teer begeerde , 86 Dat hi natten hole quam , 77 Hoe ie beat weten eonde, 87 Al om tiende, mercte hy. 78 Dair ie den tcat geronde, 90 So beide hi went opten dach (tic). Y* 2S76 F'are, Taren; een bekend plantgewas. — SS8S Toenvrerd fldyne hoop grooter, om den schat te krygen. — ^tllU^^ Drwen, be- drjven, werken. — 2S87 Merkedi, merkte hy. — 2S90 Toen nam hy afiK^eid* Queddi, zeide hy. EERSTE BOEK. 97 Ende decte sijn spore metter mouden. Daer leerdic , an den yroeden , houden ^ Een lettel meesterlike Ii$te , 2400 Die ie te voren niet ne wiste. Aldus Yoer mijn vacfer danen Ten dorpe waert ^ daer die hanen Ende die yette hinnen waren. Teerst dat ie mi dorste haren, 2406 Spranc ie op , ende liep ten hole : In wilde niet langer sijn in dote, Ende ie genaecte doe te hant. Seiere scraeftüe op dat sant. Met minen yóeten , ende croop in : 2410 Aldaer yandie groot géwin ; Daer yandic silver ende gout: Hier nes niemen nu so out, Dies ie so yele te gader sach. Doe ne spaerdic nacht no dach, 2415 Ie en ginc tredcen ende dragen, Sonder karre ende [sooder] wagen, Oyer dadi ende oyer nacht. Met algader miére cracht. Mi halp mijn wijf ^ yrouwe Bertneline : 2420 Des dogeden wi grote pine , Eer wi den oyergroten scat Brochten in een ander gat, Daer hi het lach tonsen gelage. Wi droegene onder enen hage 2425 In een hol yerholenlike : 97-6 Ende decte tijn Toetttappen mitten Ende liep ten dorpe , om sijn generen , DH lecrd ie dair, tot dier ttonde^^monde. Om diet io niet en woud ontberen , (Ie: Aen mynen yaltclien ouden yader, Sprane ie op die^aert , ende liep ten bol* Die dese liste cond allegader, Oec so en wat ie doe niet dolle. 10 Daer ie te Toren off ne witte niet. 5 22 Brochten op een ander ttat. Hettien hi ^ran dane tciet , 25 In een hol ixk die eerde wel diep. V' %iOi Zoodra ik my dorst Terroeren. — 341S Dieê ie, die deB ooit. — !U20 Dogeden y yerdroegen. 18 98 REINAERT Doe was ie van scatte rike. Nu hoort , wat 81 hier binnen daden , Die den eoninc hadden verraden. Bnine , die bere , sendde uut 2430 Yerholenlike sijn saluut Aehter lande, ende omboot Al den grenen rijcheit groot , Die dienen wilden omme tsout : Hi beloofde hem silyer ende gout , 2435 Te gevene met milder bant. Mijn Tader liep in al dat lant, Ende droech des Brunen brieye : Hoe lettel wiste hi , dat de dieye Te sinen scatte waren geraect , 2440 Dies hem so quite hadden gemaeet. En ware die seat niet ontgonnen ^ Hi hadder met die stat Tan Lonnen Al te gader mogen copen. Dus wan hi an sijn omme lopen. 2445 Doe^mijn vader, al omme ende omme, SJ^v.*^'? Tusschen dier Elve entier Somme Hadde gelopen al dat lant, Ende hi menegen coenen seriant Hadde gewonnen , met sinen goude , 2450 Die hem te hulpen comen soude , 26 Biimeii deser tijt mijn Tader liep , Ende dat ti scier tot hem quamen , 27 Tottien den eoninc wonden Teiradeo ; Ende hair toudi te Toren namen. 28 Nn mogedi horen wat ty daden. 39-44 Hem tynen acat hadden genomen ; 30-34 Hair briere ende groot saluut Ja al had hem mogen vromen Aen aUen die toudi wouden wynnen. Al die wereH untten gronde , (den. Bruun die beer toudse soryren inne Hy en had dair niet een penninck Ton- 'V* 2427 Hier binnen, ondertosschen* — 2481 Ombooi, bood, be- loofde. — 24S8 Tsout, d'êoude, de soldy. — 2440 So, zy. — 2442 Met, mede. Lonnen, Londen. — 2448 Seriani, dienaer, soldaet. Vak. 2427 Tottien den eoninc, tot die den koning. — 2489 Y' 2 en 8 Al bad de gcbeele wereld bem te baet gestaen , toebeboord. In den onden prosadrok: « Ja, bad bem al die werelt nten gronde moghen werden. » Vergelyk V 962 bierboven. EERSTE BOEK. 99 Alse die somer quam int lani , Keerde mijn vader, daer hi vant Brune , entie gesellen sine. Doe teldi die grote pine . 2456 Ende die menichfoudege sorge , Die hi Toor de hoge borge Int lant van Sassen hadde leden , Daer die jageren hadden geleden Alle dagen met haren honden , 2460 Die hem yervaerden te menegen stonden. Dit telde hi te spele al gader. Daer na so togede mijn yader ^eve , die Brunen wel bequamen , Daer XII.® al bi namen 2465 Sheren Isingrijns mage in stonden, Met scerpen daeuwen , met diepen monden : Sonder die catte, ende die baren , Die alle in Bruuns soude waren , Ende die yosse , metten dassen , 2470 Van Doringen ende Tan Sassen. Dese hadden alle gesworen, Indien dat men hem te voren Van XX dagen gave haer sout, Si souden Brunen met gewout 2475 Seker wesen tsinen gebode. Dit benam ie al, danct gode! Doe mijn vader hadde gedaen Sine bodscap, hi soude gaen 5S^ Dair die jagen na hem reden 66 Kt tcerpen tanden myt widen monden. Kt haren honden alle dage , 73 Van drien weken haer toudi ; So dat hi nau ondroech die crage. 74 Si tonden comen geweldelic by, Dit telde hi den Tier feilen Terradere. 76 Tot Brunen , mitten eersten bode. Dafar na toenden hem al gadere 77-86 Kjn Tader ghino , na deter tale, Bmoen enen brieff, dair ti in Temamen. Totten hole na deten male , Y' S4B8 Gthden, Toorbygegaen; doch weUiobt moet men lezen be- ném, ab Rmnu sou doen gelooyen. — M61 Telde, Tortelde. — 2467 Bmreny beren. Yai, 58 V* 8 Zoo dathy naeuwlykadenkraeg, den hak, van daen droeg. 100 REfiNAERT Ende scouwen ainea scat ; 2480 Ende als fai quam ter aeWer atat , Daer hine gelaten hadde te voren , Was die scat al verloren , Ende sijn bol waa op te broken. Wat hoipe vele hier af gesproken? 2485 Doe mijn vader dat vernam , Wart hi serich ende gram , Dat bi van torne hem selven binc. Dus bleef achter Brunen dine Bi miere bebendicbede al. 2490 Nu merct hier mijn ongeval: Here Isengrijn ende Brune, die vraet, Hebben nu den nauwen raet Metten eoninc openbare , Ende arm man Reinaert es die blare ! » 2495 Die eoninc ende die coninghimie, Die beide hopeden ten gemane , Si leedden Reinaerde buten rade, Ende baden hem , dat hi wel dade , Ende bi hem w\|Ste sinen scat : 2500 Ende alse Reinaert hoorde dat Sprac hi : cc Soudic u wisen mijn goet , Here eoninc, die mi hangen doet? So M^aer ie uut minen sino^. » cc Neen Reinaert, sprac die coninghinne, 27, Ti 2359.] Dair ê^n acat hi wond bescouwen , Her doe ghinct tot groten rouwe f Want wat hi aocht, hi en Tant niet» Q Ende sijn hol hi al te broken siet, Ende a^n acat al wech gedragen. Doe dede hl, dfl^t ie lanc mach dagen, 93-94 Bi den coninp, ter hoochcter banok? Enn man KeyoAert ia tonder danck. Ende ie heb mijn Tader begOTen, Om den eoninc te behonden sijn leTen. W^aer sijn sy hier, die dat doen aeoden , Hem seWen te Tetdonreo om hem te bon- 2 Den coninck , die my hangen doet.(den? 3 Om dat Tenadera eiide mordeoaren Hit langen tongen my willen beawwen^ So waer ie ummer uwt myn sya. V' 3486 Serioh, treurig. -- 3488 Op die wyze bleef de tdtsk yan Bruin (zyn aesslag) Bonder gevolg. — 3492 Nameen r^ef, ongen, ge- heimen raed. — 2494 En de arme Reinaert moet op de hhren , op de bleinen , «itten. Gtnn verstond het woord niet. EERSTE BOEK. 101 2505 Mijn here sal u laten leven , Ende 8al u triendelike vergeven Alle gad^ sinen evelen moet , Ende gi sult voort meer sijn vroet Ende goet, ende gehouwe. » 2510 Reinaert ^rac: « Dit doe ie, vrouwe, Indien dat mi de conine nu Vaste gelove , hier voor u , Dat hi mi geve sine hulde , Ende alle mine broke ende sculde 2515 Wille vergeven , etade omme dat So willic hem wisen den écat , Den conine, al daer hi leget. » Die conine sprac : « Ie ware ontweget , Wildic Reinaerde vele geloven : 2520 Hem e8 dat stelen ende dat roven Ende dat liegen geboren int been. » Die ooninghinne sprac : « Here , neen , Gi moget Reinaerde geloven wel: Al was hi hier te voren fel , 2525 Hi nes nu niet dat hi was. Gi hebt gehoort , hoe hi den das Ende sinen vader hevet bedregen Met moorde , die hi wel betegen Mochte hebben andren dieren , 2530 Wildi meer srjn argertieren 9 ftide mtjii heer weten éltoot getrouwe. 19-19 Inde alle aentichi wU vergeven , So w«rt Bje ceninc, In tinen leren, Sa liiok, aU ie hem mtkea ul^ Want die scai ia sonder getal , Die 10 hem wiaen sel , aldaer hi leil: Dair toe to bin ie al bereÜ. Die conine tprao: iWildiEeynergeloTen. Y' 3507 Siftem eveh» moet f xyn eayelmoed» gramschap» waer hy ten uwen aenzieu in geweest is. — 2S09 Gehouwe, verknocht. Zoo zeide «en: Iemand kouw a» geénmw zyn. — 2514 Broke, brenken, wets- ▼erbrekingen. — 25^8 Ontweget, ontwegd , buiten den weg geraekt , devimêue, fr. fonrroyé. — 2528 Betegen... hebben, aengetygd, aenge- wrevcn hebben. — 2680 Argertieren, kwaedaerdig. 102 REINAERT Ofte fel, ofte ongetrouwe. » Doe sprac die conine : « Gentel vrouwe , Al waendic dat mi soude scaden , Eist, dat gijt mi dorret raden , 2535 Sowillict lateneen grient, [Ende] dese yorwoorde ende dit covent Op Reinaerts trouwe 8taen : Ne waer, ie segge hem^ sonder waen, Doet hi meer archede , 2540 Alle die Item ten tienden lede Sijn beknot , sullent beeopen ! » Reinaert sach den conine belopen, Ende wart blide in sinen moet, Ende sprac: « Here, ie ware onvroet, 2546 Ne gelooMic u niet also. » Doe nam die conine een stro Ende yergaf Reinaerde algader Die wancost Tan sinen vader, Ende sijns selves mesdaet toe. 2550 Al was Reinaert blide doe Dat en dinct mi geen wonder wesen : 33^ Die coninck tprao : « wttdiji , ttou , Mer ie tweer hem dat , by mijnre croon, Ende wildijt TOOT n bette reden? Weert dat bi nmmer meer mytdede. Al waendic dat my tonde tcaden, 45 Seide ie waer ten waer alto. Ie wil dete braken ende getwi 48 Die ongunst mede Tan tinen Tider, Van Reynaert nemen al op my, 5 49 End Tan hem teWen oec alto. Ende geloTenttijnre woorden tohoon; 52 Want hi wat Tander doot geneaen. V* 2582 Geniel, gente, jente, nog in Ylaenderen gebruikelyk; fr. gentiUe. — 2535 Op u genetU, op nwe genendiigheid , op het geen gj u laet voorstaen, aueum, rieioo. — 2586 Cóveni, fr. conyention» — 2541 Beland, aanbelangd, Terwand. -^ 2542 Belopen, o^erloopen, door list oyermand. — 2546 Een siro. De overgaef van een stroohalm was eertyds by ons een symbolnm van onteigening, oyerdraoht, schen- king , enz. De koning Tolgt hier dit gebmik tot genadeschenking , en Reinaert een weinig yerder tot afstand Tan synen schat. Zie daer oret Raifsait, Analyse, l, p. 857, en Ganoi's BaolUêfdUrtkiÊmer, bl. 121 en volgende. Vab. 88 V' 4 Geiwi, Terdeeldheid , strydigheid met de wet. Van tmi^-en komt hci$t, twee, enz. EERSTE BOEK. 103 Ja ne was hi Tan der doot genesen. Doe Reinaert quite was gelaten , St^lia \ Was hi blide utermaten , 2555 Ende sprac: cc G>nmc, edel here, God moete u lonen al die ere Die gi mi doel^ ende mijn Trouwe: Ie secht u wel , bi miere trouwe, Dat gi mi Tele eren doet, 2560 So groot ere , ende so groot goet, Dat niemen nes onder die sonne , IKen ie alse wate jonne Mijns scats ende miere trouwen , Als ie u doe, ende miere Trouwen. » 2565 Reinaert nam een stro Toor hem Ende sprac : « Here conine , nem , Hier geTe ie di op den scat Die wilen Ermeline besat. » Die conine ontfinc dat stro , 2570 Ende dancte Reinaerde so , Als quansijs « dese maect mi here ! » Reinarts herte loech so sere, Dat ment wel na an hem Temam Hoe die conine so gehoorsam 2575 Al gader was , te sinen wille. , Reinaert sprac : cc Here , swiget stille ; Merket , waer mine redene gaet : hit Oostende Tan Ylaendren staet 57-60 Ende mijnre Trouwen , die gi my doet. Mijnheer, tprac hi , wflt ontfaen Ie tel dair om dencken , ben ie vroet , Mijn acet hiermede ; want icken o rry, 5 Inde n dea dancken hogelijck Ende daerlic dair off Terty, Dat giboren aOen heren aelt wardenrijck. Die wilen Ermeline beaat. • I 63-72 Myn acat, ala ie doe n betden. • Die oooinck namt atro ende dancte hem Doe nam hi een atroo op Tan des heiden, Met bliden aenaohgn ende tto. (dat fiade boot dat den conine laen : Doe loech Reynaert in hem aelren ao. Y' 3552 Immers nu was hy Tan het 'geraer des doods ontslagen. — 3557 Mifn vrouwe , namelyk de koningin* — 3571 Ab of hy kwan- suis seggen wilde : Ziet dexe maekt my heer en meester Tan syn goed ! Vai. 3568 Y* 6 F'eriy, OTerdrage , OTorstelle. 104 REINAERT Een boech , ende keet Hulster lo. 2580 Goninc, gi raoget wesen vro, Mochti onthouden dit: Een borne heet Kriekepit Gaet suutwest niet verre danen : Here conine, gine dorft niet wanen, 2585 Dat ie u de waerheit iet misse : f Dats een de meeste wild^nisse , Die men hevet in enich rtke. Ie s^fg^ u ooe gewaerlike. Dat somwiien es een half jaer, 2590 Dat toten home eomet daer No weder man no wijf, No creature, die heyet lijf, 80-93 Sijn rechte naem it alto : Dair en comt ^ff noch man Pijnt u wel tontboaden dit. Dicke in enen haWen jaer, Een water, heet krieken pit, So grote wfldemit i» daer; I Het ataet dair bi , niet ver ^an dan : Sonder die nnl ende tcanArat. Y* 2570 Huhterlo. Deze plaets staet op de lyst der Pelgrimagien in het zoogcDaemde Wiüê'boek, ter archiyen Tan Gent (CAimAiiT's Bf- dragen, b1. S56). Men beCaeUe voor een bedeyaert Tonaer F^rouwen te Hukterio yyf schellingen, eyeneens ak Toneer Vnmwen te Mirem, ten Rodenberghe, en te Sente Anthonü te Bureheke; waemit ik besluit dat de afstand Tan Gent slechts zes of zeven mylen gaens kan zyn geweest. Een groot bosch tusschen Beemem en PVildenborg , tegen de vaert op Bmgge, heet Hulsterho, en dit bracht mj aenvangelyk op het yermoe- den , dat de dichter van dezen, vniden oord liebbe gesproken (Meesager dea Arts et dei Sciences , I, p. 850); doch de hier achter op Y* 2665 aengehaelde Charter van het jaer 1186, met de daerin vermelde woes- tyn (Conegesfurst), bosschen, en moeren, maken het my nu hoogstwaer- schynlyk, dathy een ander Hulêterha bedoeld, heeft, eertyd» gelegen by Kieldrecht , en alvraer men in de dertiende en den aenvaag der veer- tiende eenw te bedevaert ging. Zie hetzelve op de kaerten by Sardrus , lil, p. 256 en by WAiifKoiNiG, deel I. — 2582 Een viraterbron, een virater, dat men KriekepmiheeU Rinnu stelt krekelput, wat eigenlyk het zelfde is ; want men zei krieher of it^kel (Kiuahi op Krieker). Miaschien wel de krekêy op de kaert by SAimnüS aengeweicfn. De hoogdnitaohe prosa heeft kreckeWlut. r— 2584 Heer koning, gy moet niet denken^ EERSTE BOEK. 105 Sonder die ule entie tcuTuut , Die daer nestelen ia dat cruut, 2595 Of enich ander Togeüjn Dat daerwaert ^^eeme wilde sijn , Ende daer die ayonture Udet : Daer in leg^et mijn scat geludet. Yerstaet wel ditte^ tea u nutte: 2600 Die stede heliet iCriek^utte. Gi sult daer ^en^ eode mijn yrouwe. Ne wetic ooc niemese so ^trouwe , Die gi soul laien wesen u iiode , Yerstaet mi wd, conine, dcH* Gode; 2605 Maer gaet ilaer selve ^ ende ake gi Dien selrea putte eomet in , Gi sult vinden jonge berken , Here conine , dit suldi merken : Die alrenaest den putte sCaet, 2610 Conine, tote dier heii^en gaet: Daer leget die scat onder begraren. Daer suldi delven ende scrayen Een lettel mos in deene side: Daer suldi vinden mennich gesmide 2615 Van goude, rikelijc ende scone: Da^ suldi vinden die a*one, Si-2600 Heer, daer leit die tcat gehuut. Tit a nat TertUen wel dit. Die itede die heeft Kriekenpit; 4 Want io a «cade 41^ node. Y* S508 Scutmui, schaToit^ bubo, fr. chouette. — 2597 En aldacr het geTal doorstaet. Liden is doortrekken. — 2598 Gehidet, in den prosadrok hehuyi, van behoeden ^ doch hier meer eigenlyk vencholenf engebch hidden; yan to hide. — 2606 Pu^e. De latere prosadrok noemt het een water, geheeten F'erlore» dal. • — 2614 Geemidey sie- raed ; Tan smeden; meest al küakende w^ter. Aldus in den Miserere Tan Li RicLus de Mouiiis, Tertaeld door Qnua TiUi Holbih (bladz. 168 Tan myn H. S.) : • . • Dat clincken dijns gesmijds Deert mi : wien eest datta ben^ds Edelman, die mi dorper noemt? 14 106 REINAERT Die Ermelinc die conine droeeh, Ende ander chierheit genoech, Edele stene, gulden werc: 2620 Men cocht niet omme dusent merc. Ai conine , als gi hebt dat goet ^ Hoe dicken suldi peinsen in uwen moet : Ai Reinaert, gelrouwe vos, Die hier groeves in dit mos , 2625 Desen sc^t bi dijnre list, God geve di goet , waer du bist ! » Doe antwoorde die conine saen: m^vTjowI « Reinaert , sal ie die vaert bestaen , Gi moet sijn mede in die vaert, 2630 Ende gi moet ons, Reinaert, Helpen den scat ontdelven. Ie ne wane bi mi selven Aldaer nemmermeer geraken. Ie hebbe gehoort noemen Aken 2635 Ende Parijs, eist daer iet na? Ende ako, ak ie versta, 17 Die Ermerio droech, in uoen dagen; 27-30 Gbi moet mede aen onte T«ert Die toude Bmon hebben gedragen, Sprac die conine, heer Reynaert. Had tynen wil mogen getcien. 33 Nummer meer connen geraken. Ghi telt dair mennige tfierheit üen. 35 Paryt, Kolen ende Duwa; 20 Die weert t^n mennich dutent merck. 36 Mer, alto ie my Tertta, Y' 2618 Chierheii, sieraed. — 2684 Ie hebbe gekoori noemen Aken, en%. In den duitschen prosadmk, bl. 145, zegt de koning: u Ich hab manches Land durchreiset , abcr Flandern ist mir gantz nnbekandt. » Daer en tegen in de latynsche oyerzetting : Tot urbiom praestantium Audiyimas cognomina, Antverpiam^ Coloniam, Bononiam, Lntetiam Romamque mondi principem. De oude Hollandscho prosadnik noemt ook nog ZierkMee. Yai. 3685 Duwa, Donai. EERSTE BOEK. 107 So smekedi, Reinaert, ende roemt. Kriekepulte, dat gi hier noemt , Wanic, is een geveinsde name. » 2640 Dit was Reinaerde onbequame, Ende rerbalch hem , ende seide : « Ja , ja , Coninc , gi sijter also na , Alse Tan Cohie tote Meie; Waendi , dat ie u die Leie 2645 Wille wisen in die flume Jordane? Ie sal u wel togen , dat ie wane , OcM*conde genoech, al openbare. » Lude riep hi: cc Cuwaert, comt hare, Comet Toor den coninc , Cu waert ! » 2650 Die diere sagen dese vaert; Hem allen wonderde, wat daer ware. Cuwaert die ginc met vare : Hem wonderde, wat die coninc woude. Reinaert sprac: cc Cuwaert, hebdi coude? 2655 Gi beyet; sijt blide al sonder vaer, Ende secht minen here den coninc waer, Dies maent hi u , bi der trouwen Die gi sijt sculdich miere vrouwen , 37 So tpoi gi mit my ende u droomt. Hem wonderde wat die coninc woude. 41 Hy Tentde hem ende tprac : « Ja , ja. Reynaert tprao : « Kuwaert hebdi coude ? 43 AU Tan Romen tot Yaleye. Hoe beefdi to? hebt genen Taer. 40 Ie ad u brengen uuten waen. SM6 Die gi mynen heer ende mijnre troo- fi0-ft5 Die dieren ngen al derwaert: Sculdich ujt, Tan det ie ^nrage^ (wen y* 2687 So ifHêkedij sck) smeekt gy ; xoo tracht gy my op eene tIcI^ ende wys te bedriegen. Roemi, blaft. — 2648 F'an Colne Mê meiê, yan Kenlen tot (in den) mei; spottenderwyze gezeid, gelyk in den Rei- narduê, bl. 1 15 en 288 : Inier pascha Remisque feroTf en Intêr Cluniaoum ei êOHcH fe$ta Johannis ohü. Zoo hoorde ik een Yalencyner een sprook- jen Tcrtellen en zeggen : Cela s'esi passé enire Maubeuga et h Penteoóte. In den onden prosadrnk staet: F^an Romen tot meye. — S645 Die flur- me Jordane y de Jordaenstroom. Zoo Teel als : Meent gy, dat ik u van de ririer de Leye een Jordaen wil maken? — S646 , 2647 Ik zal u^ naer ik denk , getuigen genoeg aeawycen. 108 REINAERT Ende die ie den coninc seuldich bem. » 2660 Doe sprao Reinaert : c< So sethl hem : Weetstu waer Kriekepulte steel? » Guwaert sprac : « Of iet weet? Ja ie, hoene ^ov/k ytesen so? Ne staet hi niet bt Hulsterlo ^ 2665 Op dien moer, kt die wóedtkie? Ie hebber gedo{(et grote pine , Ende menegen hoo^r) ende menich coude , Ende armoede so menichfoude j Op Kriekenputte , so menegea dach, 2670 Dat ics vergeten ni^t ne iHach. Hoe mochte ie vergeteii diea, Dat aldaer Reinout de ries k\ toad my gten aen mijn enge, Dat arentuerde ie, eer iet loge. c Gbi hebt my gemaent alto hoge Hf Bider tmwen, die io hem, Mynen heer ende mijn Trav, tculdich Sprac Kuwaert , itt dat iet weet (ben , So tegt hem. » « Weei gi yei wair af eet Kriekenpit ; itt a yei cent ? » 10 • Ie wist wel OTer XII jaer waert atont : Sprao Knwaert, hoe Traechdi ao? Het ataet int boach fan Hulaterlo, Op dW warand , in die woeatgn. 67-70 So me nn i ge n honger ende dorat Hagel , snee , ende grote Toiat^ Dat iet node tonde vergeten : Mr en waa te hilen noch te eten. 72-74 Symonet die rike vrieaa Plach dair ttlaen tyn Taltche geit, y* S668 Ja ik; hoe zoadt anders? — 2665 Op dien moer. In eenen giftbrief Tan Dierk ran den Ekas, Tan het jaer 1186 (Mibaii Dipïom.^ I, p. 177) wordt aen de abtdf Tan Drongen afgestaen: Locum qnendam êoorm religumi congruum tnfunde PFasicB aiium, in$er êiham qum didtmr Conegesforst, e^ viüam Bardamara, fitmc Salechem tm^ nominaf m m; en TerTolgens: lUum locum qui dicUur Halste^loe, cimi» eilvie ei Moer, et praiis , ei paeeuie, [ei eeierie appendieüê inter frméuM loca eiiiê. Zie ook Bog Bfn^irs, I, p. 104. — S67S Rnnemê de riee, in Ruitikb Syw^o- nei de krwmme^ en in de ktynscho Tertaling Syivime ttireque gnêiu ehtndwoHê. De ovde proia maekt er e«n paier Symonei de Vriee Taii. Tai. S688 Y' 8 en 6 Ghi hehi my gemaeni bidet iruwen. By reditage- diügeü teide de Baljaw : Ik maen u by der irouice die gy venchuidigd xyi, enz., en daer op werd geomtwoord: By dér irouwe die ik vei^ êchutdigd ben mynen heere %oo %eg ik, enz. De a&chryTer Tan het Gom- burgsobe handschrift heeft dit antwoord Tan den faaes tnsschen y* S658 en !M80 OTorgeslagen. — H, Op die toarand. Hetgeen men in Bra- EERSTE BOEK. 109 Die Takche peimiii|fe sloech , Daer hi bem mede bedroech 2675 Entie geseilen sine? Dat was te Toren , eer ie met Rine Mijn geselseap makede yast , Die mi gfequijtte menegen last. » « O wi, sprac Reinaert^ soete Rijoy 2680 Lie^e geselle , seooe bondekijn , Yergare God y waerdi nu hier, Gi sout l^en weder dese dier. Met uwen tone, ^jii? waers te doene, Dat ie noint wart »o coene , 2685 Dat ie ene^ saken dede^ Daer ie den oonine moehte mede Te mi waert bdgen doen met rechte. Gaet weder onder gene knechte ( (Sprac Reinaert)) haesteUc, Cowaert, 2690 Mi}u hene de conmc ne heeft tuwaert Geene sake te sprdiene meer. » Guwaert dede enen wederkeer, Ende ginc van sconinx rade daer. Reinaert sprac : erg0 meoichfout fi5 Om njn tooen te gewynnen. Te treden, over atniuck over steen. 66 Hi tprac totter coninghinne. Gy en moget hebben tcboen en geeo 60 Wond hi my twee dair oiff doen. Die u waren bet te maet ; 72-80 Gy en hebt tcoen gemaect Tan eren , Want si syn Tast ende dick , boet gaet. Y' S849 F'ehpoi^ een spot yek. Spot is hetgeen men in Braband pUA heet, en in Honaod een vlak of vhk, — 2856 Hi ruunde^ hy raindei hy fluisterde. Zie Kil. op Ruynen. — 2(861 Pkcht, yerpleging, xorg. — S865 Gy kont uwe siel aen my schoeien , op óie wyse schoeit fgj n leWen op den weg aoor den hemel; eene stoute maer iraeio figmer* — S869 Soê, %Y, namdyk Hersinde. — 2872 In deê Godt gewoHi^ mei Aem wille Gods, è la garde de Dieu. EERSTE BOEK. 117 2875 Ende.terden ttrake ende atoie: Diaen arbeit wert niet dene, Hets diJQ noot datta hébs scoen; Ie wilre geeme mijn macht toe doen. Die Inn^jns waren u wel gemidce : 2880 Si sijn so TaMe ende to dicbe^ t9ie Isingrijn draget ende sijn wijf: Al 80ut hem gaen an haer lijf, Elkerlijc moet u {^even twee scoen, Daer ^ u vaert mede moet doen. » 2886 Dus hcvet die valschc pelgrijn w*tl1ïi'] Bewonren , dat dher Isingrijn Al toten knien hevet verloren Van beide aine Toeten yoren Dat vel al gader, tolen ofaieuweD. 2890 Gine saecht noint vogel braeuwen , Die stüre hielt ai sine lede , Dan Isengrijn de sine dede, Doe men so jamerlike ontaooeide , Dat hem dat bloet ten teen af vloeide. 2895 Doe Isingrijn ontscoett was , Moeste gaen liggen ^p dat gras Vrouwe Hersunt, die wulfinne, Met enen wel droeven simie ; Ende liet haer afdoen dat vel , 2900 Ende die claeuwen also wel , Baohien vaa beide haren voeten. Dese -daet dede wel soeten 84 U hofpe bederaert mede te doen. 94 Dat bloet bem over die oren Tloeyde. 87 Al totten tenen beeft verloren. 1 Acbter fan baren moeien. 89 Dat Tel te tarnen mytten claeuwen. 2 Il« begonde seer te toeten. Y* 2875 Terden, terden, betreden. — 2879 PVaren u toel gemicke, loodan u juist yao pas komeD. Zie Hutbbcofke op Stoki, III , bl. 807. A^eid van AftUa», bedoelen* — 2890 Bramwm, eten opttopfon, als men aen duiven en andere Togels gewoon is te doen. — 2898 Men, vorsla: menn*, men beau — 2901 Bëokien^ acbter. VAa. 87 Zenen, xenawen; doch er zal moeten staen tenen. 118 REINAERT Reinaerde sinen droeren moet. Nu hoort, wat dagen hi noch doel: 2905 « Moie , seit hi , Uere moie , In hoe menn^fen Ternoie Hebdi dor mmen wiUe gewesen ! Dats mi al leet, sonder van desen Eist mi lief, ie segge u twi: 2910 Gi sijt, des geloTet mi, Een die liefste van minen magen : Bedi sal ie u scoen an drag^i. God weet, dats al uwe bate! Gi sult an hogen aflate 2915 Deelen, ende an al dat pardoen, Lieve moie, dat ie in u sooen Sal bejagen orer se. n Vrouwe Hersunden was so we , Dat soe cume mochte spreken: 2920 c( Ai Reinaert , God moete mi wreken , Dat gi oyer ons siet uwen wille I d Isingrijn balch , ende sweech stille , Ende sijn geselle Brune, te ware: Hem was te moede harde sware. 2925 Si lagen gebonden ende gewont. Hadde ooc doe, ter selrer stont, Tibert die cater gewesen daer : Ie dar wel s^[gen , over waer, Hi hadde so vele gedaen te yoren , 2930 Hine waers niet bieren sonder toren. Wat helpt, dat ie u maecte lanc? S$^^i,] Des anderdages, voor de sonne opganc, Dede Reinaert sijn scoen snoeren, 8 ihU mi leet, tonderlinok tbd deten. So dal hi niet en had ontgaen, '27-30 Aldaer geweest Tybert die cater, Hi en had accnd ende acaey ontfiMO. Hy had hem ooo gewannt een water, 83 Dede Eeynaert tyn tcoeoe ameren, V 2009 Twi, wawom. — 3012 Beü, daarom. — 2021 D4U gi, om dat fsj. EERSTE BOEK. 119 IMe Isingrijns waren te Toren , 2935 Ende sijns wijfe yrouwe Hersinden, Ende hadse yaste gedaen binden Om sine yoelen, ende ginc Daer hi yant den coninc, Ende sijn wijf die coninghinne. 2940 Hi sprac met enen soeten sinne : « Here , God geyeu goeden dach , Ende mier yrouwen, die ie mach Prijs geyen met rechte: Nu doet Reinaert geyen , uwen knechte ^ 2945 Palster ende scerpe^ ende laet mi gaen. » . Doe dede die coninc naesten saen Den capelaen , Belijn den ram ; Ende als hi bi den coninc quam Sprac die coninc: cc Hier es 2950 Dese pelgrijn; leest hem een gelet, Ende geyet hem scerpe ende staf! » Belijn den coninc antwoorde gaf: c( Here , in dar des doen niet : Reinaert heyet selye begiet , 2955 Dat hi es in spaeus ban. » Die coninc sprac: cc Belijn, wats dan? 34 Die Isec;riiiit te Toren weren. 40 Eode sprak myt bliden tbne. 46 Doe dede die coninc Tragen taen 47 Om den paep Bellijn den ram. 53 Lieve here , en derft doen niet; 54 Want hi teit aehe , of ghg t gebiet. Y' 29<46 Naeêten, naderen; 't zelfde als naeraen, Gai» las kaetien. — 5950 Een gehs, een les, een kerkgebed. — 2954 Begiet ^ bekend; van ^MM, begien, hegieden, bclyden. Aldus in Tatiaiu's Harmonia evangeli(H mm, cap. xur, N"* 22: « ADero gianelih thie mibbigihit, n Omni$ qui etmfitebüur me. Zie wegens dit woord GiArr , Sprach$chaiM , I , p. 581 en ti 2965 BeUjn sprac ten coninc ecbtt e ten tide dede , Als ie clusenaré was{ 3070 Hebdi loTeren ende gras , Gine doet negeenen heesch Noch om broot npch om Tieesch ^ Noch om sonderlinge spise. » Met aldus gedanen prise 3075 HcTet Reinaert dese II yerdoort , Dat si met hem gingen TOort , Tote dat hi quam Toor sijn huus , Aen dat casteel Tan Maupertnus. Alse Reinaert TOor de poorle quam , i^^^^^,] 3080 Doe sprac hi : « Belijn , ncTC ram, Gi moet allene buten staen : Ie moet in mine Teste gaen. Guwaert sal in gaen met mi. 67 Geettelio ende Tan goede xede: 71 Ghi en geeft niet meer om nwen eytch. 68 Ghi leeft beyde alt ie dede. 74 Met duadanigen geprise. V' S0ft7 Somêm, MHaaiige. — tWtB^i voort, tevder.-^Mti FFan^ delingen, wandel, Terkeer. — 2065 Onbero^wn, oabeiproksa. — S87S Heesch, eiich, yorderiag. -/jgwj>«w otjïifdl txMt m A)>ert«int« Il J^A ptttchtitettgWrSiit&gniimt \ 1 » * EERSTE BOEK. 125 Here Belijn , bidt hem , dat hi 3085 Troo8te wel yrouwe Hermelinen , Met har^i clenen welpkinen , Als ie oriof an hem neme. n Belijn sprac: c< Ie bids heme, Dat hise alle trooste wale. i> 3090 Reinaert gine met scoonre tale So smeken ende losengieren In 80 menegen manieren, Dat hi bi barate broehte Guwaert in sine hagedochte. 3095 Als si in dat hol quamen , Guwaert ende Reinaert tsamen , Doe Tonden si vrouwe Hermelinen Met haren clenen welpkinen , Die was in sorgen ende yare ; 3100 Want soe waent, dat Reinaert ware Verhangen , ende soe vernam , Dat hi weder Auuswaert quam , Ende palster ende scerpe droech ; Dit dochte haer wonder genoecb. 3105 Soe was blide ende sprac sten : « Reinaert , hoe sidi ontgaen ? » 86-6 Mit haren kijnderen ende die mijn, Ende dien anzt lan ReynaerU doot ; Alt ie aen haer geen oorlof bal. i Her nn to wat hair blitcap groot Bellijn iprac: « Ie bid hem dat Boety hem aach alto incomen ; Dat hiie nmmer troost doch waeL • Mer alt ty heeft die terpe vernomen , IS Ende Reynaert myt tchoenre tael, 6 Ende die paltter ende die tcoen, Mit tmeken , ende myt flatteren , Doohtet haer een ^rreemt doen , So dat hi tot tijnen oneren Ende tprac : « Liere Keynaert fegget my In tgn hol leyde Kuweerd. Hoe it u Tergaen die Taert? • Dair vonden ty leggen op die eerd « Ie wat , tprac hi , in thoff gegaen ; 20 Vrou ErmeHjn, by haren jongen. 10 Her die ooninc liet my gaen. Die xorge hadtte teer gedwongen , Ie moet warden pelgrijm. V* SOOS Losengieren, bedriegen; met hos verwand, in het oud franscli icmmgier.' Zoo hadden wy ook een werkwoord leedenffierm , leed doen, fir* Imitmffiers en liedaer het iaidin^ridetue , door myn geachten yriend |irof. XiTBÉ onverklaerd gelaten, in cyne nitgave Tan hei Lewn ffon JeiU9. Yergelyk hierachter den franschen Renariy V» 10607. ns REINAERU V >■ « Ic bem worden ^pèlgprjjn. ^ Here Bmne ende here Isengrijii Sijn worden gisele orer mi : .3110 Die coninc heret , danc hebbe hi , Cuw jierde gegeven in rechter 8oene ^Al on»en wille mede te doene. Die coninc die liede das , • Dat Cuwaert die eerste was , 3115 Die ons yerriet jegen hemi Ende bi der trouwen, die ic bem Sculdich u, Trouwe Hermeline, Cuwaerde naket ene grote pine! Ic bem op hem met rechte gram. i> 3120 Ende alse dat Cuwaert vernam, Keerdi hem omme, ende waende rlien; Maer dat ne conste hem niet gescien; Want Reinaert hadde hem ondergaen Die poorte, ende gegrepei^ saen 3125 Bi der kekn moordadelike. Cuwaert riep doe : c< Genadelike Help mi, Belijn, waer sidi? Dese pelgrijn verbijt mi! x> Dat roepen was sdere gedaen, 3130 Bedi Reinaert hadde saen Sine kele ontwee gebeten. Doe sprac hi : « Nu gaen wi eten Desen goeden vetten base! » Die welpkine liepen ten brase: 3135 Ende gingen eten al gemene. Haren rouwe was wel clene, », 18 Die conino gelidet télTer dtM. 20 Alt Kowaert die teel Teniaiii. 27 Doe riep hi herde 28 Deee pelgrim moert my! 34 Die Jonge welpen liepeo te «e. 86 Heer leest en wm niet olene; y 811S Die liêdê d4u, die bdydde, bekende dit. — SIM Bêüf .Termidf. — S184 Sram, bras; om te braisen. Geatbi leest bmm; wÉt door bê-oêimg, yan oêen (yoeden) te TerUaren soa lyiit Vergelyk den tol Tsn het Hollandsche handflohrift. EERSTE BOEK. 127 Dat Cuwaert hadde verloren tlijf : Ermeline, Reinaerls wijf, At dat yleesch, ende^dranc dat bleet. 3140 Ai, hoe dicke dancte soe goet Den coninc , die dor sine doget Die clene welpkine hadde yarhoget ;^ So wel , met enen goeden male. : ' Reinaert sprac: « H$ jans u wale: 3145 Ie weet wel, moet die coninc leven , Hi soude ons geerne giften geren , Die hi selre niet ne woude Hebben , om VII mare van goude. » « Wat giften es dat? » sprac Hermeline. 3150 Reinaert sprac: <( Hets ene line , Ende eene vorst , ende twee micken ; Maer magie , ie sal ontscricken , Hopic , eer Uden dagen twee , Dat ie ^iqme sijn dagen mee 3155 Ne gave,\lan hi omme tmijn. » Soe sprac : « Reinaert , wat mach dat sijn ? » Reinaert sprac: « Vrouwe , ie secht u: Ie weet een wildernesse nu Van langen hagen, ende van heede, 37 Want Kuwart bad een vet lijC Hoe gi van daen gecomen sijt! • (vlijt 40-6 Den coninc bad ty dicke goet « Vronw, ie beb gebuuft den coninc myt I^at biae to Trel bad Terbuecbt. Ende tijn wij ff die coninghinnei 10 Keynaert tprac: « Eet dat gi muecbt, So dattie Trientacap it seer dinne Hy tela genoecb Toor ont betalen. % Tntscben ont , dat weet ie wel , Hy eo, geert niet bet dan wyt balen. ■ 5 Ende nocb crancker wesen ael. Si aprac: « Reynaert gi spot, ie waen : Ak bi Tan alt wet dat waer. Doet my die waerbeit Terttaen, Hy ael my baeatelic Tolgen naer, 15 s- V' S144 Hi jam uwale, hj gnnde het n wel. — SlKl Font, bo- Tentte dwarsbalk, eulmen; hier gezeid van de galg. — 8152 Oniêene- hen, ontspringen. Zoo legt men noch in Vlaenderen averêohrikkelen, voor iwervIsMi. — S154 Dagen, nitdagen. — S159 Waer men hoog gewas, heggen {haeg en heg is 't xelfde), en heidegrond heeft. Rhhbki tegt: fVy moien hen in Swavenlani. Yai. 2140 V* 5 Hy en geert niet bet, hy begeert niet beter. '^ 9 Ge^ huuft, gehuifd ; een huiye opgeset. — 11 Dinne, dan , gering. 128 REINAERT 3160 Ende die so nes niet OBgereede Van goeden Uggene ende yan spisen : Daer wonen hoenre ende partriten, Ende menegerande yogeline. Wildi doen, yrouwe Ermeline, 3165 Dat ff, gaen wilt met mi daer, Wi mogen daer wonen VII jaer Willen wi wandelen onder de scade, Ende hebben daer grote genade, Eer wi worden daer bespiet. 3170 Al seidic meer, in loge niet. » cc Ai , Rdnaert , sprac vrouwe Hermeline , Dit dinct mi wesen ene pine , Die al gader ware verloren : Nu hebdi dit lant versworen Ende «el my hangen , kan fai my krigen; Dair om wil ie Tan hier gaen Tigen In een tchoon ander foreett: Dair mogen wi weten ongevreett Seren jaer ende meer nochtan , 20 Eer men ooa dair Tynden can. Dair it planteit van goeder tpiten; Dair tijn snyppen ende patryten , Ende Teel ander TOgel wilt. Yroow, op dat gi myt wilt, 25 Ie wil myt u beataen die Taert. Dair tijn fonteyn Tan xueter aert, Snde lopende beken, achoen ende daer. Deua, wat tueter Incht it daer! Wy hebben dair gemac ende Trede, 90 Ende leren in groter weelliohede ; Want die coninc liet my op dat Gaen , dat ie hem enen tcat Wytde al gynder op Kryekenpit, Her hi en Tynter dat noch dit, 86 Al tocht dair oeo nmmermeer. Dit tel hem toornen olte teer Ak hi hem dot TÏjnt bedrogen. Wat waendi, hoe menige tcoon logen Brooht io Toort eer io ontginck : 40 Het wat nan dat hi my niet en hinck. Io en leed nye meerre noot , Noch en creech ie anxt to groot. Y' %\W Onger^ede, onroonien. — S167 Scade^ schadawe. — S168 Genade, nst'j aU hierachter Y" S465. — S174, S177 Gy hebt het land waenran gy my spreekt ook afgezworen , en kant daer niet gaen woo- nen; immers, zoolang gy niet over zee zyt geweest; want gy hebt palster en scharpe aengenomen. Y4i« S140 Y' 17 F'igen Dit woord, hetwelk ik elders nooit heb aenge- troffen y zal yermoedelyk eeneriei zyn met vyen, anglo-saxiseh figtm, onddoitsch figen, dat is, vyand-zju. Zie het Gioêêorium van WACim, op Fien. Reinaert loa dos willen zeggen : Laten wy onze veete in een ander oord gaen doorstaen. — 22 Pianteii, OTeryloed. — 26 Op lisl gi myf wili, indien fgj mede wilt. — ^^ Op dai, op die yoorwaerde« «— 41 Te naeuwemood ontging ik het hangen. EERSTE BOEK. 129 3175 Ia te wonen nemmerme, Eer gi comt oyer 3e, Ende hebt palster ende scerpe ontfeen. » Reinaert antwoorde vele saen: cc So meer gesworen , so meer verloren : 3180 Mi seidet een goet man hier te yoren In rade , dat hi mi riet. Bedi ne geene trouwe diedet niet. Al Toldade ie dese vaert , En hoipe mi niet (sprac Reinaert); 3185 In waers een ei niet te bat: Ie heb den conine enen scat Beloyet , die mi es ongereet ; Ende als hi des die waerheit weet , Dat ie hem al hebbe gelogen , 3190 Ende hi bi mi es bedrogen , Alfl 10 dair Toor mijn ogen lach. Het Terga my boe dat mach , 45 Ie en laet my niet meer dair toe raden , Te comen in des coninct genaden. Ie heb mgn duom mit tynen mont: Danck hebbe mijn tubtilen vont ! » • Ie en rade ons niet , tprac Ermelijn,50 Te Taren in een ander woestijn, Dair wi ellendioh ende yremde weren; Wy hebben hier al ons begeren , Inde gi xijt meyster uwer gebueren. Wairom wouddijt dan aventuereni 55 Ende nement quaet ende latent goed ? Wy mogen hier leren in sekerre hoed: Onse borch is goet ende Tast. * Al wond ons die conine doen oTerlast , Ende hi ons myt machte beiate, 60 Hier sijn so veel udelgate Dat wi wel te tide ontrumen. Wy en mogen myt bÜTen niet Tersmnen, Wy weten die wege over al. Eer hi ons dan vangen sal 65 Hit crachte, dair sel Teel toe horen; Her dat gi hem hebt gesworen Dat gi selt varen over zee, Ende dair te bliven nmmermee Dats dair ie my aen stoot meest. • 70 « Neen, vrou, zijt dairom niet berreest : So meer gesworen so meer gelogen , Is my die gecomen voor dogen. Ie rade dair ie my mede beriet, Dat bedwongen ede en duden niet. 75 Y* 5182 Dns gedydt de troaw niet. De prosa heeft : « Ie beriet mi eens met eenen goeden man , die seide mi : Bedwonghen ede die en doden (lees dieden) niet, » YiLi. SUO V" 60 Besate, wilde bezetten. — 61 Zidelgate, zygaten, Ideine geheime deuren of doorgangen. In meest alle onze steden zyn benamingen van dien aert. Het woord b yerwand met bet engelsch Sfoie. — 75 Duden niet, beduiden niets. 17 130 REINAERT So sal hi mi haten Tele meere , Dan hi noint dede , eere. Daer bi peinsic in minen moet , Dat varen es mi also goet 3195 Alse dit bliren (sprac Reinaert); Ende Godsat hebbe mijü rode baert , Gedoe hoe ie gedoe , Of mi troostet mee daer toe No die cater no die das , 3200 No Bruun , die na mijn oom was , No dor gewin , no dor scade , Dat ie in seoninx genade Ne come , dat ie leye lancst : Ie hebbe leden so menegen anxt ! » 3205 So sere baich die ram Belijn , iflT^i Dat Cuwaert, die geselle sijn, In dat hol so lange merrede. Hi riep , als die hem sere errede : c< Guwaert , ( lates den duyel wouden ! ) 3210 Hoe lange sal u daer Reinaert houden? Twine comdi niet? ende laet ons gaen. n Alse Reinaert dit hadde verstaen, Doe gine hi ute, tote Beline, Ende sprac al stillekine: 3215 cc Ai here, twi so belgedi? Al Tolde « Neen hi (sprac Reinaert) ; hi sal u saen 3315 Volgen, bi desen selven pade: Hine heyet noch ne geene stade. Nu, gaet Toren met gemake! Ie sal Cuwaerde sulke sake Ontdecken , die noch es yerholen. » 3320 c( Reinaert, so bliyet Gode bevolen! » Sprac Belijn; ende dede hem op de Taert. Nu hoort, wat hi doet, Reinaert. Hi keerde in sine hagedodite Ende sprac: cc Hier naect ons gerochte, 3325 Bliyen wi hier, ende grote pine: Gereet u , Trouwe Hermeline , Ende mine kindre also algader. Yolget mi , ie hem u vader , 11-13 8o tel my aen de«er yaert , Eode haette êo toer tu Beynaert Nu wat radi , liera Keynaeii , Het lopen , dat hi Toor middach Sel Kuwaert mede te hoTe gaeo? Quam dair hi den coniao tach , 16 Hy en heeft na geen groot scade. In «ja hoff , myt «jn baroen. S 21-38 Sprao Bellijn, ende ghino te hoTe Die conino wonderde Tan den doeo. (waert, Y' SS04 Men $ak mi, By Gkimm staet: men sab u^ en Reinaert blyft daer Toortspreken toi V* ÜlO ; doch het HoU. handaohrift en de prosa syn hier Terkiedyker. — SSM Gerookie, sorg; Tan roekien, dat het- xelMe woord is met roeken. Zie Kiuahi op dit laetste. Myne Tartalinf : Grooi geruohi eiaei ons ie naken, waa derhalye onjoiat. EERSTE BOEK. 1^5 Ende pinen wi ons , dat wi ontiaren. » 3330 Doene was daer geen langer sparen : Si daden hem alle op die yaeri , Ermeline ende here Reinaert , Ende hare jonge welpidne : Dese anevaerden die woestine. 3335 Nu herel Belijn , de ram , So gelopen, dat hi quam Te hoTe, een lettel na middach. Als die coninc Belijn gesach, Die de soerpe weder brochte, 3340 Daer Brune die bere so onsodite Te Toren om was gedaen , Doe sprac hi te Belijn saen : cK Here Belijn , wanen comedi ? Waer es Reinaert? hoe oomt , dat hi 3345 Dese soerpe niet en draget? Belijn sprac: cc Coninc, ie maget U seggen , also iet weet. Doe Reinaert al was gereet , Ende hi ten casteel comen soude , 3350 Doe seidi hi mi , dat hi u woude Een paer lettren, coninc yri, Senden; ende doe bat hi mi, Dat icse droege dor uwe lieve. Ie seide: meer dan VII brieve 3355 Soudic dor uwen wille 'dragen. Doe ne conste Reinaert niet bejagen 49-83 Snde hi henen tceiden toude, YfAechd* hi mi off io wonde Twee brieren brengen , door n Hete. 65>7a Sond ie dragen door u oer. Doe broeht hi »y (edrefot, heer, Die tcerpe, dair deie brioTe in tijn: Die flijn, mitter kontten rn^n Beide gedicht ende oec getcreren , 5 Bnde heb dair den raet off gegeren, Hei Tergael myt ny boel meoh TergMo. y* SSS4 Antnoêfdm, gingen aen, agr$$êi mni; gehoon men ook aen aênv$9rdêm , in bezit nemen, zon knnnen denken. — SS5S Dat ik ze droeg, ter liefile Ttn n. — SS56 Bejagen ^ by de hand krygen. 136 REINAERT Daer ie de brieyea in dragen moehte : De seerpe hi mi broehte Ende die lettren daer in gesteken. 3360 Coninc , gine horet noint spreken Van betren dichtre , dan ie bem : Dese lettren dichte ie hem , Gaet mi te goede , of te quade , Dese lettren dichte ie , bi mlnen rade , 3365 Aldus gemaect ende gescreyen. »* Doe hiet hem die coninc geyen Den brief Botsaerde , sinen clerc : Dat was hi, die hantwerc Bet conste, dan iemen, die daer was. 3370 Botsaert plach , emmer, dat hi las Die lettren, die te hoye quamen. Bruneel , ende hi die namen Die seerpe Tan den halse Belijns , Die bi der dompheit sijns 3375 Hier toe hadde geseit so yerre , Dat hi snieme sal worden erre. Die seerpe ontfinc Botsaert , die clerc : Doe moeste bliken Reinaerts werc. lo waen men telden heeft Terttten Die men dair teynde ; wint hi wm Brieren leten bet gedickt. » Sobtijl , ende Tentont Teel ^Hraken. 15 Die conmc dede comen, te richt 10 Tybaert ende hi, die traken Voor hem , Koekaert tynen clerck : Die tcerpe ran den halst Bellgn. Dat wat tgn ambocht ende werck 76 Dat hijt licht mach worden erre. Dat hi die brieff te hoTO latt, 77 Die seerpe ondede Kockaert, die clerc. Y' 8S67 Botioerde, in het andere handschrift Koekaert, en Kockacri, en in Rbiiiku Bokert den bever (doch Y' 126 heet de bever Paneer). Botsaert is wellicht een appellatief , een soort yan Talk , en geen toege- worpen naem. In Jumi Nomenclator yindt men onder de aviunt nomina : Buteo, BuMoert, Buysard; in het fir. Busard of Buee, en in het engeltch JBuMMord. BoisTB Tertaelde het woord door Circus; andere stellen Faieo gaUinarius, Wat er Tan zy, Botsaert is ook een oude Ylaemsche familie- naem. Zie, onder andere, BimcouaT, Descriptian kistorique de régUm de Notre-Dame è Bruges, p. S17. — SM8 Haniwero, de schryfkiiiist* — M70 Botsaert was gewoon te lexen. — SS76 Snieme, snel, al spoedig. EERSTE BOEK. 137 Abe hi dat hooft voort trac , » vlti» j 3380 BoUaert , eade sach dat , [hi sprac] : c( Heipe, wat lettrea sijn dit! Here coniDC, bi miere wit, Dit es dat hooft Tan Cuwaerde! O wach, dat gi noint Reinaerde, 338& Coninc, getrouwedet so verre ! » Doe mochtemen droeve sien ende erre Die coninc entie ooninghinne. Die coninc stont in droeven sinne, Ende sloech sijn hooft neder. 3390 Over lanc hief hijt weder Op, ende begonste werpen uut Een dat vreselijcste geluut, Dat noint van diere gehoort waert. AUe dieren waren vervaert. 3395 Doe spranc voort Firapeel , Die lubaert: hi was een deel Des coninx maech: hi mochtet wel doen. Hi sprac: « Here, coninc lioen, Twi drijfdi dus groot ongevoech? 3400 Gi misliet u genoech, Al ware de coninghinne doot. Doet wel een wijsheit groot , Ende slaect uwen rouwe een deel. » Die coninc sprac: « Here Firapeel, 96 Die lopaeri hi wm een deel. (woen? 2-16 laet Taren deten rouwe groot, 9B ümdk on «en, heer ooniiic, een ooge- Ende grijp een moed, het it groot tciDd: 99 Htfer Lyon, hoe drijfdi dee« ongeooech? Sidi niet heer Tin al den land? 400 Ghi miibaert n tonder geroecb. Itt niet onder n, al dat hier ia? » y SS81 ffeJpe, helpe God! xie Y* 575. — 8S82 Bi miere wii, by myne wet, myne christenheid; als in V* 1151. — 8S00 Over lane^ een geroimen tyd daema. — 8994 F'ertaen. Met dit woord sohynt het oudere gedicht van Reinaort een einde genomen te hebben. Zio de In* leiding. — SS98 Lioen, fr. lian. Men tiet dat de dichter yan nu af fransche yoorbeelden voor zich had^ en yolgde. 18 138 REINAERT 3405 Mi heyet een quaet wicfat so yerre Bedrogen , dat ics bem erre , Ende int stree geleel bi barate , Dat ie recht mi selven hate, Ende ie mine ere hebbe verloren. 3410 Die mine Triende waren te yoren, Die stoute here Brune , ende here laingrijn , Die rovet mi een yalsch pelgrijn : Dat gaet miere herten na so sere , Dat het gaen sal an mine ere , 3415 Ende an mijn leyen: het es recht 1 » Doe sprac Firapeel echt : c< Es gedaen mesdaet , men saH soenen. Men sal den wulf enten here doen comen , Ende yrouwe Hersinde also wel , 3420 Ende betren hem hare misdaet snel, Ende oyer haren toren , ende oyer hare pine Versoenen met den ram Beline , « Heer Fyrapeel, wat mach io diea 5 Dat it my dut mytlaet? Hy heeft myt tinen loaen baraet, len quaet tcalo , to Teer gebrocht , Dat hi mijn rrieode beeft Terwrocht, Den stoutste Bruun ende Tse{s;rijm: 10 Dat rouwet my in tberte mijn ; Het sel my aen mijn eer gaen, Dat io so Tele hebbe mysdaen Tegen mijn beste baroene, Ende ie den quaden hoerensone 15 Also Ter soude betrouwen; ■er bet quam toe by mijnre Trouwen: 8y bat dair my so sere Toreny Dat ie hair bede most boren. Dats my leet , al ist te spade. • 20 « Wats dan , beer coninc, wats anders te 20 OTer scboeyn ende oTor Tel. (rade? 21 Ende OTer toom ende p^n. 22-25 GhoTon den ram Beliyn; y* 2405 FTicht, booswicht; yerwant met het oadnpordsche vcbü of ccelr, daenum; doch eigenlyk, even als het anglo-saksische 9Üdf looyedl als onahMm; en misschien wel afkomstig yan wiegen. — S418 Cotnên. GaniH yeranderde dit in coenen; wat echter met beide handschriften strydt. Vooneker is het rym niet zeer gelyklaidend ; doch men bedenke dat men in vele plaetsen hamen als koemen uitspreekt. — 84&S Venot- nen^ goeddoen, campensare. Yai. S402 Y' 5 PFat mach ie dies, wat kan ik er aen doen? — 17 By mynre vrouwen, Baühaiiii merkt hier by aen , dat frouwenraed sedert Eva Teel kwaed berokkend heeft , en ScHoma: Quod faminmeon$iliis pubKeü non 4idmi$cend(B aint. EERSTE BOEK. 139 Na dat hi selve heeft geUet, Dat hi Guwaerde verriet; 3425 Hi heeft mesdaea, hi moet becopen. Ende daer na sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vangen , Ende bi sine kele hangen, Sonder Tonnesse, hets redit. » 3430 Doe antwoorde die coninc echt : •^^'«U*; o wi , here Firapeel , Mochte dit gescien, so ware een deel Gesocht den rouwe , die mi slaet ! » Firapeel sprac: 3475 Dit dede Firapeel die lupaert , Ende dat moeste Bellijns tabbaert Dat gise Terbiji ende et. Die oonino geeft u deir toe met. 56 So wair giae cont bejagen. 57 Deae achoon Trihedeo. 59 Yan hem te honden ewelyok. 62-74 Hy en ^ oec bi agnre hulde Bogen n myidoen nmmenneer. Dit moechdi myt groter eer. Ileemt dit, io net u wtH te doen. • Aldua waa gemaect die aoen. Y' S4)$l En dat gj ze, naer nwen wil, moogt byten (opeten). — MK7 Freden, goeddoeningen. — SMIS Genaden, mst. — 8469 Riêêre, rya- hont, stniikgewas. — S475 DU deie Firapeel ens. Van hierrf Tolgen wy het HoUandsche handschrift; gaende het Comburgsche niet Terder dan tot V «474. EERSTE BOEK. 141 G>8ten , ende sine crage ; Want noch heden Isegrims mage Die yete doen , ende die nijt met crachte 3480 Op Bellijn , ende al sijn geslachte : Si yerbitense daer si connen. Die yete was cort begonnen ; Want mense nie gesoenen en conde. Die coninc dede op dien stonde 3485 Twalef dagen yerlengen sijn hof , Om daer mede eer ende lof Brune ende Isegrime te doen : Seer blide was hi yan deser soen. TWEEDE BOEK. Tot desen hovc quam menich dier ; ^*vJa»" ] 3490 Want die conine deed daer ende hier Over al te weten dese feest. Daer was bliscap alremeest Die ye wart gesien van dieren : Men danste den hoMans bi manieren , 3495 Met trompen ende met scalmeien. , Die conine had so Teel doen reien, Dat eic Yol op ende genoech yant ; Want daer en was in al sijn lant Geen so deinen dier, ten was aldaer, 3600 Ende ooc yan yogelen menich paer ; Ja , al dat sijnre yrientscap geerde , Sonder die felle yos Reineerde , Die rode , scalke pelgerijn : Die [was] al op die hoede sijn , 3505 Ende docht , hi most daer scuwen den ganc. Die spise yloide , ende die dranc ; Men sprac daer sproken ende stampien; Dat hof was al yol melodien : V S406 RBten, bereiden. — SISOS Sonder, enz. letterlyk Y* 80. — S807 Siampien, xekere soort yan gedichten, ook in de Brabandêcke jfset- lef» yermeUL, en door den yedelaer Yan Yailbblb aUereent nitgeyonden : Hy was deerste, die vant Van stampien die manieren. Zie Mémoim de f Académie de £ruseUe$, I, p. 52S, alwaer Du Roem yan deien yedelaer een boekdrukker maekt! « De harpen hadden in ^^É "^Ot't)<<5u \oitt <\na%nxmcl^iner TWEEDE BOEK. 143 Het modit eea lusten, die siilc hof sage! 3510 Recht doet leden was adit dage, Opten middach , of later een ded , Quam dat conijn, her Lampreel, Voor des conmcs tafel , daer hi sat Met sinen heren, ende dranc ende at, 3515 Bi sinen wire.die coninghinne. Hi sprac met enen droeyen sinne: a Her coninc , en al die hier sijn ^ Ontfermt u der clagen mijn! Ie waen men selden heeft gehoort 3520 Quader Terraet , . ende arger moort , Dan Remaert aen mi hedl gedaen. Gisteren morgen quam ie gaen Bi sijnre borch te Maperlhuus. Daer sat hi, buten yoor sijn huus, 3525 Recht als een pelgrim gedaen: Ie waende met Treden yorbi hem gaen Ende hier tot uwen hove te comen. Doe hi mi hadde yernomen dien tijd (zegt Bildbbdtk) soorten van pedalen, en bet spelen op die harpsoort werd stampen genoemd , en van daer 't woord stampyen, n {Nieuwe F^erscheidenheden , IV, bl. 169.) Ik twyfel er aen; en ion Teeleer gelooven , dat bet een soort yan danslied was , by de franseben earole gebeeten. De scbryfVorm Tan een ttampie is bewaerd gebloTen. In den Malogijê speelt de Minstreel Nigrieel voor de bedroede Oriande een loodanig lied, biidende als volgt: Noyale minne ende pure Heeft u , Trouwe , tonder gedaen , Oriande, seone figure, Die lange dolende bebt gegaen Öm u lief de zoete nature, Die u berte al beeft gevaen; 6bi sijt so Taste in sine latsure Al bat gezworen die scrifture, Gbine soudet niet of mogen dwaen. (fiuBBaiiTK, Nieuwe F^erêcheid., lY, bl. 162). Vaii Yailbiu leefde in de dertiende eeuw. — 8B2S Barch, in 't H. S. feest (voor foreeü?) 144 REINAERT Rechte hi hem op akie Toele, 3530 Ende quam mi tegen te gemoete, Al lesende sijn gebede. Mi docht recht aen sijnre sede Of hi al goet tot mi woude. Ende als ie hem Uden soude, 3635 In enen smalen nauwen pat, Groetic hem. Hi en sprac dit noch dat; Hi tooch uut een ruge want, Die hi droecfa aen sijn rediter hant: Hi duwede sijn claeuwen tusschen mijn oren, 3540 Dat ie waende mijn hooft verloren ; Maer (des so wetic Gode danc!) Ie was so licht dat ie ontspranc Uut sinen poten , ende ontquam. Hi grimde seer, aU die was gram, 3545 Om dat hi mi niet houden ea mochte; Doch, hoe lichtelic ie wech rodite, Ie moest daer mijn een oor laten, Ende in mijn hooit vier grote gaten Van sinen nagelen, scerp ende lanc, 3550 iSo dat mi tbioet daer ute spranc , Ende ie wel na in onmacht vel; Maer die anxt maecle mi so snel. Die ie hadde yan der doot. Dat ie allemael ontscoot, 3555 Ende maecle mi uut sijn beride. Siet hier noch die wonden wide, Die hi mi metten claeuwen sloech: Laet u ontfermen dit ongeyoech ! Soo men dus breket u geleide 3560 Daer en sal niemen oyer die heide Dorren yaren , noch ooc keren. y S5S4 Ende a&, in het H. S. ende recht ak. — S540 Mijn hooft, B.S.mihebben. — iWODaeruie, B. S. eeerlichi. — ZW^ Beride, loop, waer men bereden , ingehaeld kan worden. — S(Së9 Soo, H. S. dai» TWEEDE BOEK. 145 Sal Retnaert noch dus lang regneren ! Hier oomt Corbout ende Scerpenebben ^ Die 000 seer grote dage hebben. » 3565 Recht doe dese tael was Tertc^n^ Quam Corbout, die roec, gevlogen j Voor den coninc int gedinge, I Ende sprac : « Here , hoort , ie biïnge Een mare, een jammerlic dinc. 3570 Heden morgen, doe ie spelen ginc Met Scerpennebbe minen wiye, Lach daer gelijc enen doden kative Reinaert de tos , op die heide ; Sijn ogen stonden te staer beide; 3575 S\jn tonge hinc Ter uut sinen mont, Recht gelijc enen doden bont, Met opgelokenre, wider kde. Wi dreven beide rouwen Tele Om sine doot, mijn wijf ende ie. 3580 Wi tasten sinen buuc ende ric; ' Maer wi en Tonden daer aen geen lijf. Doe ginc staen luusteren mijn wijf Aen sinen mont , ende aen sijn kin , Of hi enigen adem hadde in, 3585 Daert haer seer in misTel; Want hi, die Talsch is ende fel, Wachte wel nauwe sinen slach. Doe hise al sonder hoede sach Aen sinen mont also staen merken , 3690 Sloech hi sijn tande tsamen sterken. Met nide , ende beet haer af dat hooft. Van anxte was ie so berooft, Dat ie lude riep : a O wi ! » Y* SB66 Die roee, de kraai. De andere noemen ze CorhwU. Zie op Y' 4667. — Stt69 Mare, H. S. meer. — S872 Laak dam', H. S. daer lach. — WSIk Te eiaer, star. — S580 Ric, mg. — KW Sierhe§^, sterk (adT.) — SKM Berooft, beroofd Tan lin. 19 146 REINAERT Doe scoot hi op , ende snaude na mi ; 3595 Maer ie ontvlooch , met anxte groot : Anders ware ie bleven dool! Het was ooc nau dat ie ontquam : Op enen boom ie mijn yiucht nam ^ Ende sach Tan verre , hoe die katijf 3600 Gine staen eten mijn goede vHjf ( Hi en liet aen vieesch noch aen been Niet, dan die vedren sommich een. Die eiein plumen gingen ooc op : So was hem verhongert den cropl 3605 Doe en bleef hi daer niet meer. [Als] hi had wel gegeten seer, Liep hi heen sijnre straten jagen. Doe vlooch ie op, met groten mishagen, Met groten rou ende misbaer, 3610 Ende las die vederen op van haer, Om dat ie se u wilde togen. Ie en woude noch sulken anxt niet dogen , Als ie daer leet , om dusent merc. Heer, siet hier een ontfermelic were : 3615 Dit sijn die vederen van Scerpenebben ! Heer, wildi macht of eer hebben So doet hier af sulke wraee , Dat hem elc huede van suiker saec; Want laet gi dus u geleide breken, 3620 So wordi selve in tieste versteken. Wat heer niet en recht over (He quade, Die [inaect] hem sculdich haerre misdade. Ende etc wil selve daer heer ^tesen: Heer conine, boet u wel van desen! 3625 Nobel , die conine, wart seer ontstelt. ^"^vf^V; V* M94 Scooi, U. S. stont. — S600 Mijn goede ^f. In de prosa leest men : ffoe dat deee tfalêche ^tyf stontj ende ai aoe gheefUken mijn legtver- drijf, — 8610 Z Y' 3349} wordt ook yan een werk gespro- ken , maej^ mede men yuer schoot in het s}ot Kerpen. — 3780 Windu Er ttaet vinii, hetgeen niet wel op fleii slact* Ajuders zei men gewoon- lyk fteht pinden, yoor gewonnen zaek hebben. 152 REINAERT So scoon kundi u feUacien ! » Met dus groter lamentacien Quam hi tot Maperthuus gegaen , Ende yant Reinaert daer Toren staen : 3785 Hi had geyaen twee jooge duven, AI te sinen behoef te cluyen , Daer si , tot haer eerste spronc, Uut yliegen souden jonc , Ende proeyen of si ter eren 3790 Haer iet mochten generen In der lucht ; daer yielen si neder In onmacht; haer yederen waren teder, Ende haer yluegelen yed te cort. Reinaert, die des gewaer wort, 3795 (Want uut gegaen was [hi] om proye , ) Greepse beide met groter joie , Ende is daer mede te huus gecomen. Maer, nu hi Grimbaert heeft yernomen , Verbeide hi sijns, ende sprac hem an: 3800 cc Wellecom , neye , yoor enich man Die ie in onsen geslachte weet! Gi loopt so seer dat gi sweet: Hebdi iet yan mi yernomen? » cc Adi oom , het is u qualic becomen ! 3805 Lijf ende goet is al yerloren ; Die coninc heeft selye gesworen, Dat hi u scandelic sal doden, Ende heeft heeryaert geboden Allen sijn yolc, oyer ses dagen. 3810 Gescut, peerd ende wagen, Bombaerden ende donrebussen ¥• 1787 Dü/BT êi tot, H. S. doêr ay te vorm. — 1796 /m«, Trengd. — 1800 6y xyt welkomer dan eenig man* — 1809 Over, yoot, binnen* — 1811 & 181 4 zyn niet in Rniiiu, en tallen waenohynlyk ook niet in den onden text gestaen hebben ; nogihans le^t men in de cmde proMi: Hi heefi $ijn voh keervaeri geboden, êcnUey vooigunferêy ludenie paerie TWEEDE BOEK. 153 Hiet hi laden ende trossen^ Tenten ende pawdioene. Siet voor u , gi hebts te doene ; 3815 Want Isegrim ende Bniun sijn nu Bet^bi den coninc dan ie bi u: Al dat si willen dats gedaen. Isegrim heefit hraa doen verstaen Dat gi rooft ende moort, tot alre tijt: 3820 Hi draget op u haet ende nijt; Hi wait maerscalc int assaut. Dat conijn , ende die roec Corbaut Hebben grote olage op u gedragen : Ie 8org TOOT u ende al u magen, 3825 Dat mi Tan anxt geen goet en sciet. » c( Och, lieye neye, ist anders niet? Sidi hier af dus seer yerreert ? Set u te Treden (sprac Reineert). Al heTet die coninc scItc gesworen , 3830 Ende alle die tot sinen hoTe horen , Als ie mijn sehen raet wil gcTen k word noch boTen al TerheTen. Si mogen Teel raden (of si?); Maer het h<^ en dooch niet buten mi . 3835 Laet dat Taren , licTe ncTC ! Gomt in, ende siet wat ie u gere , Een paer duTen , jonc ende Tet : Ie en mach geen spise bet ; Want si sijn goet te Terduwen : 3840 Men machse swelgen sonder kuwen , Ende die beenre smaken so soet : ende ie wagken, ende hi heeft bambaefdsen , bonen, tenten ende paulionen hiem laden. Het woord treeeen in Y' SSld is eene omstelling van tors- SOUMI* y* SS21 Hy zal marschalk zyn by het assaut. — S825 En sciei, en gebeoH* — 28S9 Hevet, H. S. had; doch zie Y* 8806. RniiiKB stelt al hadde de honink noch meer geeworen. — 888^ Dooch niet, deagt niet. 20 164 REINAERT (Het is half march ende [half] bloet. ) Die laet ie alle mede ingaen dore. Ie Toel in mijn mage humore; 3845 Daer om eet ie gerne lichte spise. Mijn wijf Hermelijn ^ die wise , Sal ons herde wel ontfaen ; Maer, en laet haer niet verstaen Van onsen saken , [noch] ooc iet horen ; 3850 Si soude haer al te seer verstoren ; Si soude in onmacht vallen van Taer ; Want een clein dinc gaet haer naer ! Si is seer teder van herten toe. Morgen ga ie met u vroe 3855 Te hoye , ende sal mijn saken So verantwoorden , mach ie te spraken Gomen, dat sulken te na sal gaen! Neve, seldi ooc bi mi staen, Als een vrient den anderen doet ? » 3860 cc Ja ie , lieve oom , lijf ende goet Dat is tot uwer liefde bereit. » (c Danc hebt , neve , dats wel geseit : Mach ie leven ^ het sal u vromen. » cc Oom , ende ooc moochdi wel comen 3865 Voor alle die heren , tot ontscouden. Men sal [u] niet vangen noch houden Also lange als gi spreect u tale: Dit heeft die coninghinne wale Ende die lupert besproken ako. » 3870 Reinaert sprac : cc So ben ie vro ; So en ducht ie van niemen een haer, Ende ie en hoorde nie liever maer. Y' MA^^Merch, RniiiKs: melk; welk laatste echter geen tin heeft* — S85S Teder van herten; in de oude prosa: cranc van herten, — S858 Siaen, bysUen. — S860 Oom, H. S. neve. — 8865 Tot oniêamden, om a te yerontsohaldigen , te soireren. — 8866 Men $alM,E, S. maer $al» TWEEDE BOEK. 155 Ie sal mijn recht nu wel bedingen. » Doe swegen ai van desen dingen ^ 3875 Ende sijn binnen den berch gecomen. Daer hebben 8i Hermelijn Ternomen : Si lach bi haren jongen, Ende is ter vaert opgesprongen, Ende ontfincse beide wale. 3880 Grimbaert groette met soeter tale Sijnre moijen , ende haer kinder. Men reide ter maeltijt ginder Die duTcn jonc , die Reinaert brochte. Elc die at, dat hem gebeuren mochte; 3885 Nochtan so en waren si niet sat. Al hadder elc noch een gebat, Daer en had niet veel gebleren. Reinaert sprac : « Siet, lieve nere, 5*l!*lön Hoe behagen u die kinder mijn , 3890 Rosseel ende Reinaerdijn? Si selen onse geslachte meeren; Si beginnen hem rast te generen : Deen vanct een hin, dander een luken: Si connen ooc wel in twater duken 3895 Na kieyitten ende na enden. Ie sou dese dicker om proi uut senden, [Maer] ie wilse leren eerst bevroeden Hoe si hem voor den stric selen hoeden , Voor die jagers , ende voor die honden. 3900 Waert dat si den aert wel conden , So waric wel op hem gerust : Si souden die onsen lust Van menigerhande spise boeten, ¥• S87S Bedingen y H. 8. bedringen. — S87U Bereh, voor ,boreh; beide even goed, ab afttammend van bergen. — 8880 Groette y H. S. grMUe. — S88a Reidey bereidde. — S884 Geheureny H. S. geboren. — S89K Kivkimy volgens Riimu; doch hel handschrift fielt nog eens kuhen. 156 REINAERT Die wi yan node deryen moeten; 3905 Ende 8i slachten mi seer wel ; Want grimmende spden 8i haer spel Op den genen dien si haten , Ende hem Triendelic gelaten , Om dat hijs te min yerhoet. 3910 So brengen sine onder die voet, Ende biten hem ontwee die kele. Dats den aert van Reinaerts spele. Ende ooc sijn si ter grepen snel: Dat behoort ons toe seer weL » 3915 nomen worden: want clergie leeren was laiyn keren. Zie Hütdkcopkr, op Milis Stokb, ü, bl. 560. De prosa stelt: Sidi een goed cterc? — 4024 rer, vrouw. 160 REINAERT 4025 Ie en eaa lesea niet een Tere, Ende te copeo ie ooc niet en gere Dat nu is u enich kint. Isegrim heeft mi hier gesint , Ende wist gerne hier af dat ware. » 4030 c( So laten selven dan comen hare , (Sprae si) ie sab hem maken yroet. » Ie seide: u Ie sal. » Ende metter spoet Liep ie daer Isegrim sat : Ie seiden : « Oom , wildi eten dat 4035 Van den Tolen, so lopet sere Totter merrie ; si yerbeit , u ter ere ; Si heeft onder haer Toet gescreyen Den coop , hoe sijt wil geven. Si woudet mi hebben lesen laten; 4040 Maer wat soude mi dat baten ^ Want ie een letter en kenne nietP Des dooch ie in mijn herte verdriet, Dat ie nie en ginc ter seolen. Oom, wildi eopen dat yolen, 4045 So mooehdijt hebben ; condi lesen? » cc Ai mi , wat sout mi wesen ? Ja ie [ean] walsoh , duutsch , ende latijn : Op Westyalen ende Provijn [ Hebbic] gegaen ter hoger seolen , 4050 Met ouden wisen , sonder fblen , Meisters yan audiencien, Questie gegeyen ende sentencien, Ende was m loyen licensiert, V' 402K Een vere, een peDnestreek. — 4030 Dan, H. S. doen» — 4086 iSf fserbeit uterere, u ter eere wacht zy. < — 4089 TVoudet, H. S» wimd. — 4048 Op Weetvakn enie te Provijn. Loater yerdichtsel; want te Provine is nooit een 8c1kx)1 yan naem geweest. De oude prosa en Rbiriki stellen t^Erfart. Eerst ten jare 1392 werd in deze laetstgeaoemde stad eene universiteit gevestigd (Hofriinn, bl. 221 , en Hagilgans, Orhü Uteratuê academicue, p. 5). — 4050 Sonder folen, zonder spotten; ik lach er niet mée* — 405S In hyen licenciert, licencië es lois. De prosa: TWEEDE BOEK. 161 So wat scriften dat men visiert 4055 Gan ie lesen^ S^i^ ™iJQ name. Ie wil tot haer lopen; ie rame Dat ie den eoop sal weten ter yaert. Waer toe bistu goet, Reinaert, Dattu lesen eo const noeh seriven ? » 4060 Doe liep in heen^, (ende liet mi bliyen, Dat ie 8Ïjn8 Terbieden soude,) Totter merrie , en rraechde , of si woude Haer Tuelen geyen , [dan] of srjt bilde ? Si sprae: (^ Die som van den gelde 4065 Staet after aen mijn recbter yoet. » c( So laet mi lesen. » Si sprae: « Ie doet. » Ende [beeft] baren roet verdragen , (Die wel met yser was beslagen , AI niwe , met hoefnagelen ses , ) 4070 Ende raemde niet al te mes; Want si smeten so voor s^n hooft Dat hi storte , ende was verdooft , Ende viel over doot daer neder. Eer hi be<]piam , of stont op weder, 4075 Moebt men een mijl hebben gereden: Die merrie liep met groter haesten Met haer vuelen haerre straten, Ende beeft Isegrim daer gelaten, « Oec heb ie mit ouden wisen meesters van der andiencien qaestien ende sententien gegeven; ende. was m. loeyen ghelycenceert. » Hoe Isegrim stadeerde wordt in de fabel Der FFalf tn dw Schuole, in Ret- nardus , en in Terscheiden andere stukken geleerd. Volgens eene latyn- scbe vertelling der dertiende eeaw, in Engelland vervaerdigd , en door Doüci vertaeld, hiet het: « Isengrim the wolf, to expiate his sins, became a mank. His hrethren endeavoured to teach him his letters, that he might say paternoster; hut all that they were ahle to get from bim, was lamb! lamb! (Grihm^ hl. ccxxi). » y* 4054 Visiertj op het oog heeft. — 4066 Ie rmme, ik vermoede. — 40J57 Ter vaeri, spoedig. — 4070 En lei er niet slecht op aen. In de onde prosa: Ende ai en ghinc niet te miêee. 21 162 REINAERT Seer mismaect ende gewont. 4080 Hi lach ende huulde als een hont. Doe [hi] bequam , doe bloide hi sere. Ie gine tot hem ende «eide : cc Here Isegrim , lieye oom , hoe staetP Sidi van den Yolen wel gesaetP 4085 Hoe , en deeldi mi niet wat mede? Ende ie doch u bootscap dede! Hebdi geslapen op u mad? Wat wast , walsch of yocael , Dat gescrift onder haren Toet? , 4090 Ie wist wel dat gi sijt yroet, Dat niemen bet leset dan gi. » cc O wi , Reinaert , neye , o wi , Ie bid u dat gi u qfKHten laet : Ie ben so qualiken begaet, 4095 Het mocht ontfermen herde stenen! Die hoer, metten langen benen, Had haren yoet so hooch op yedieyen , Ie waende thadden geweest lettren gescreyen , Die nagelen die daer in stonden : 4100 Si sloech mi ses groter wonden Ten eerste slage dat si smeet, Dat mi thooft wel na spleet, Ende mijn herssenbecken al ontwee : Sulc lesen en gere ie niet mee. » 4105 cc Lieye oom , ist waer dat gi telt? Dat heeft mi wonder ; want ie helt U yoor den besten clerc , die nu leeft. Nu hoor ie wel dat men mi heeft Wel eer geseit , ende ooc gelesen , 4110 In boeken , dat wel waer madb wesen, Dats , dat die beste clerke fijn V' 4084 Geêoet, yenadigd. — 4087 Mael, maeltyd,eteti. — 4088 Kocaely latyn , namelyk wat men in het vooabularium leerde. — 4094 Begaet , begaeid, ontsierd , ontsteld. EERSTE BOEK. 163 Dicwijl die wijste liede niet ea 8iJQ : Die Ic^en Teryroedense bi wilen: Dat do^, dat ü so TersubtUen 4115 In kunsten, dat si daer in verdwalen. » Dus brocht ie Isegrim in dwalen , Dat hi nauwe sijn lijf behelt. Siet, neve, ie heb u nu Tertelt Al dat ie weet Tan mijnre [misdaet.] 4120 Misselic [ist] boet mi Tergaet Te boTe; nocbtan ben ie sonder yaer; Want ie ben nu der sonden claer; Ende ie wil genie bi uwen rade Beteren, ende comen te genade. » 4126 Grimbert [sprac] : « U misdaet is groot ! ^^*5J^j Maer, die doot.is moet bliren doot: Men madise niet weder doen leven. Oom, dit wil ie u al vergeren Om den anxt die gi daer om Uden moet, 4130 Eer gi daer af u onseout doet. Ende bier op wil ie u absolveren. Maer, dat u alremeest sal deren, Dats, dat gi Guwaerts booft daer sende, Ende den eonine met logen verblende. 4135 Oeb oom, dat was seer misdaenl » « Neef , die door de werelt sal gaen Moet die boren tsine vertred^en ; Hi moet bem besmetten ende bevleeken. Wie bonicb bandelt vinger leet. 4140 Ie wart dicwilen gewect. Van mijnre conseieocien linnen, Gode boven al te minnen , V* 411 S P^ervroedense, winnen het op hen in welbedachtiaemheid. — 41 U Dai doet dat si, dat komt om dat zy (de klerken). — 4117 Behelt. Vcrgelyk dit verhael met Robeet's Fahles inédiiee des XIP, XIIP etXIF^ eièdesj II, p. S6tf. — 4119 Misdaet, Tolgens Rbireu. In 't handschrift ontbreekt hier een woord. — 4125 U, H. S. die. — 41S7 Vertnchm, vertellen. 164 REINAERT Ende mmea evenkersten als mi^ [Om] dattet Gods liefete wille si , 4145 Ende dat dit ware dat beste redit. Wat waendi , [hoe] dan die vedea Techt Van binnen tegens die uterste wille ? Dan sta ie in mi selven stille , Op mijn eigen yri yernuft^ 4150 Ende worde yan binnen so yersuft, Dat ie niet weet wat mijns gesciet. Ie ben in een bloot [liehaem] niet, Ie heb , ende ben van allen griaten. Dan wil ie yan mi steken ende haten 4155 Al dat minre is dan God, Ende hoge dimmen , boyen sijn gebot , Ende bescouwen der contemplaeien ; Maer dese sonderlinge gracien Geseien mi als ie ben alleen , 4160 Metter wérelt noch met mensdi gemeen, Ende ie mi selyen yan binnen sie claer 9 Maer, oyer een cprte wijl daer naer , Alc ie der werelt werde gemeen , So yindic so yeel steen 4165 In minen weeh, aditer ende voren ! Ende als ie sie die voetsporen , Daer [vele] prelaten in gaen , So wordic weder vlüsch gevaen ; So comt die werelt sonder eesch , 4170 Met groter genueehten, ende wil dat vleesch, Ende legget mi so veel te voren , Dat ie die vriheit heb verloren , Ende dat leven, daer ie eerst in was; So hooric sanc ende pijpgeblas , . 4175 Lachen, spelen, ende vrolicheit: Ie hoor dan wat dese of genen seit , V' 4147 Uterste wille, de wil van hot liehaem, de zinnelykheid. — — 41Ö4 Dan, H. S. dat. — 4168 Flusch, flus. — 4169, 4170 (Vol- gens de prosa omgezet). — 4176 H. S. Ie hoor dat dese off* gemeen seit. TWEEDE BOEK. 105 anders aeggen of $i peinsen, Daer leer ie liegen eade yeinsen, Ende sonderlingen [in] heren hoye : 4180 Daer spreect meest al te loye , Heren , Trouwen , papen , clercken : Dit sijn die meest die luegen stereken. Men dar die heren niet seggen twaer. Lieve neye, hier leer ie [dan] naer, 4185 Ende ie moet mede loyentuten , * Of men soude mi buten sluten. Ie heb yeel lude die horen spreken , Die reckdie ende [ge-] warich leken Als si een reden yertogen: 4190 Viel haer in enige logen , Die haer redene mocht geliken , Si li^ense mede doorstrik^a , Op dat haer tale ware te scoonre. Niet dat die luegenaer waer coenre 4195 Met yerrade , in der reden b^n ; Maer die reden wil daer in Immer sijn ; ende want se wel clede, . So liet hise daer yaren mede. Neve , dus moet men , hier ende daer, 4200 Nu liegen ende [dan] seggen waer, Dreigen , smeken , bidden ende yloeken , Ende elc op sijn hooft soeken. Die die werelt wil hantieren Ende een luegen wel [can] yisieren ^ 4205 Ende op haer scoonste dan setten yoort , Ende so bewimpelen , daer mense hoort , Met doeken, die men daer om wint, / Dat mense yoor die waerheit mint, y 4177 Of $i, H. S. ofie. — 4185 Loventuten, loftaiten. — 4188 Die gerechtig en waOTheidlieyend schenen. — 4190 F^iel haer in, H. S.viel ontwee, — 4191 Die by hanne redevoering te pas kwam. — 4194 Dat, H. S. dan. — 4202 Sijn hooft, prosa sijn weecsi. 166 REINAERT Die en 'is sijn meester niet ontlopen. 4210 Can hise so subtilic knopen Dat hi niet en stamert in MJn tale, Ende dat hi gehoort is wale , Ne?e ) dese mach wonder maken : Hi mach bont dragen ^ ende scaerlaken , 4215 Int geest elic ende int werelic recht; Hi verwint so waer hi vecht; Nochtan en trect hi sweert nodi knijf. Nu yint men ooc menigen katijf , Diet seer benijt, dat hi siet 4220 Dat desen dus vordeel gesdet, Ende meent dat hi wel can Liegen, ende grijpt een luegen an, Die hi Terscoont, eode Toort wil selten. Hi ate ooc gerne yan den vetten; 4225 Maer hi en is gelooft noch gehoort. . Sulc [ander] is so plomp: als hi sijn woort Ten besten waent seg^en ende sluten , Valt hi al sijnre materien buten , Ende en cant so wel niet salven 4230 Hi en laet sijn reden staen ten halven , Sonder hooft , of sonder steert. So wert hi yoor een dwaes vermeert, Ende men hout daer mede spot; Maer die een luegen geeft een slot, 4235 Ende seit sijn reden, sonder sneven, Als oft voor hem stont gescreven , Ende maectse alle gader [soo ver-] dooft Dat mense bet gelooft, Dan die waerheit, dats die man! 4240 Wat const ende wijsheit is daer an. Die waerheit te seggen? dat is goet te doen! V* 4217 Knijfy prosa mes. — W18 Menigen katijf, H. S. menigen heen hatijf. — 4221 Hi, H. S. hijt. — 42$2 Fetmeerty vermaerd. — 428K Sneven f swanken^ in de prosa tatelen. — 4241 Goei te doen, gemakkelyk te doen. TWEEDE BOEK. 167 Hoe lachen si dan onder haer caproen Die lose scalken , [die] gaven den raet , Ende die geen die die logen aengaet! 4245 AI haer onrecht gaet te boyen, Ende tredit wert afterwaert gedcoyen. Och neye , [daerin sijn] si al te yroe : Scout, scepen, raden daer toe Achterbacs , ende helpent [yér-] selten , 4250 [Bi] rechters yan anderen wetten, Ende leren door die yinger sien , Op dat si mede genieten yan dien, Of [om] haerre yrienden gonste. Och neye , dats een quade conste I 4255 Die sprekers, die haer tonge yerhueren^ Mogen hier in yeel yerbueren , Logen te spreken met berade, Daer scande af comt ende lijfe scade ! Ie en seg niet, men moet wel bi wilen 4260 Spotten , boerten , liegen , gilen , In dingen yan ^misseliken sake; Want die altoos die waerheit sprake En conde die strate nergent houwen. Sulc sweert bi sijnre trouwen, 4265 Ende spreket in placebo, Dat hi mach doen berde no, Wil hi leyen met gemaké. Die altoos die waerheit sprake Sou dicwijl yioden wederstoot: 4270 Men moet wel liegen alst doet noot, Ende daer na beteren , bi rade. Tot allen misdoen staet genade ; y* 4S49 Aekterbacê, prosa after rugghes, H. S. achierbaets. Het 'woord hoc is rag, en yan daer baken, Helpent, namelyk hei recht, — 4156 Spreken, een soort yan rondx wervende dichters» die hier worden beschnldigd yan yoor geld hun talent te misbruiken. — 1426 Gilen, jokken. — 4264 Sulc sweert, H. S. iulc iweert ende êeU, 168 REINAERT En 18 niemen , fai en dwadt bi tiden. » « Wat , oom , u en can niet ontgliden ! 4275 Gi weet dat nauste op alle dingfen ! Gi soiit mi wel bringen in dwalingen ; U reden is buten mijn yerstaen. Wat noot is u te biechten gaen? Gi 80ut seWe sijn die paep, 4280 Ende laten mi, ende ander scaep Tegens u biechten , ende nemen raet ! Gi weet so claer der werelt staet, Dat niemen en mach yoor u gaen manc. » Met deser talen, eer hier lanc, 4285 Quamen si int hof gegaen. ^^I^m.] Reinaert wart een deel ontdaen Van twivel, in sinen moet; Nochlan dede hi daert hem toe stoet, Ende maecte [hem] int herte coen. 4290 Hi streec door alle die baroen, Tot daer die coninc selve was ; Ende het ginc bi hem die das , Die tot hem seide: « Oom Reinaert, Weest goets moets, ende onvervaert! 4295 Die blode en dooch tot geenre ure; y* 427S Bi tiden. Geheel deze redeToering van Reinaert , Tan Y' 4138 af, tot hier toe^ en waerin hy zyne leTenstheorie zeer goed afschetst^ wordt in Runiks niet geTonden. De Saksische vertaler heeft ze door eene lange, hier niet te pas komende, moralisatie yenrangen, betref- fende het leven der geestelyken , die in Lombardyen gemeenliken hebben ere egene amyen, enz. Met zyn V' 408K komt hy Y' 427K van onzen dichter v^eêr by. — 4284 Eer iet, H. S. ende niet. — 4389 Coen. Hier maekt de Saksische vertaler wederom eenen uitstap, dien hem even min gelakt, ter verryking van zyn gedicht , als zyne andere by voegsels. Yan Y' 4097 tot Y' 4284 hrengt hy Reinaert in eene ontmoeting , en in een gesprek, met Marten den aep, waerhy deze helooflt aen het hof van Rome te zullen verkrygen , dat Reinaert van den han worde vrygespro- ken. Yeel beter wordt dit door onzen Nèderlandschen dichter in den mond van Reinaert gelegd, als door hem uitgedacht, tot zyne veront- schuldiging. — 4298 RnNBu: Deme bhden is dat gelucke dure. TWEEDE BOEK. 109 Deik €oenciii . helpt die avonture. Een dach is beter dan sulc een jaer. Reinaert sprac : a Neve, gi segt waer, , God danc u, gi troost mi wale, » 4300 Eer hi began enige tale Maecta hi een gelaet so fier, Ende sach^ daer ende hier, Als « wie wat wil, diecome haer! j^ Hi sach daer yeel in die scaer 4305 Van sinen magen, die daer standen. Die hem nochtaü geen goet en gönden , (Ende dat conde hi wel rerdienen ,) Die otter, die beer, met hem tienen , Die ie iüet nodi wel sal noemen. 4310 Doch was daer ooc sulc comen , Diene minden , ende hadden lief. Reinaert knielde, ende ophief Sijn tael , ende voor den coninc . Hi sprac : « God , die nie en vergine , 4315 Ende machtich blijfk ewelike. Beware mijn heer den coninc rike, Ende mijnre vrouwen der coninghinne, Ende geeft hem wijsheit ende sinne , Wie dat recht of onrecht heeft; 4320 Want daer veel op eerden leeft. Die van buten dragen scijn Anders, dan si van binnen sijn. Ie wonde God toondet openbaer, Ende [dattet] voor thooft gescreven waer ! 4325 Ie liets mi costen een lief dinc , Ende gijt also wist , heer coninc , Van allen saken, als ie doe. Ie heb geweest, laet ende vroe, ▼• -MWa Of hy teggen wilde: wie iets vau my hebben wil koroe hier. — 4ai5 B. S. Ende oUes machiich bHjft altoos. ~ 4816 Rike^ H. S. aliooê. Ik Tolg RnHiKB. 22 170 REINAERT Altoos in uwen. dknst geyoecht; 4330 Ende daerom ben ie das gewrocht Met logen yoor u, yan d^n quaden. Die migerne souden scadepi, . Ende doen yerjiiesen u hulde ^ Met onrecht , ende sonder [mijn] sculde : 4335 Des roep ie cc wopen,», oy^haer Iqf ! Doch hopic, here , wde u ^de wijf , Sijt so .wijs^ ende so besceideii , . Dat ffi êo niet. é^. sijt te yerlèidan.^ Me^t loosheit^ of met.Jk)g^Qtal^ni, 4340 Dat gi trecht iet laet yerd walen' ; Want gi en hebs nie geplogenl ' Daerom , here , h^bt yoor 9gen Na den rechte. alle saken^ Ist in daden of in sprake , . 4345 Ende doet elc gelijc wet. Dats mi genoech: on -geer niet, bet. , Die sculdich is die scaiQe heuji ! Men sal wel welep; wie.ic hem. ^ ' . Ie en can smeken noch 0att^ren, 4350 Ie wil mijn hooft ondeekeU met .eren. » Alle , die int pallaes waren ^ ^**^' *"i Swegen , ende haddens wonder twaren , Dat Reinaert sprac so stoute tale. . Die coninc seide : « Och , hoe lyale, , 4355 Reinaert . condi u fallacie ! U scone bootsen , ende salysicje En selen u niet baten yele. V* 4880 Gewroecht^ aengeklaegd. — 4SS8 PFopen. Zie ome aen^ teekening op y* 806* Het gothische wópjan en oudduitsche wuofmm is eigenlyk ululare, clamare. — 4846 En geer mef bet^ ik begeer niet beter. — 4856 Uw schoon nabootsen (van deugdtaemfaeid) en uw yerdedigmgs pleit. L4C0HBB in het tweede deel van zyn Dictionnaire dM vieus iamgagê francais heeft: Saivations, Ecritures produUe» paur rèpon4f tms oUieo» tions de la partie adverse; en hy stelt er het jaer 18S0 by. — 4187 Seïen, H. S. saL TWEEDE BOEK. 171 Icwaen noch heden [dat] u kele U werdken sal ontgelden. 4360 Ie en'wfl net veel met u aeelden ; Maer ie sal corten u pijn. Dat gi ons lief hebt, dat is ttensdjn Aent cohijn ende aen Gorbout. U scalke yonde, loos ende stout, 4365 Selen u doen sterren , sonder suuct. So lange gaet te water die cruuc , Dat si breect, ende valt aen sticken. Ie waen die cruuc, die oos so dicken Heeft bedrogen , haest sal breken ! » 4370 Reinaert die was om dit spreken In groten anxt , ende in Tare : Hi wonde, dat hi tot Colen ware , Ende hi niet en ware gecomen. Doe dochie hi : wat mach mi vromen ? 4376 Ie moettér duer, so hoe iet make! c( Heer ooninc , sprac hi , gi sout mijn sprake Uut horen ; dat ware reden goet ! Al ware ie geoordeelt totter doot , Nochtan sonde men mijn tael horen. 4380 Ie heb u doch hier te Toren Menigen nutten raet gegeten, Ende ie ben ter noot bi u gebleren Dicke, daer u dief ander ontweken. Of mi die iose , met yalschen treken , 4386 Tonrecht t^n u hebben belogen , Ende ie geen onscout en mach togen , T* 4SK8 Eêh, ent. Byna letterlyk V 1822, 1821, 1818, 1816, hier- horen, terwyl.Y' 4S60 aen den latyntdien Ruiiaebi», Eb\ 1, V' M6 hsrinnett : Non sti ante fmê hmga hqtula daoefM. — 4S65 Sümet, nektef hóoffdoitÉoh : iSWeAl en «SnfoAe« In de prosa leeft men tonder marren. — 4S72 Toi Cobn, tot Kénlén toe yerwyderd. Volgens een ond spiookjen weoêAaa dé tooteresMn lick naer Keulen in ion wynkeUer. .— 4M6 Mêok, H. S..meeê. 173 REIN13ERT So mach ie oiija mi$Tal wel da^nl Ie heb gesion ia yorleden dagea Dat ie ^hoort wi^ voor andrea: . 4390 Noeh moeht dit wel Terandreii^ Ende eomen in haren ouden «laeti Men sal gedenken ouder daet ^ Ende met.bé^ceide daer in yoort gten. Ie aie hier noch ao T^n ataen , 4395 MiJQre mageo ende geaiachten, Die hitte! seinen wó^m te achten , Ende dient nochtant aoude deren, . Heer conino , dat gi nn Bont etoleren , Of yerderyen met onrechte; 4400 So deed gyt een den getrouaten kndchte, Die gi hebt in al u lant. Wat , waendi, here, bad ie beoant In vsi e«^e hrueke of ameUte^ Dat io te red[:ite of te wette 4405 In II oge hier geoomen ware^ Ende onder mijnre yianden acarcb? Neen iê , om geen werelt Tan gotide i Ie was , daer ie weaen $oude ^ Op mijn ruumie, ende' op mijn yri. 4410 Maer, God danc, ie ken mi So claer, aonder enige vleeken^ Dat ie wel openbaer dar treeken Int licht, ende apreken voor di^ goede. Mi waa ao wee te moede, 4415 Doe mi Grimbert lurocht die mare. Dat ie al om liep, harentare, V' MQ7 M^n^mintU wl ofagrm. NaTolgkg Tan Y' 18M. -^ U&ü Féftmbn, H. S* (mdm. RmuiiT wil Tan txdkm latigvocnrleden tfè iaat spreken. -^ M89 Foor andren, H. S. WiOff mm amièf^ -^ MiMi H. S^ Noeh moohi die dack amen voir ander. — AMè Geêtomténf K. S. g^ truulBten. — 4408 Bmeke, breUc, wetbreok, mMaed. ^ 440» ifiNHfe, H. S. woude. — 4400 Op mijn ruunUe , prosa op dat rufmê. TWEEDE BOEK. 173 Bijster, als eea onTlroet man. En ware dat ie waa in den ban , Ie hadde hier geeofmen sodider beiden. 4420 Daér ie dus dwaelde aen die heiden Quam mijn oom Mertijn, die aep, Die wiser is dan enieh paep Van grammari^i ende pracliketi : Hi was des bisoops ^an Gimeriken 4425 Adyoeaet , wel negen jaer. Hi sach mi driven groot misbaer, Ende sprac: « Neve^wat is dat u let? Gi dnnet mi wésen al oniset: Segt xm wiet u heeft gedaen? 4430 Men sal aen vrienden doen yavtaen Sware saken , die gaen ter noot. Een trou yrient is een hulpe groot : Hi Tint dieke beteeren raet Ter noot, dan diet aen gaet, 4435 Al is hi nochtan niet so vroet. Dol doet den man ontgaen den moet Ende die wijsheit al so sere, Alst hem aent lijf gaet , of aen deere ; Ende ist so met hem begaen 4440 Hi en weet wat doen, of eerst bestaen, Y' 443S Ende, H. S. tncfer. — 4425 Negen jaer. Wie dete Marien, advokaet yan den bissohop yan Kameryk , mag zyn geweest, yalt moeilyk aen te wyzen. WaenckynlykBt is , dat de diehter Ider eigenlyk op nie- mand gezinspeeld heeft. Anders zou men kannen denken aen den een*" of abdefen prehet der abtdy yan S^Mmim te JLameryk (M^M-Sé'Martm). « Les reÜgieox de Fordre des Fremonsirez (zegt CAi»iiftin, Hiêioite ée C mmh vai y I , bl. 508) , y ëtaient deyenus oitissi inqmrs que Testi^Ie d'Au- giasv Tets Tan ISOO. Par la noncbalanee des sttpërieors, les meines j éewkaetïi si Irippons, qa*ils semblbient ayoir mis, comme Épionré, tante leur iëUeilé an pidai», aox leyres, aiiz óreilles' et au yentre; de •erie qnHIf n'ayoieat rien de la reiigion que Ie masqne et qne les eéré-> nomes. S% asnstoleiit au seryioe diyin, oe n'dstoit qa^nrec des gri^ maces d*tui Sardttiapde, on des postares de bstelenr. n ^ 174 REINAERT Recht of hi ware «onder sin. » Doe dede ie hem geven een paer KerspeUen , daer boter op lach ; 4460 Want het was op enen woensdach, Dat ie geen y)eeach en plach teten, Ênde ooc vaste ie, seldi. weten, Tegens pinxteren , die ons nu naect. . Die hoodiste wijsheit smaect, . 4465 Ende geestelic leven wil leiden, Die sal hem tegen die höochtijt bereiden , Te vervullen des heren gebot; Et vos estote parati , seit God . \^ AU^E. S: Daii$ e^n dat Lampreelende conijn. IndeprosaZa p r ^rf * -^ 4449 Te mi quam, H. S. dat deer mi quam. — 4456 Boor, H. S» door. -*r 44tf7 .Hoer, in de prosa naer. — 4459 KerspeUen, wofek, pan- iiekoeken. Ia JUuiiMy gude kereebém; doch de Sas .Terstond den Tlaoot- aeben iecxt bier niet. In;de pn)ta leest men: Een paer oarepei mei eeaêm koter. -^ 4464 H. S. PFant, die hoookete uf^eheitdie emaect. — 4468 H. S. Met ufoeesMe parati, eeit Gifd. Zondig T^r sinxen «ingt men den epm* tel eetate prudentee, en een paer «ondagen yroeger eeti^ faetoree varki^ doch den dag yan eekite parafi ken ik niet* Naer het my toeschynl wil TWEEDE BOEK. 176 In dat ewangeliam , lieve oom, 4470 Ie dede 8iJD» nemen goede goom, Yau' boter ende Tan sconén brede: Dato goede have Toor hongers node. Ende doe hi sat' gegeten was , Lampreel , Quam mijn jonxste soon Résseel 4475 Ende wonde wech doen dat relief; Want jonge kinder[hebbetf] eten lief. Hitjaisie [daer] na; dat conijn Sioecii hem voor die* tanden sijn, Dat hem dat bloet uut ran ten ogen , 4480 Ende hi viel in onmacht yin swaren dogen. Doe Reinar[dijn] mijn outotè so^e Dat sach ,Jiép hi ende geerde lone , Ende greep bi den hoofde Lampreel. Hi hadten gescuert tolten morseel , 4485 Ten ware dat iet hem benam. Daer halp ie hem , dat hi óntquam , Ende sceidese , ende sloeóh mijn kint sere. Dat conijn liep tot minen here Den coninc, ende seide , ie wilden moorden! 4490 Siet oom, dus cornet in den woorden. Mi is groot ongelijc gésciet; Nochtan daecht hi, ende ie niet. Hier na quam Gorbout gevlogen , ' Die mi een droef gelaet ginc togen. 4495 Ie seide: cc Wat is di? laet dijn kermen ! » i sprac: cc Mijn wf}f is doot, ochermen! Reinaert slechts een' bybeltext bybrengen, Termanendeom ons voor te bereiden. De prosa: Et vos eetote parati, y* 4471 Boter, H. S. Boeten. Men zeide wél den honger, den dorst toeten (Y* SM8), en men nam ook boete y oor reinedie, aiyumeniunê; dbch V* AAM en de andere oüide texten TOiderea hier ^flll9r» r^ 4472 JEToMf, «etwaer; als in V 568. — AA1A Rosseel, H. S.géheél.-^ Min BMefy oreisoliot, in de prosa dai oveMijf. — 44189 Lampreel, H. S.^dat£èm- prosit. • — 4484 Hy soa hem in slakken gescheard 'hebben. In 't H. & Ie keMen gestuert toiten morseel. Prosa gheschoert. 176 REINAERT Ginder leit een doot aes, toI meden , Daer mede woude si haer aaden, Ende at van den wormen êo teel ^ 4500 Dat si haer spleten uter keel, End^ sterf. » Ine condet haer niet verbieden ! Ie ^ad hem ^ dat hi mi bedieden Soude ) wat daér ware gesciet? Doe Tlooch hi henen , ende liet 4505 Mi staen. Ie en conde niet yan hem weten. Nu seit hl , io heb die hoer doot gesmeten , Of io hebse doot gebeten, Alsb niet en is (dat moet God wetent): Hoe soudicse comen so na , .4510 Want si ylieget, ende ie. ga? Siet, oom , dus ben ie bedragen. Ie mach mijn ayonture wel clagen. Dat geluc is mi seer oohout. Maer licht, het is mijnre sonden scout. 4516 Het ware mi goet, condic gelidén! » c< Neve , gi sult te hove tiden , Ende doen u onscout toot den heren. » fcOdii oom, des moet ie al ontberen, Want mi heer Herman , die provisore , 4520 In spaus ban dede te Tore , Om dat ie Isegrim raet gaf Dat hi sciet , ende sqn orden over gaf Ter Elmaer, daer hi in was bégeyen. Hi seide, het was so s waren leven , 4525 Hi soude sterven soudet lange dueren. Mi jamerde sijn kermen ende trueren : V* 4497 Eên dooi aoo, ene. in de latere prosa: Eên doods looiif en beter dan in Ruimu , waer het heet: « Un at enen Tisch np mit den graden. » -^ 4K01 Ine condet^ H. S. encofluU. -— 4511 Bodragon, aen^ geUaegd. ^ 481» GoUden, sterren? doorktmien? in 't H. S. Hot wtm mi goet cond 4ei geliden. — 4516 7¥dfefi, tyen , tTridcen. — 45S0 H..& In spaus ibofi heeft snfarUè voor. TWEEDE BOEK. 177 pc] halp hem als 'een vrient getrouwe , Dat hi uut quam : des heb ie rouwe ; Want hi meent , boven allen dinc 4630 Mi te doen hangen voor den coninc. Dus loont hi mi goet met quaet. Siet oom , dus ben ie tenden minen raet. ^X\^4wi\ Ie moet te Romen om een absolutie ; Ende so naect grote persecutie 4636 Minen wive , ende mijnre kinderen. Dese quadien , die mi dus hinderen , Selen[se] altemael onteren , Ende dit soudie gerne keren. Ware ie van den banne Tri 4540 So gine ie, en verandwoorde mi: Nu en derfe ie niet bestaen. Soudie dus onder goede luden gaen ? Ie heb anxt , God soude mi plagen ! » cc Neen neve , laet u niet versagen , 4545 Eer gi u dus verdrueken laet: Ie ken te Romen wel den staet, Ende versta mi wel opt werc. Ie heet Mertijn , des biscops elerc ! Ie sal den provisoor doen citiren , 4660 Te Romen, ende tegen hem pleitiren, Neve , ende doen u [excusie] % Ende brengen u een absolutie , Sijns ondanckes , ende al waert hem leet ; Want ie in thof den loop wel weet , 4&&5 Wat ie laten sal, of doen. Daer is mijn oom Simoen , Die machtich is , ende seer verheven : Hi helpt gerne die wat geven; Daer is Prentout ende Luisterwei, y* 4BtO H. S. Mi te behangen voor den coninc. — 4586 Quadien, kwaden, b(x>8dooner8. — 4K42 Soudie dus, H. S. due eo^dic. — 4845 1^ H. S. te. — 4559 PrenknU, fr. frende-Umt. Voor deze en de vol- 178 REINAERT 4660 Scalcvont , Geeftmi ende Greepsnel : Dat 8iJQ al ons naeste magen. Ende ooc sal ie met mi dragen Een deel gelJto , of ics hadde te do^i : Die bede js metter giftep eoe^. 4665 Men sal den pennine houden leren Ter noot dat onrecbt n^e te kerei^. Een trouwe vrient sal lijf ende goe|t Voor sijzen yrient setten , alst noot doet. Wel is die yrient ende dit ge)t verdoemt 4570 Daer niemen troost of ^e}; pf o^pmt* Neye, troost u hi^r wel toe. Ie en rust niet , na morgen vroi^ , Eer ie te [spausen] hove ben ^ vooft die beren. Ie sal u saken al impetrerep. 4575 Gaet te [sconinx] bo?e , als gi eerst moget. Alle die sonde ende ondoget, Daer u in yerswaren mach djie ban. Die trecke ie ipi selven anj Ie laetse u qujjt, ende i^eemse op mi. 4580 Als gi te hove comt, daer seldi Ruken^u, mijn wijf, vinden, Ende baer sust^r, ende mijn kindeq , Ende uwer magen veel pochtan: Neve , die spreect dan coenlic an ! 4585 Mijn wijf is sonderlinge goet , Ende diet gerne om die vrienden doet : Gi selt daer aen vinden vrientsc^p groot ; Want trecht beeft dicwijl bu|p$ qpot. Die vriende sjjn altoos goet bespcbF , é gende peraonnaedjen beeft men in Runiu: Schalkerant, GrijpCoey Wendehoike eo Losevunde. De prosa noemt Luiier^cele en GreepwUef waer hier Luitierwel en Greepsnel siaet. V' 4864 Koen is de bede welke met een geschenk gepaerd gaet. Dete fraeie regel is door den Saxischen vertaler Toorbygezion. — r 4569 ZM yeft, H. S. gek. *— 4575 Gaet ten hove zoodra gy kunt. TWEEDE BOEK. 179 4590 Al had mense ooe een deel TeirWrocht. Waert dat u geen retht sdeA en mach , Sent, oyer nacht eilde over dafch, Int hof om mi , ende fofet mt tveten : Alle die int laUt sijn geseleé , 4595 Ist coninc, ist vrou, 'M t?ij# of man, Sal ie brengen in des paeui» ban , Ende senden een inAerdict «o swaer, Dat men en sat, voor noch naer, Doden gra??en , singen noch lesen ; 4600 Daer en sal ooc niemen gedoopt wesen , Nóch geen satrament ontfeen, Ten is eerst vol recht gedaen. Nere , dat sal ib u te bant bejagen. Die paeus is oiit tan dagen , 4605 Also dat i&ien[ne] niet veel en acht ; Maer altemael des hoVës macht Heeft die cardinael van Yaloot: Hi is jonc ende van magen groot. Y' 4500 Venorocht. De prosa voegt er by: P^ani dai hhei moei crti- pen daeri niet ghegaen en can, — 4597 Interdict. Op yerscbillende tyden 18 Ylaenderen met een interdict geslagen. Zie, onder andere, op bet jaer 1128 , WARiiKOEniifG, ffistoire de la Flandre, p. 188, enz. — 4603 Te kant, aenstonds. — 4604 Out tan dagen. Misscliien' ziet dit op Gre- gorios IX, in den ouderdom van omtrent bondend jareh overleden den 21 augustus 1241. — 4607 /^o/oo^ Waerscbynlyk een fransch woord, van valoir afgeleid (valoite?), en dus zooveel of men zeggen zoude: de kardinael comptant-geld. Indien het rym geen ooi gevorderd badde , zou de scbrjver wellicht valuüt geschreven hebben, gelfk dit woord voor- komt in bet gedicht van der Mtelen ende van den lichame, in P« Bloh- XAnT*8 uitgave van den Theophüus, bl, 50 : Yalut, 8cat, huus ende scuere Es u ghenomen in corter ure. • De oude prosa beeft: Die cardinael van Puergewt, et Rn^iut 2>6cafv mmM vanUn^noge.Aeu'een stamgenoot der F'alaiê, of aen een' anderen franidien kardinael kan biei' niet gedacht worden; immcftrv ik vind geen tulken naem in Düdmiiifs. Histoire de i&m$ le$ cardinausB Fran^ fw, Paris, 1660, 2 vol. in-iblio. ^ r. 180 REINAERT Nu heeft hi een concubijn, 4610 Ende si is [hem] oec also, in scijn, Boyen allen dingen lief ende weert. So wat si aen hem begeert Dat yercrijcht si al te licht: Siet, neye, dit is mijn nicht; 4615 Ende daer ben ie so wel mede, Dat si altoos mine bede Doet Torderen, soVat ie begere. Doch ncTe , bid den coninc minen here Om hulp , dat u recht gesciet : 4620 Ie weet wel , hi en weigert u niet , Ende trecht is eiken swaer genoech* » Here coninc , doe ie dit hoorde , ie loech. Met groter bUscap quam ie hare, Ende heb u geseit al tware. 4625 Mach iemen enich ander dingen Met goeden tuugen op mi bringen, (Als men billic sal doen enen edelen man,) Latet mi na recht beteren dan. Of willen sijs mi doen geen verdrach, 4630 Men sette mi velt ende dach , Ende enen goeden man tegen mi, Die mi gelijc geboren si, Ende laet elc daer sijn recht bekinnen ! Welc die eer wint, men laetse met minnen. 4636 Dit recht heeft hier altoos gestaen ; Daer om en latet nu niet yergaen Y* 4600 Concubijn, H. S, cobijn. Ik yolg hier de prosa. ^— 4612 Si, H. S. hi. — 4618 Doch neve, bid, H. S. doch neve bid ie. — 4620 U, H« S. mi. — 468tf Hier altoos gestaen. In Tele plaetsen ran YlaeDdercn , nogtbaos, was bet ongcoorlofd iemand tot den kamstryd te beroepen, en al yroeg liep daer het spreekwoord : Kamp recht, kwaed recht. Bo- Tendien waren er leven exceptien om den kamp te declineren : « Teer- ste es, als de verweerere yan 'dien &ite ghesuyert es by examen of daer» gaende waerbede; Tander es, als Uait gheyallen es int openbare, ende in blij(^likeli steden, daer de sake pronyelic es; Terde es, als de sake TWEEDE BOEK. 181 Over mi , alst is nu oyer mijn : Het madi hier namaeU een ander djn : Dat recht en doet niemen ongelijc. 4640 Si swegen al , arm ende rijc , Doe dus coenlic sprac Reinaert : Dat conijn was seer yeryaert Ende die roec, si en dorsten niet spreken, Ende sijn beide uten hoTe gestreken , 4646 Ende sdden , doe si opt mme waren : « Heer, ie waen noeh nergent naer. » « Alêo #lecht of ako daer [Het] in u tftaet,, ak gijt uut met, Ie moet u seggen wat mi let 4695 Op U) eer gi enige meerre kijf Aen mi bewijst , [om] met herten stijf Mi te doen no^h meerre confuse. Doe gi waert uut minen huse, Ende ie u al had TergeTcn 4700 Die quaetheit, die gi had bedreren, Ende gi scerpe ende staf Yan mi ontfinct, die ie u gaf, Op dat fp, OTer see sout Taren , Ende u Tan allen souden claren , 4705 Ende Toortaen IcTen in goeden staet, Doe sinddi mi, onreine quaet. Die scerpe weder, ende Cuwaerts hooft: Hoe waerdi daer in so Terdooft , Dat gi mi dorst doen sulke scande? 4710 Het was een onbequame offerhande. Enen knecht ta sinden sinen here : Hier tegen en weet gi geen were; T' 4689 Gy zyt nogthans grootelfks aen 't niien (ruiyen) , aen 't kael worden; gy zyt uwe ploimen kwyt. Zie Wkilaitd, verbo muUen. De prosa: Ghy siji verm¥yt» «^ 4690 Prosa: Sidi van binnen dU ghi schijnt van buien. «— 4698 Uui mei, uitmeet; in de prosa aieo gkiu vermeei. — 4706 Doe einddimi, H. S. Doe gi mi eindde. — 4708 Hoe teaerdi daer in, E* S. Daer in eo waerdi» < — 4710 Onbequaem, onaen- gename. — 4712 Hier tegen kunt gy u niet yerweren , yerantwoorden. 184 REINAERT Want seWe die capellaen BelliJD Most hier af die bode sijn, 4715 Diet ons al seide boet yerginc. Al sulc loon , ais bi ontfinc , Om dat bi die boodscap dede , Seldi oec ontvangen mede, Of mi sal recbu ende wet ontbreken. » 4720 Reinaert en weet nu wat spreken , So door seer wart bi vervaert : Hem dunct bet gaet al aebterwaert , Ende al sijn raet en baet bem niet. Ontfermelic staet bi ende siet ; 4725 Bleec yan yerwen wart bi gedaen, Hi en weet niet wat bestaen. Hi sacb daer yeel yan sinen magen, Die alle swegen, boorden ende sagen; Maer niemen en boot bem noch die bant. 4730 Die coninc sprac : Die man sprac : « Hoe sout comen nu 4925 Eenen rover te wisen enich woort Dat roven hem ooc toe behoort? V* 4908 Sekerhede, Terzekering, eed, borg. — 4907 PFei, pro«a: ewe; wat het zolfde is. — 4908 Machi niet vaUen bet , kan 't niet beter, met anders zyn. — 491S Boete, hulpbewys; dooh hier als e utt ê muB . — 4914 Ie bene te moete, ik ben des te vrede. Zoo wei men eheere» gemoet hebben, voor met hem venoend of bevredigd tyn. Zie myn J7w- torick onderzoek der oudheden van Antwerpen, bl. 194. — 4917 SHnde" pier, pierverslinder. Rihibkb zegt: « D4r motte én Pluckebüdel de raven nit syneme sonen Qoackeler. » — 4919 Teten, H. S. totten. — 491t9 40M Hoe xou het toch eenen roover kannen toegef^ven worde te be- slissen, dat het rooven hem behoore? TWEEDE BOEK. lÖl Ooc en macht een niet wisen aUeen. Laet ons drie of Tier gemeen Horen spreken , die hem rechts Terstaen : 4930 Laet dan gaen , daert sculdich is te gaen : Ie hebt nochtan quaet genoech. » Dat serpent met des overdroech, Ende gingen echter so lange stonden , Dat si den beer ende den wolf Tonden , 4935 Dien si alle haer saec seiden. Aldaer wijsden si , onder hem beiden , Dat tserpent den man soude doden ; Want hongers dwanc , ende lijfe node Breect alle eden , ende alle trouwe. 4940 Die man had yaer, ende groten rouwe , Doe hi dit hoorde , Tan sinen Utc. Dat serpent spranc na hem seer rire: Het scoot uut sijn Tenijn. Die man ontsprano met groter pijn , 4945 Ende sprac: « Gi doet mi onrecht groot, Dat du dus staes na minen doot. Du en hebs geen recht daer toe gehat. » Dat serpent sprac : cc Waer om segstu dat? Het is di tweewerf gewijst tegen. » 4950 cc Dats Tan den genen , die selye plegen Te moorden , te stelen , ende te roTcn : Al dat si sweren of geloTen Dat en houden si , min noch meer ; Maer, Toor den coninc , onsen heer, 4955 Leit mi daer, in sijn hof; Daer beroepic di hier of, Ende dat moochstu weigeren niet; Ende wat mi daer gesciet y* 49SS Echter, daeraa. — 494S Seer rive, zeer verhengd. Rive, lücr verkorting van rivelic, is eigenlyk ruim , en by overdracht feeête^ lyh. Yergelyk de aenteekening op Yan Hulu, Y* 6215, en YLunmkife Gkf #ar, achter Riraiu, bl. 199. 192 REINAERT Dat wil ie dulden ende dogen, 4960 Ende geen were daer tegen pogen. » Bruun , die beer, ende Isegrijn Seiden toten man: « Dit sal sijn ! Dat serpent en sal niet bet geren , » Ende meenden , qiiaemt int hof ons heren , 4965 Dattet al soude gaen na haren love. [Dus quamen si samen ten hove.] Voor u , heer, ist recht ten hogen. Des wolfe kinder, die veel mogen , Idelbach ende Seldensat, 4970 Quamen met haren Tader, om dat Si den man mede souden eten ; Want si Tan honger lude creten , Dat gi hem huus ende hof verboot. Doe stont die man in groter noot , 4975 Ende riep tot u om genaden : Hi claechde , hoe hem tserpent woude scaden , Dien hi so groten duecht dede, Ende boven trouwe ende sekerhede Die hi van hem had ontfaen. 4980 Dat serpent sprae : « Ie en heb niet misdaen ; Des ga ie aen den coninc al bloot; Want dat dede lives noot, Dat boven alle noden gaet. » Gi coninc , ende al u raet 4985 Waert hier seer mede begaen , [Als gi die sake haddet verstaen;] Want u coninclike edelhede, Ende ooc u rechtveerdichede Sach aen die trou van den man, 4990 Ende [gi] en wout daer niet comen an Dat hi den doot daer omme lede; Y' 4Q6Ö Na hann love, naer han goedachten. — 4967 Isi fêch$ «mi hogen, H. S. ts^ u yet te hoge. — 4960 Seldensai, prosa : Nimmeremi. — 4981 Des beroep ik my blootelyk aen den koDiDg. TWEEDE BOEK. I9S Want hijt op geloTC dede. Meo «al billix houden trouwe, Ende tander «kien siet men nouwe 4995 Dat noot drijft , aist gaet aen den live. Heer, dus haddi ^oten kiye. Daer en was niemen int hof^ Diet best recht wist hier of; Maer daer waren sulo , die mei willen 5009 Den man gerne badden helpen TÜlen , Haddet also mogen gaen. Ie sie noch hier die sttlc staen , Ie weet wel wat si doe seiden. Ten leste , doet tot geenen beseeiden 5005 En oonde comen , wat si rieden , Dedi Reinaert minen neef ontbieden , Dat hl die sake soude Terdaren : Des was hi boren alle , dier waren , Gehoort , ende bet gelooft Toor u. 5010 Doe riepse tot haer Rukenouwe : Ende si gingen bi haer staen. Eic was lelie, als Barlebaen, 5185 Groot als haer moeder, ende niet minder. « Welcom seit , lieve kinder I Staet hier bi uwen neye Reinaert; (So sprac si) comt al herwaert, Die Reinaert bestaen ende mi! 5190 Laet ons den coninc bidden , dat hi Hem trecht van den lande doe hier. » Tot haer so quam meuich dier : Die das , met enen snellen trade , Met sinen wive, yrou Slupecade, 5195 Dat eenkoorn , ende dat musont , Die fluwijn , dat maerter bont , Die bever, ende sijn wijf Oordegale , Die genette ende die oostrale , Die bunsing ende dat foreet, 5200 (Dese twee waren Reinaerts eerste leet , Y' 518S RiepêCy H^ S. riep ie. — 5184 Barlebaen, een booze geest, waerover sie Hütdvcopih, op Stoki, UI, bl. S8, en GHniH*8 Deutiche My- tkoiogie, bl. 56S. De prosa: Barrabas. — 5191 Trade, tred. — 5194 Slu^ peeade, H. S. Lupelkade, prosa Shpeoade. — 5195 Musont, Muishont, of wexel, mustela* Zie boyen bl. 74. Hofihaiiii denkt dat het de kai %j. De Theutonista ook geeft op het woord cat, muyahont, catius, murile-' gu8, mueio, pilas, en lager Y' 5214 wordt de wesel genoemd. Men kieze! — 5197 Oordegale, Het woord schynt fransch: orde gale (vnile krabster). Zie hier achter Y* 74S1. — 5198 Ooeirale, waerschynlyk geen appellatief, in de proêA Oêirale. Geen van beiden zyn my bekend. Yergelyk Y* 7420, waer het marter dien naem schynt te voeren. — 5199 Bunsing, naem Tan een dier, wiens vel gebruikt werd om wanten te maken. Di Langi Yar Wtroabmbbii , Geêckiedeniê der heeren van der Goude, I , bl. 6S0. 200 BEINAERT Want %\ gerne hoenre eten ; ) Die otter soude men node vergeten , Ende Panthecrote sijn wijf, hem bi; Nochtan waren die bever ende si 5205 Reinaerts vianden daer te voren ; Maer fti en dorsten taiet verhoren Yrou Rukenau; want sise ontsagen. Ooc was si thooft van sinen magen, Wijs van rade , ontsiende seer . 5210 Daer quiimmer twinticb of meer Bi Reinaert, door haer lieve* Yrou Aelcrotte ende Quanteskieve, Haer twee susleren quamen mede, Die wesel , die egel ; tselve dede 5215 Dat hermei ende die vledermuus. Hoe wel ontfinese Biteluus , Ende haer moei , vrou Aelcroot ! Want het waren haer speelnoot; Die waterrot ende dat watermael, 5220 Dat forries, dat lossen, ende nochlan wael Yeertich, die ie niet can genoemen: Die sijn al bi Reinaert gecomen. Rukenau sprae : a Here conine , Nu mooehdi sien, op desen rine, 5225 Of Reinaert heeft enige magen. Here, gi moget ons node verjagen; Wi sijn u trouwe ondersaten, Die lijf ende goet bi u souden laten , Waer dat gijs ooc had te doene. 5230 AI sidi machtich seer, ende coene, V' 820S Panthecrote j hier achter Y' 7421 Wantecrota gespeld, en in de prosa Pantecroet. — 5209 Ontsiende, Toorzichtig. — 5211 Door hmot lieve, ter liefde van haer. Prosa: hoer te lieve, — m2 hi de prosa: AUrote, Quanie, ende Slieve. — IS219 Watermoel (?), in de prosa W9lier- hoen. — 5220 Forriee? Beide deie laetste diernameii %fn my onbekend. Dat loeeen, de lochs, lyns, lupw cervarime, volgens KuuBiv. TWEEDE BOEK. 201 Ons yrientscap ea mach u niet scaden! Laet Reinaert hem wel beraden Op die saec , die gi hem tijt. En can hi hem onsculdigen niet, 5235 So doet hem.hoTes wet, Wi en eisschen niet , nodi en geren bet : Dit en soude men weigeren niement. » . Die coninghinne sprac : « Hi en does giement , y rou , dit seide ie hem gisteren wel ; 5240 Maer hi was so door fel , . Dat hi daer na niet horen en woude. » Die lupaert Firapeel , die boude , Sprac : cc Here , gi moget niet nochtan Verre rechten dan wisen u man ; 5245 Want woudi met gewelt gaen. voort , [Dat ware] als of gi u eer Terloort. Hoort tael ende wedertale, JEjide dan beraet u seWen wale , Hoe gi recht, na tbeste besceit. » 5250 Die coninc sprac : cc Dits al waerheit ; Maer ie was so door gram , Doet mi in den mont quam , Van Cuwaerts hooft ende sijn doot , Dat dede mi dat ie so yerscoot. 5255 Doch wil ie Reinaert horen spreken. Can hi die ondaet Tan hem steken , Die men seit dat hi heeft gedaen , Ie laten gerne quy t gaen , Ende meest om beden wil van sinen magen. » 5260 [Reinaert was sijnre yresen ontslagen] Ende hi docht int herten sere : God geeft mijnre moeien eere , V' 52SB Hi, H. S. te. Giemeni, niemand; Termoedelyk by verkorting Tan geen iemand. — 5244 f^erre rechien, verder rechten, outre-juger. In de proea : heer coninc, gy moogt nie^ vorder rechten dan u mannen en wiieen. — 5254 Fencoot, miste. 26 202 R9INAERT Si heeft mijn rijsgen wel doen bloeien ; Si heeft wel aen mijn kar geeroeien ; 5265 Si heeft mi geboden wel die hant. God danc , dat si den vont so yant ! Ie heb nu enen goeden Toet Op te dansen , ben io yroet ; Si wil nu selye sien uut mijn ogen , 5270 Ende brengen Toort veel scone logen , Die ie gehoort is overluut , Om mi te helpen self hier uut. Doe sprac hi : « Here coninc , o wi , ^"•'■^' "*: Is Cuwaert dool, wat segdiP 5275 Ende waer is Bellijn die ramP Wat bracht hi u hier, doe hi quam? Want ie hem drie juwelen gaf, Daer ie dat ware gerne wist af, Waer dat si sijn gebleven : 5280 Dat een soude hi u hebben gegeven, Ende mijnre vrouwen die ander twee. » c< Wat, neye, (sprac vrou Rukenauwe) 6305 Wat baet dat gi droeft dua sere? Noemt ona die juwelen ^ hebt genen dere , Wi sefense bi yri^iden raet Wel crigen , tsi yroe of laet y Des si boven der eerden si|n ; 5310 Want onse meester Acarijn Sal daer om lesen in sijn boeken. Wi sellenne te ban doen, ende vloeken In allen kerken dier af weet , Tot dat hi daer af doet besceet : 5315 Het en mach ons niet ontstaen. » (c Neen j hebt des geenen waen : So wiese heeft en sciet daer niel ave. Nie en gaf oonine so riken gave , Als [dese] juwelen sijn ; 5320 Doch dat hert hdKÜ m^n So seer verlicht met uwen troost! Maer ist dat mi God verlooft , Tot minen wil , uut desen onredbté , Daer om [mi] dese lose knedite Y* BS09 Deêf dat, mids. — 5310 Acarijn y in de prosa Aoherijn; vermoedeljlb een Terdiclite naem, afgeleid van het miildelBeawsch- lalynsehe oeoofOfBy dat is, op hêt gsMtcht vergelyAeu. Zie bet Ohêê. van Ducinaft, verbv AaiMratiê. In de Mefe pfo$$t heet kei:- ^y ««Hbn meêHer JRM99oi4ff, den brofsdêr mm Nestanmi, bidden , dat hf moèki eeft heMwei- fmg9, t9n km d sa/ den ditf Bekend xijn^ Men iNid eok sekcre menestrels^ wrike men Naehmrfne noende, em dat tf op d& n^eóarim^ fr. naeairej qieelde«« (C. J. Da Laii«s Yav WTiiaAiaiiiT> GeeehiedêmB der heeren wm der G&nde, i, bl. W76.) — öSlö H en kan ons niet ontvallen. 204 REINAERT 5325 Met logentael hebben behangeD , Al soudic dese werelt doorgangen, Ende daerom laten tleven mijn , Ie sal weten waer dat si sijn. » Met eenre geveinsder rouwiger elagen ^^^l^\ 5330 Sprac Reinaert: «Hoort, al mine magen, Ie sal u noemen dié juwele ; Doeh mooehdi seggen dat ie Tele Geluc8 ende eeren hebbe verloren. Teen was een vingerlijn , noem ie voren : 5335 Yan finen goude was dien rine , Ende binnen , dat tegen den vinger ginc , [Daer] stonden letteren geamelgiert, Van sabel ende van asuer visiert , Ende [in] dat drie hebreeusche namen : 5340 Ie en eondse gespelden noch versamen , Want ie die tale niet en verstont ; ' Maer, een wijs man maecte mi des eont: Het was meister Abrioen van Trier: Hier isser veel , die sijn manier 5345 Wel kennen : Hi verstaet alle dingen Tusschen Arkeloos ende Drongelingen , * Ende Eenam ende Floorsbergen ; In alle die vdldemisse , nergen , En is geen dier, so sterc, so coen, 5350 Ten is van meester Abrioen Bedwongen, als bijt aensiet, Ende moet al doen dat hi gebiet. Y' 5SS9 Mei eenre geveimder, enz. Nayolging Tan T' S18K. — KSM ^tii^eW^, yingerring. — KSS7 Geamelgiert, geëmailleerd. — 5141 Ahrioen vem Trier ^ Wederom, naer het schynt, een verdiohte oaom. Abrioen of Abrieoen u in het oadfiransch een kwtJ^Molver^ en ab ri oon mer bedriegen* — 5S46 Arkelooê ende Drongelingen , beide my onbekende plaetsen. De prosa stelt Harlebeke en Drongen^ twee bekende pla^aen, de eene by Cortryk, de ander by G&ai gelegen. — 5ft47 Eenmm, hj Audenaerdc. Floorebergen, wellicht F'hereegem, ook by Audenawde. TWEEDE BOEK. 205 Nochtan en looft hi niet aen Gkxle; Maer het is die beste jode, 6365 Die men inder werelt yint : Crude ende gesteente hi wel kint, Haer yirtuten, ende wat si sijn. ^ Ie liet hem sien dit vingerlijn : Hi seide mi , dat[ter in stond] drie namen , 5360 [Die] eerst uten paradise quamen , Ende datse Seth sinen vader brochte , Doe hi den ontfermigen olie soohte. So wi^ [die] namen over hem draecht , Hi blijft altijt ongeplaecht 5365 y ander temptatien , ende van den quaden. Donre , blixem , maeh hem niet seaden , ToTery, noch alfs gedroch.' Meerre duecht leiter aen noch : Hi en mach niet yerdenren yan coude , 5370 Al lage hi naect in enen woüde , Al moeder naect op een yelt, Drie wintersche nacht aen een getelt, Al yroost ende waidet uten noorden : So groote cracht hebben die woorden , 5375 In orconde meester Abrioen. Een steen yan wonderliken doen Stont buten aent yingerlijn; Hi en mocht niet verbetert sijn, Ende was gedeelt yan yerwen drie : 6380 Als root cristal was deen partie, Ende dat blincte so claer, Of hi barnende yuer waer. Also was hi altoos gedaen. V' IS85S Looft, gelooft. — 5S6S Rumu: Do hê den die der barm-- ^hêrüekeii êochie. Volgens de hoogdaitsohe proso was de ring otM Edoch ke rg ebr ac hi. — 6M7 Alfa gedroch, bedriegelykenschyii, door de el- Ten of alyen yoortgebracht. Zie daer over Gaom's Deuisohe Mtfihologie, bl. S61, 512. — IS87S Naer de getuigenis yan meester Abrioen. 206 REINAERT So waer een woude bi nadite gaen , 6386 Ende des hi met hem droecfa den steen , Hi en behoefde lidits engeen Van keersen \ want hi sach So wel , oft ware sooon dadi. Met 8ulke gelijc was dander , twaer , 6390 So fijn ende so claer , Als oft waer ^tNTuneert. So wat misquame den ogen deert , Of aen den lichame enicfa ges wel , Dat conde dat uutboeten wel, 6396 Als ment bestreec daar mede. In allen hooftsweer ende swaerhede , Of in den lichaems ongesonde , Die yan yersumentheit comen conde , Van yergiflenisse ende yenijn , 6400 Of enige siecte , die maeh sijn , Lanc eyel , gicht ende tisike , Fistel , kancker ende artike , Ende alle siecte , sonder die dool. Op dat men een luttel footeiflcn goot 6406 Daer men den witten steen in stac , Ende dat dranc, al ongemac Wort hi quijt) cant hi geswdgen. Met groten redite madi ie mi beigén Dat ie dus yulic heb yerloren. 6410 Die derde yerwe moochdi boten : Die was groen als een glas ; Maer somich dropel daer in was , V' 5884 Een, iemand. — IS889 Dander twaer, d'andere steen, yo(^ waer. — 5892 Mitquame, misseijkheid , kwade toeyal. — 589-4 0«#- boeten, uithelpen, geneieD. — 5895 AU meni, H. S. fite dan mêni (mit dat meot?) — 5401 Xonc evei, de steel: in de syde, yolgens de a«n- teekening achter Mammluit'b Spie§d hieioriael, III, M. 18; doch Tolgeu KaïABH , Terbo £tel, de Miêerere. — Tie^, phtisie. — 54M At^kéf lat. AtékrUU. — 5404 FwUmên, fbnteinwaler. — 5409 FMe, ^hA- lyl^ 9 geheel. TWEEDE BOEK. 207 Gemengt recht als purpur Taer. Die meester seide mi , yoor waer, 5415 So wie dat droege sulken steen , Van sinen yianden en souden geen So sterc wesen , of so coen , Die hem macht hadde te misdoen , Ende hi soude aller wege, 5420 So waer hi yochte , hebben sege ^ Waert bi nachte of bi dage , Des hi den steen nuchteren aensage ; Ende daer toe soude hi lie%etal Sijn metten luden , OTcr al ; 5425 Al hadden si hem gehaet te Toren , Si souden Tergeten alle toren. Ende droech hi den steen , dat si en sagen , [So] en soude hi niet yersagen Door geen bedroch , door geen gewelt , 5430 Tegen hondert gewapende [int velt] : [Hi] soude vrolic yan herten keren Ende behouden sijn lijf ende eren ; Maer hi most sijn een edel man , Daer geen dorperheit waer an , 5435 Of alle dese cracht en holp hem niet. Lieye yrient , nu besiet , Hebdi ie , in waren woort , Van steen meerre cracht gehoort? Ende om dat hi was so goet 5440 So docht ie , dat mi niet en stoet Te hebben so dueren scat , y 841S Vawr^ kleur. Zie Bumute, NUuw9 F'&rÊchMenheden, lY, bl. M. — K426 Si iouden, H. $. hi jptkfa* — IS4S0, K4S1 H. S : Tegen hondert gewapend te voet So sonde hi blide ende wel gemoet Ende ttoUo yan herten keren. Een dergelyke ring wordt yermeld in Florii en BhmekeflewrY^ 1800 tot 1874. 208 REINAERT Ende hadden den coninc om dat Minen Ueyen here, gesint, Als Yoor den edelsten die men yint , 5445 Ende wanttet al aen hem leit , AI ónse eer ende onse salicheil, Op dat sijn lijf voor allen yresen Te bet altoos bewaert soude wesen. Een spiegel ende een kam , . ^ vïfiiai 5450 Die ie ter selver stede nam , Daer ie yant dat vingerlijn, (Dies Avil ie openbaer sijn, Dat was in mijns vaders scat , ) Nie en creeeb ie meer dan dat , 5455 Ende die woude immer hebben mijn wijf, So wel waren si haer gerijf , Dat iese daer niet en mocht laten : Die had ie ter eren ende tharen baten Der coninghin gesent, mijnre vrouwen; 5460 Want si mi vrienscap ende trouwe Ende grote huescheit heeft bewijst. Die kam en mocht niet sijn volprijst : Hi was gemaect van een been , Ende dat was suver ende reen, 5465 [Van een dier] geheten Panthera. Tusschen dat groot India , Ende dat eerdsche paradise , Voer dese beest , ende ooc haer spise. Yan verwen is hi also scoon,^ 5470 Dat men onder shemels throon Geen verwe en vint so diere, Panthera en heefs een maniere. Daer toe ruüct hi also soet. Dat sijn lucht can geven boet V» 8488 Fowy leefde , bestond. In de prosa ; voedet. — K47J Of Panthera heeft er iets Tan. Prosa: hi m heêfi dë$r tout gMühtniêÊe-mf. — 8474 Boet f hulp, genezing. TWEEDE BOEK. 209 5475 Van eniger groter -quale. Sijn 8Coonheit , ende dat hi ruuct so wale Dat doet dat menich dier hem yolcht na. Een scouderbeen heeft Panthera , Seer dun , breet , ende dat so yast, 5480 Dat hem deren en mach geen last; Ende als men hem dat , levende , wint uut , So blijft hem altoos die virtuut Van der sueter lucht ende roke ; Ten mach niet rotten , noch crigen broke 5485 Nimmermeer , tot geenen dagen. Water, vuur, steec , noch slagen , En mach hem niet scaden licht , So hert , so vast ist , ende so dicht. Die suete lucht , die daer uut sciet , 5490 En soude die menigen loven niet : Het heeft alsulke cracht, Dat etens noch drinkens en acht Die sijn sade daer bi mach wesen : Die is alles evels genesen , 5495 Gesont van herten , vri , ende vro. Dit been is gepolijst also Claer, oft ware van silver fijn , Daer toe wit, alst mocht sijn Van ivorien of bocraen. 5500 Die tanden die daer aen staen V' 5477 F'oigi na. Zoo ook in myn H. S. van Mabilaht's Naiurenbhme: Alle beesten volgen hem naer Die sijn land horen yorwaer, Om sine dor soete lucht. Yergelyk EonuAiCs Fundgruben , I, bl. 18, 28. — 5478 Scauder been, prosa êchoonen been. — 5488 Roke, reuk. — 5484 T en kan niet rotten, noch yerslyten. — 5498 Wie zyne verzading daer by mag vinden. — 8499 Bocraen, zeker fyn linnen. Zie Dvcahoi op Boquerannus, en wegens den Brugschen handel in die stof de lammentatie van Zigir tan Mali , in Bsaügouit's Betchryving van den Brugschen koophandel, bl. 218. De ge- leerde ondheidkenner C. J. Db LAitfin Var Wthgairdih , wien de stof 27 210 REINAERT Sijn nauwe , te maten , ende smal , So slecht of si waren Tan glasen al. Ende tusschen die tand ist velt so breet Datter menich beeld in steel, 6505 Van finen goude , wel gesmeden , Half knokels lanc, ende daer beneden. En sach nie sijns gelijcs , in reden. Die yelde sijn gesoakiert 5510 Van sabel, yan kelen geamelgiert, Van synopei; ende Tan asuer, Ende is die historie ende ayentuer Hoe Venus , Juno , ende Pallas Een appel, die fijn gouden was, 5515 Onder hem drien hadden gemeen , Ende elc wouden hebben alleen. Alle wijl si daer om keyen. Ten lesten sijn sijs op een bleyen , Dat si aen Paris gingen , 5520 Ende hem den gouden appel bringen , Dat hine gaye openbaer, Die yan hem drien die scoonste waer. Paris , die scoon was , ende een berde goet, [Was uter stad gegangen , ende stoet] 5525 Buten Troyen , op die heide. Juno geloofde ende seide [Hem] die meeste rijcheit te geyen dan , onbekend was, scbryft Terkeerdelyk bolkraen {Geschiedenit der heênn van der Goude, I, bl. 688.). y 5502 Slecht, glad. — 5506 KnokeU, kneakels, in het H. S. duve- kels, wat een sehryffeil is. Ik volg de prosa. — 5507 En aach, bet en zag. In reden, met reden gezegd; gelyk in trouwen. — 5510 , 5511 Geëmailleerd, zwart en rood^ groen en blaeaw. Wegens deze benamin- gen der klenren kan men nazien Bildkkdtk's Nieuwe F'ersch,, \\, bl. 68 en Tolgende. — 5518 Op een hieven. Op iemand blyren is aen iemand de uiiepraek overlaten, hem tot arbiter kiezen. — 5523 H. S. Paris die eceem woê ende harde. Ik volg de prosa , waerin men herder, oulings herde, leest. — 5527 Geven, H. S. hebben. TWEEDE BOEK. 211 Die doe ter werelt had enicb man , Op dat hi baer den appel wijsde toe. 6530 Palla$ geloofde hem ooc doe , Woude hi haer den appel toewisen Si souden hooch in machte doen risen , Dat hi alle $ine yianden soude Onder hem dwingen , soe hi woude. 6635 Venus sprac : cc Wat segdi yan scat , Of yan gewelt? berecht mi dat : Ift Priamus niet dijn yader? Ende Hector dijn broeder, die al gader Tlant heeft bedwongen , yoor ende na ? 6540 En is niet dijn moeder Hecuba ? En is Troyen niet dijn , die grote stat? Ie sal di geyen die meeste scat , Den edelsten , ende den besten daer bi , Die in alle die werelt si , 5545 Wilstu mi yoor die scoonste prisen , Ende den gouden appel mi toe wisen : Du selst hebben dat scoonste wijf, Die ie ontfinc op eerden lijf, Ende immermeer gecrigen sal ; 5550 So bistu rijc boyen al , So climstu allen heren boyen : Dats een scat , die niemen oan yolloyen \ Want rein yrou wen , scoon endé goet , Die connen sterken mannes moet , 5555 Ende yerdriyen allen hertenleit. Si doen plegen scamelheit ; Si doen duecht ende wijsheit leren. » Paris hoorde haer presenteren : Y* 58S6 Berecht mi, leg-vkj dat uit, berichi my dat, — 5556 Sca- meOmt, eerbaerheid. In de prosa: Si doen ecamelheii plegen, si doen êcamelheii vQibrenghen. Zie ook wegens dit woord de aenmerking van SnaiHBsiK op den PF'apen'Martyn, in de Nieuwe werken der Maetechgfpy van Ledden, UI, bl. 180. — 5557 Leren, H. S. keren, prosa leren. 212 REINAERT Sijn hert wart in ^oter yroude : 5560 Hi bad , dat $i hem noemen woude Die scone yrouwe, wie si waer. Yenus sprac : « Ie 8eg di waer : Des conincs wijf yan Grieken Helene! Scoonre yrou en leeft nu gene , 5565 Edel, sedich, rijc ende wijs. » Doe gaf haer den appel Parijs , Ende seide , dat si die scoonste waer. Hoe hi Helenen creech daer naer, Ende namse den coninc Menelaus , 5570 Bi hulpen der godinne Yenus, Ende brachtse te Troyen binnen , Dat grote solaes der hertenminnen , Dat si twee te samen dreven , 5575 Stont daer met beelden opgegreyen , Ende letteren daer op gescreyen , Daer men bi mocht boecstayen gereet Yan elc dinc dat ondersceet. Nu hort yan den spiegel goet : ^t^iü!) 5580 Dat glas , dat daer in stoet , Dat was scoon ende onmaten claer, Dat men daer in sach , yer ende naer , Al dat op een mijl na gesciede , Wast aen beesten of aen lieden , 5585 Yan dingen die men weten wilde. Ende wie ooc yoor den spiegel hilde Sijn aengesicht , ende hi daer in sage , Had hi sproete , sm.ette , of ylage Op sijn ogepeerle , of twitte , 5590 Yluus , of cobe , of ander smitte , Dat genas hi claerlic al 9 So groot yirtuut, so groot geyal V' 5578 Boeeêtaven gereet, gereedelfk lezen. — 5579 Den, H« S. O0, H. S. hoe. — 8931 Al kaddei, E. S. ie had. — 89M Fenpêkkm, opwel^t lot Uachte. Ia de prosa: Mer dai mi wtêeH mi** duncki. TWEEDE BOEK. 225 5950 Dat miJQ Tader quam hier in , Van der soolea tot Mompelier, Daer hi studeerde der jaren Tier, In recefSten van medednen; Ende alle die teeken ran urinen 5955 Kende hi so wel als sijn hant, Ende alle die crude die men vant, Treckende viscose ende laxitiye : Die kende hi bet dan sulke vire , Die grote meesiers nu willen wesen. 5960 Hi was van oonsten so uutgelesen , Dat hi siden ende bont mocht dragen. Hi Tont den coninc in groten plagen Van suucte , doe hi te hove quam , Dat hi swaer ter herten vernam; 5965 Want hien minde boven allen heren. Die coninc en mocht sijns niet ontberen.^ So wanneer hi was int hof, Alle die ander hadden dan orlof ; Hi en geloofde niemen Toor hem. 5970 c( Reinaert (sprac hi doe) ie hem Die siecten crijch, so langer so quader. » « Lieve heer coninc (sprac mijn vader) , Hier is een glas : maect u urine ; Ie sal u dan seggen sekerlic u pine , 6975 Also saen als ie se aensie met ogen , Ende hoe men u sal helpen mogen. » V* 5951 F'an der scolen ie MontpeUier, reeds in de tiYaelfde eeuw be- Toemd. De lessen in de medecynen begonnen aldaer ten jare 1 180, volgens RomT Dl HissBUW, Diciionnaire univenel de la France, IV, p. K55. — 5957 F^iêcoie, H. S. tis coppen, prosa viêcose. — 5968 Suucte, ziekte. Yergelyk Rihiaiiiiis, lib. II, Y' SI : Contigii arreptum forti languore leo- nêm, etc. midsgaders de fabel van Marii di Franci, in bare Poésies, n , p. 25Qr. Het hier behandelde feit maekt bet onderwerp uit van eene bnmehe der fransche RenarU, getiteld Cest la branche de Renart $% wme 41 fu mim, by MtoH, H, p. 905.— 5968 Orlof, H. S. lof, prosa oerlof. 39 226 REINAERT Mijn heer dede dat hi hem riet, Want hi en geleefde doe niet Daer hi meerre geloof op droech , ^ 5980 Al wast dal hi sint omsloech Aen minen heer, die hier staet , Bi quaden gilen , bi quaden raet. (Het heeft mi wonder alremeest Dat 80 verkeerde sinen geest, 5985 Maer het was seker tegens sinen doot ; Hi wart Tan sinnen seer wonderiic groot , Dat hi so raesde ende dutte.) c< Heer coninc, sprac hi, u is nutte, Suldi immermeer genesen 5990 (Ende dat moet entelic wesen), Eens wolfs lever yan seven jaren. Hier en moet gi niet me sparen: Die suldi eten , of gi sijt doot ; Want u urine tuget al bloot. 5995 Haest daer mede Toor alle dinc. Die wolf stont daer aen den rinc, Ende hoorde toe , ende sweech al stille ; Maer die conine sinen onwille Hem claechde , ende sprac : cc Her Isegrijn , 6000 Nu hoordi wel hoet hier moet sijn: U lever moet mi genesen! » Doe sprac hi: cc Heer, ten mach niet. wesen; Want ie weet wel , dat is waer. Dat ie noch niet out en ben vijf jaer ; y* 5978 Geleefde, leefde. In het H. S. geloofde. — 5983 Gihn, be- drog , H. S. geelen. Versta : Al vtslb 't dat hy (myn vyaDd), die hier staet , deze yriendschap sedert heeft doen omslaen, by bedrog, enz. — 5990 Entelic, eindelyl^. — 5992 Sparen, wachten. De heer Ym in het tweede deel zyner Geschiedenis der Nederlandsche iael, bl. S78 en S74 leidt het woord af Tan sparren, sperren, d. i. Tersperren, verhinderen. Voor my, ik houw het voor een frequentatiyum van spa-en (spaden, Ter- tragen) en dus spa-eren; hier van spade, ie spade, enz. TWEEDE BOEK. 227 6005 Ie hebt mijnre moeder horen seggen. » Mijn Tader sprac : « Heer, wat mach u leggen Aen dijn woorden ? doeten spouwen ; Gi doetet wel met sijnre ouwen ; Ie sal wel aen die leyer sien 6010 Of hi waer seit. » Ende mettien Most die wolf ter kueken gaen: Die leyer wart hem uut gedaen. Die coninc atse , ende hi genas Van allen suucten , die in hem was : 6015 Des danckede hi minen yader, Ende sijn gesin hiet hi algader Dat menne yoort meester Reinaert hiete , Ende , op sijn lijf, dat niemen en liete. » Hi bleef yoort bi den coninc , 6020 Ende was gelooft yan allen dinc. Altoos most hi hem naeste gaen , Ende op sijn hooft was gestaen Een scoon fiolen rosencrans , Die hem de coninc met eren gans 6025 Gaf, ende deedse hem met eren dragen. Nu is dit al te samen om geslagen , Ende men yergeet al ouder doget ; Die gierige scalken worden verhoget , Ende die wijsheit set men achter ; 6030 Des hebben die heren groot lachter , Ende dalen so lanc so meer ; Want als een dorper gier wert heer, Ende boyen sinen bueren crijcht macht , So en weet hi selye niet wie hi slacht ; V» 6007 Spauwen, prosa sponden, splyten, openen. — 6008 Ouwen, cmde, onderdom. — 6017 Meester Reinaeri, Rbineki: doctor, — 6018 Op sifn lijf, op lyfstraf. — 6025 Dragen, In Reinekb krygt de tos ên guldene span un ên rót berêt. Over hot dragen Tan eenen roozenkrans by feesten en andere plechtigheden kan men nazien Lborahd d'Aussy, F'ie privée des Frangais, II, p. 323-226. Reinaert kreeg een krans Tan yio- lem, met rooien ondermengd. — 6026 Om, H. S. over. 228 REINAERT 6035 Hi en kaït niet waen hi comen si , Ende om tuemens liden en droeft hi ; Hi en hoort ooc niemens bede, Daer en yolcht die gifte mede. AI sijn seggen dat i« : cc Brengt hier ! » 6040 Och hoe menich dorper gier Sijn tiu te hove bi den heren , Die seer smeken ende smeren : Maer mochten si faaers heren leven Behouden met een oor te geven , 6045 Si lietene sterren eer sijt gaven. Si slachten den wolf, die node laven Den coninc met sijnre lever woude. Noch had ie liever, eer dat soude Die coninc sterven, ende sijn goede wijf, 6050 Dat hondert wolve verloren tlijf , Ende het ware ooc mijnre scade; Want , wat coml van quaden sade , Sijns dancs doet hi selden duecht. Heer coninc, dit sciede in uwer juecht, 6065 Dat uwen vader dit was gedaen; Daer bi ist licht u ontgaen. Ende ooc so hebbic selve mede !ï^i^^ »,▼«. 540».] Gedaen eer ende hoveschede , Die doe wel behagede u , 6060 Ai dancli mi $o luttel nu. Maer u en gedencs , so ie waen ; Daer bi ist noot dat ics vermaen. Niet dat iet doe om enich verwijl; Want ie ben sculdich tot alre tijt 6065 Voor u te doen wes ie vermach. Ie quam gaende op enen dach y 60S8 Ten zj de begiftiging de bede TolgL — 60M Seggen, H. S. ménioh (meeoing?) — 6042 Smeren, prosa flattetm, -— 60IS1 ProMS Hei ioaer oec ie» mimien eomde. — 60K5 Dii was gedoe». Volgens Rn- ifi&i stont dit ge^ni ook al op den spiegel a%ebeeld. — 6066 lo qutm TWE3SDB BOEK. 229 Metten wolf her Isegrijn : Wi hadden geraen te samen een swijn , Dat beten wi doot , toot tlude ^ren. 6070 Heer^ doe quamdi van verren Uut eenre haffen ons int gemoet: Gi groette ons met scoonre groet, Ende spraect: « Sijt weloome, gi twee! Die honger doet mi also wee, 6075 Ende minen wiye , die hier comt achter : Woudi ons deilen , ons soude te saditer Te moede wesen Tan uwen gewinne? » Her Isegrim sprac bi den kinne Ja , so dat menne nauwe verstout ; 6080 Maer ie riep met luder mont : « Ja wi , here , al waert wel veel meer. Wie wildi dattet deilt nu, heer? » c( Dat seldi , heer wolf, (spraect gi doe); » Des was Is^prim doe wel vroe , 6085 Ende deildet als hi was gewoon: Die een helft nam hi tot sijn verdoen Te voren uut , ende tvierendeel [Gaf hi u , ten was niet veel ,] Ende dat ander deel mijnre vrouwen. 6090 Doe ginc hi bilen ende knouwen , Ende haeste hem , dat hijt op at. Dat oor metten naesgat Ende half die longen gaf hi mi : Ende al dat ander behielt hi. 6095 Aldus toonde hi sijn edelheit! gaefuhj enz. Te vergelyken met Rbinardüs, lib. IV, fabula ü, Y' 188 et 899; ab zjnde dit geval daemit overgenomen. Zie ook Robirt, Fabhê inédüeê, I, p. 83, en £d. De Dniii, FFaerachtighe fabulen, bl. 88. T' 6069 F'oor ilude garren, om zyn luid schreenwen (te beletten). Gantn, gerren, guren, is gemere volgens Kiluin. Yergelyk Rbhhki, y* 8418. — 8978 Sprwi hi den kinne^ sprak op zulke wjze dat zyn kin* aebakken alleea in beweging kwam, en niet zyn stem; in de proia: Spnck $HUdsen9^ -^ 609S Nmeagai, neusgat» 23a REINAERT Eer men eens credo hadde geseit So had ff. u deel op , als ^ selt weten ; Npchtan haddi gerne meer gegeten , Want gi en waert noch niet sat. 6100 Doe bad gi Isegrim noch om wat; Maer hi en gaf u niet een koot. Doe hiefdi op uwen rechten poot , Ende sloechten so tusschen sijn oren , Dat hem dat yel mochte.scoren, 6105 Van der nasen totten ogen. Doe en conde hi niet gedogen Die smerte; hi huulde, ende bloide sere, Ende liep wech met snelren kere , Ende liet sijn deel daer liggen neder. 6110 [Gi riept hem na: « Haest u hier weder J ^ Ende brengt ons meer, hoe gijt raemt; Ende siet dat gi u bet meer scaemt <, Als gi deilt , op een ander tijt. » Doe seide ie : « Here , gebiet gijt 6115 Ie ga met hem : ie weet wel wat. » Gi seidt: [cc Gaet mede. »] Ie liep na dat Met hem ; hi carmde seer ende stan , Ende croonde hoe qualic hi daer was an ; Maer hi en dorst niet lude dagen. 6120 So lange liep wi te samen jagen, Dat wi een yet calf yingen. Ende doe gijt ons saget bringen Lachte gi , ende het behagede u wel. c< Reinaert , spraect gi , gi sijt snel 6125 Ter jacht , als gijt u wilt onderwinden ; Ie sie , gi cont wel wat vinden ; Gi sijt goet uut gesent ter noot. Y* 6097 Gi, H. S. At. Ik volg Rninu en de prosa, wyl V* 6100 aen- toont, dat de wolf zjn deel niet opgegeten had. — 6102 Reeklenf H. S. reekieren^ — 6112 En wees een w^nig minder schaemleloos* — 6118 Croonde, kreunde | klaegde. — 6119 Imde, H. S. wel. TWEEDB BOEK. 231 Dit calf is vet ende ^oot. Hier moget fp, sdver deilre af sijo. » 6130 cc Ie doet gerne, seide ie , iieye here mijn ! . Die een helft is u te yoren , Die ander moet uwen wije toebehoren; Pensen, leyer, darmen ende longen Die selen hebben u jongen ; 6135 Dat hooft sal hebben Isegrijn , Ende die Toeten die sijn mijn. Doe gi dit hoorde waerdi. yro : cc Reinaert [spraeet gi] wie leerde u also Huesschelic deilen , doet mi verstaen? » 6140 cc Heer, dat heeft dese paep gedaen , Die metter roder crunen sit hier , Om dat hi hem maecte so fier Heden, doe [hi] deilde dat swijn. » Dus wast gelopen Isegrijn, 6145 Dat hi creeeh scade ende scande mede, Met sijnre onhuesscher gierichede. Ooc [ist soo]^ dat men den wolf noch vint Die sonder [sparen] eet ende verslint Den geen , daer hi over mach. 6150. Hem naect menigen droeven dach Die die wolven saden moet ; Want si en sparen vleesch noch bloet : Al dat si vinden nemen si mede. Wee der landen ende der slede 6155 Daer die wolven hebben die overhant! Si en sparen vrient noch viant, So wat si crigen dat hem genuecht. Dat, ende menigerhande.duecht, Here , heb ie voor u gedaen , y* 6140 Paep, H. S. enaep, prosa paep. — 6141 Metter roder cru- nen. Navolging van Y* 985^ 1468, 1820, 1826, hoewel de dichter niet had moeten yergeten, dat de wolf slechts tuêêchen neus en oogen een krab gekregen had , blykens Y* 6105. 232 BEINAERT 6160 Die' ie 'u wel soude doen verstaen. En Tiel die reden niet te lanc , Des ff. mi seg^ seer lultel danc , Na den woorden , die ie Tan u hoor. Mi dunct , saechdi al dinc wel door, 6165 Dat gi wel [wat] met mi mocht liden. Ben ie die esel , die men sal riden ? Of dat lamkijn , dat men eten moet? Waer mijn aventure goet, Ie sou uit ander scotel eten. 6170 Ie plach goet ende quaet te weten Bet dan sulc ander, ende was ooc mede Wel gelooft yan dat ie dede. Ie conste yoor yrouwen ende voor heren Een saec insetten ende ordineren , 6175 Daer macht aen lach, ende bet Toorsien, Wat yan den dingen mocht gescien , Dan suic deden , daert nu aen staet. Men plach genen wisen nauwen raet Te sluten , ie en was daer bi. 6180 Al heeft dat ongeyal nu mi Aldus onder tnet gevaen , Dat blat dat mocht noch ommeslaen , Ende dat rat yan ayentueren Mocht mi noch ooc gebueren, 6185 Dat mijn recht, ende ooc mijn woort, Gelijc enen anderen souden gaen yoort. Ie en eisch geen yerdrach : Ist dat ment mi betugen mach Na den rechte, in enigen broken, 6190 Ie wil dat aen mi si gewroken. y* 616S Dat gy my wel een kleinigheid mocht toegeren. — 6166 Ben ie die eeel, enz. In de prosa: Ben ie ymmerdie eMel, dienden ryden êai, em dat hm dai men eten moet? — 6160 H. S. lo êoude emder enodel eien. — 6177 H. S. Dair eule Oen daert nu aen Uaei. — 6184 Prota: Mocki mi noch eo koeghe vueren. — 6189 Broken, TWEEDE BOEK. 283 Ende seit mi iemen iet op, dat hi Toe mach bringen , die 8etlet bi , Na der gewoonte vaa den hore ! Heer coninc , bi uwen oorlove 6195 Bid ie, dat u dit genoegel » c< Reinaert , gi spreect al ten gevoege : ^*JJ^*i5M*i Uwer talen volgic al. Mi en ist ooc niet tot ongeval, G)nden wi weten wie Guwaerts leven nam , 6200 Anders dan dat ons Bellijn die ram Sijn hooft in die scerpe brocht^ Ie liet u quijt van desen gerocht, Ende ie en sou niet meer op u crocttien. » « Lieve heer, God moets u loonen ! 6205 Seker, gi moget ooc wel also : Sijn doot maect mi so onvro , Dat mi dat herte dunct versieden. ' Och, doe si beide van mi sdedden, Cuwaert ende mijn vrient Bellijn, 6210 Hoe swaer wart dat herte m^n ! Mi docht dat ie beswijmde al. Ie meen , het was tegen dit ongeval Dat mi , leider, was so naer. » Alle (die meeste hoop , die was daer ,) 6215 Die Reinaerts tael hebben gehoort Van juwelen , ende [sagen] hoe ht voort Daer op stercte sijn gelaet, Meenden dat was sonder baraet , Ende dat hi niet dan waer en sprac. 6220 Si claechden seer sijn ongemac, Sine scade, ende sinen rouwe. Die coninc selve ende sine vrouwe Ontfermden sijnre , [met] jooc ende oude , Ende seiden dat hi troosten soude , V* 6S0S Lwif H. S. loet. — Getvcht, gerucht, begin der klage. Zie de aenteekeaing op Y' S06. — 6207 P^enieden, vergaen, comumeren. — 6S17 Sterde, H. S. êtorie, prosa êtercte. gQ 234 REINAERT 6225 Ende pijnde hem te soeken die juwele; Want hi hadse geprijst so yele , Datter hem seer den sin op stoet. Ende om dat hi hem maecte vroet , Dat hise hem beiden hadde gesant, 6230 Al quam hem niet ia die hant, Nochtan hadden sise gerne g^enomen , Hadden si geweten waer aen comen. Reinaert^ die wel die meninge verstont, Ende die weinich goets had in sinen gront, 6235 Sprac : « God danke u ^ heer ende vrouwe , Dat gi mi troost in minen rouwe. Ie en sa I rusten , nacht noch dach, Noch niemen ^ die ics bidden mach , Ie sal lopen ende jagen , 6240 Smeken , bidden ende vragen De werelt door die vier hoeken , Al soudic ewelic soekep ^ Tot dat ie weet waer si sijn. Ende ie bid u , lieve here mijn, 6245 Of si waren ooc tot suiker stede , Dat mijn cracht ^ [noch] mijn bede Niet helpen en mocht , dat gi mi dan Wilt helpen ; want het gaet u an : Het goet is u ; ende u toebehoort 6250 Te rechten voor roof ende moort ; Die leider daer om is gesciet. i> c( Reinaert , des en laet ie niet. Wanneer gi weet waer si sijn , Ende gi begeert die huipe mijn , 6255 Die sal u altoos sijn bereit. » « Och heer, dats al te wel geseit , G)ndic noch , ie souts u Ionen ! » Nu dunct Reinaert sijn sake seer sconen: Hi heeft den coninc tot sinen wil , 6260 Die hem viant was , openbaer ende stil. TWEEDE BOEK. 236 Hi denct : « Mocht hier dus gaen uut Datter toe was goede gruut , Na dient gescapea stont te Yoren ! » Hi heeft hem allen so veel in doren 6265 Luegen geslagen , ende doen verstaen , I)at hi wel vri waent henen gaen , Sonder yan iemen beroepen te sijn. So had hi ooc ; maer Isegrijn Was tomich ende mismoedich seer : 6270 Hi sprac : « Heer coninc ^ edel heer, Sidi dus kints , dat gi gelooft Den losen scalc , die u verdooft Met geveinsder logentael gescal? Dat heeft mi wonder al. 6275 Ie soud hem trou geloven spade : Hi is yan moort ende yan yerrade Doortogen , ende houtet al yoor spel : Dat sal ie hem bewisen wel , Eer dat hi noch sceit van mi 1 6280 Mi is lief, dat hi hier is so bi: Sijn liegen en sal hem hier niet yromen , Dat hi yan mi iet can comen. Siet , heer, dese lose catijf ^*i**ÏÏmm!] Yerriet eens al te seer mijn wijf: 6285 Hi deedse eens diep waden int slijc Bi twater onder enen hogen dijc, Ende maecte haer wijs , dat si den staert Int water stake , daer soude , ter yaërt , Also yeel yisch aen biten , gi sult weten , 6290 Si en soudse niet met haer yieren eten. Y' 6S68 , 6264 Zoo dat er nog goede gniit (mout, hop, bierdroessem) bykwam , schoon hot te voren zoo slecht geschapen stond. Wat grutte was, leert ons Raepsait, Analyse, II, p. 455, en Kluit, Historie der Hol- landsche staatsregering , IV, hl. 432. — 6282 Zoo dat hy my nog zou kannen ontkomen , ontloopen. — 6288 Ter vtteri, spoedig. — ^2dOEten. In den RiniAaiiDS is het de wolf, wien Reinaert visschen leert yangen, en hier op «iet ook Y' 1509 hierboven. Yergelyk de uitgave van Mom, bl. t4: Htc impinge tuam, carissime patrtte , caudam, enx. 236 REINAERT Si waende waers, (die arme dwase!) Ende [ginc] tea buuc loe in die Mase , Eer si tollen waler quam , Daer si doe tollen sleert in swam , 6295 So si alrediepsle eonde. Dit was in enen winter stonde , Dal se dus bedroooh Reineert ; Want si hielt so langf den sleert Int water^ dat si daer in bevroos. 6300 So wat si looch ^ si en mocht niet loos Uien ise; doe hi dalsach, Liep hi daer toe al dat hi mach , Ende spranc [haer] achler op tlijf : Och, daer yercrachle hi mijn wijf! 630B Si en conde geweren niel haren toren , So herde slont si int ijs bevroren. Dit en can hi niet missaken , Want ie vant hem opler braken , Also ie liep om mijn bejach , 6310 Ende oplen dijc mijn wech lach. Ie sach hem beneden op haer staen Crijlsen , lijlsen , steken , slaen , Als men pleechl tot sulken spele. Och , daer leed ie hert seer vele ! 63 IB Doe riep ie : « Reinaert , wat doedi? » Doe hi so na hoorde mi , Spranc hi op, ende ginc sijnre straten. Ie ginc lol haer met droeven gelalen , Ende moest int slijc seer diep waden , 6320 Ende in dat coude waler baden , Eer io dal ijs onlwee gedoste , V» WOl Zy dacht dat het waer was. — 6iK)7 Misnaken^ loochenen. Zie Kil. — 680B Op ter braken ^ op de misdaed, op het feit. Braecke u break, gebrek. Riiniki stelt: Up der schynharen ddt. — 6812 Crijtwn^ kratsen, kretsen. Lijtsen, in de prosa lutsen, d. i. loteren. — 63SI Gedoate, stiet, verwant met het engelsch U>$$, het yslandsche thyê, en hei TAVEEDE BOEK. 237 Ende baren steert daer uut loste ; Nochtan liet sijs daer een groot stic ; Ende daer toe waren si ende ie 6326« Wel na doot bleTen ; want si galp So hide yan sniert, eer ie se halp, Dattie dorpers dat yernamen, Ende op ons gelopen quamen Met pieken , haken , ende stocken , 6330 Ende die wive met haren spinroeken. Daer riepen si : « Slaet alle toe ! » Ie en creech nie meerre anxt dan doe , Ende dat selve segt ooc mijn vrouwe ; Want wi ontquamen al daer nauwe. 6335 Wi liepen , dat tsweet uut brac. Daer was een dorper, die na ons stac , Met enen piec , die wel was lanc : Die deed ons alte groten dwanc; Want hi was stère , ende licht te voel. 6340 Ten ware dat ons die nacht bestoet , Wi waren daer seker beide bleven. Die lelike quenen , met sterken steven , Hadden ons so geme gesmeten! Si seiden wi. hadden baer scaep gegeten, 6345 Ende boden ons menigen ramp. Daer gingen wi door menigen camp , Bewassen met brame ende biesen : Daer mosten ons die dorpers verliesen, Ende dorsten bi nacht ons niet volgen : 6350 Si keerden weder seer verbolgen, Om dat wi also ontgingen. Siet , heer, dit sijn lelike dingen , oaddoitsche duMMe; doch door my nooit elders aengetroffen. De prosa: êloeeh. Y' 6S25 Zi gaip, zy gilde; van gelpm, of gilpen^ waer over de op Yah Hulü, y* 6272. — 63S8 Segt, H. S. Soude; doch zie Riihbu Y' 11081. — 6SS4 Daer, H. S. door. — 6S4S Quenen, H. S. quamen, prosa quenen, Siepen, staven. 238 REINAERT Dit8 moort, cradit ende Terraet, Dat u scerpelic te rechten staet. d 635B Reinaert sprac : « Heer, ware dit waer, ^^^*^'J^] Dat gioc mijnre eren al te naer: God yerbiets mi , dat ment so Tonde ! Tis waer, ie wijsde haer teenre stonde Hoe si visschen soude yaen , 6360 Ende eenen goeden wech over gaen, [Door] twater, sonder te treden int slijc; Maer si liep so gierichlijc , Doe si die Tisschen hoorde nomen, Si waende niet te tide te comen ; 6365 Si en hielt wech noch wise , So dat si bevroos in den ise : Dat dede, dat si te lange sat. Si had Tisschen genoech gehat , Hadde si met reden willen Uden. 6370 Diet al wil hebben , het Talt bi tiden Dat hi yan allen missen moet. Al te gierich en was nie goet; Want niemen en can den gierigen yersaden. Doe icse sach so seer beladen , 6376 Doe waende ie haer te helpen uter noot: Ie hief, ie loedse, ende ie croot, Om dat icse waende uut te boren ; Maer dat was arbeit yerloren , Want si was mi al te swaer. 6380 Doe quam Isegrim aldaer, Ende sach hoe dat ie croot, ende stac, Dat hi doe in dorperheden trac , Als die quade te doen plegen. Aldus so was die saec gelegen. 6385 Hi segt anders niet dan logen ; Maer ie meen , hem scemerde sijn ogen , V- 6276 Loed$e, H. S. lud$e. — 6S85 H. S. Endeheerimwm den niei don hgen. TWEEDE BOEK. 289 Also hi ons sach van boven int dal [En de hi sere yan anxten gaf) Daer hi opten dije sat. 6390 Hi yloecte mi seer, ende swoer bi dat Sijn magen ^ ie sout becopen. Doe icken hoorde gine ie lopen , Ende lieten scelden ende dreigen. Doe ginc hi heffen ende wegen , 6395 Ende halp sijn wijf uten diepen. Of die dorpers lude riepen Ende jaechden , dat was hem goet ; Want si verwermden haer bloet. Si waren anders Tan coude yerrroren. 6400 Ende wat ie na ofte yoren Heb geseit, dats al waer. Ie en name aen goude claer Niet dusent merc yan goude, Ende ie u eens liegen soude ! 6405 Soudie u liegen , lieve heer ? Dat soude mi misvoegen seer. Dat en sal , ofl God wil , nimmer wesen , (Ie genees so ie mach genesen,) Ende ie sal immer seggen waer. 6410 Ie hebt geplogen al mijn jaer, Sint dat ie eerst wijsheit began. Ende twivelde u ooc ergens an , Van allen dat ie hier heb geseit , Dattet iet [anders] ware dan al waerheit , 6415 Geeft mi achte dagen spacie : Ie sal u doen sulke informacie , y* M91 Sijn magen. Hier schynt iets te ontbreken : Hy Mwoer hy iat (leven?) van syn magen. In Riireu staet: Ub vlokede my dérto de pop- fdeye^ en in de prosa : Hi vloecte my $ere, ende swoer duere, hy a!h eine maghen. — 6894 Hi, E. S. te. — 6408 Hetzy dan dat ik losgerake of niet. Zie Y' 1404 , waenran dit eene navolging is. — 6412 Ergene au, H. S. andere dan. Ik yolg de pro0«. 240 REINAERT Met goeden gelovelikea oroonde , Dat gijs mi , al u levens stonde , Wel seit geloven, ende u baroen. 6420 Wat heb ie metten wolve te doen , Of ander, sijnre geliker cativen? Yraecht selver sinen wiven, Dat ie eer seide, oft so gevel? Si salt selve Uden , dat weet ie wel. » 6425 Doe sprac vrou Eerswijn : « Waen, Reinaert, fel quaet cockijn! Niemen en can hem hoeden voor di ! Du const dijn loosheit so brengen bi , Ende dijn baraet so wel versconen , 6430 Dattet di noch qualic sal lonen Int ende , al ist dat lange merret. Hoe hadstu mi eens besperret Ten putte , daer twee emmers hingen , Die met eenre poleyen gingen 6435 Op ende neder, als men woude. Du saetst in groter ongehoude Beneden opt water, in den eoen. Ie quam tot u; 'ie hoorde u stenen , Ie vraechdi , hoe du [daer] quaemst geseten ? 6440 Du seitste : cc Ie heb so veel geten Yisschen , al hier in den borne , Dat mi spliten mach die korne. » « Hoe come ie daer ? wij«t mi dat ! » Y' 6419 U baroen, E. S. ie baroen. — 6420 Te doen. In de oode prosa volgen hier nog eenige regels meer, welke in het gedicht niet Toorkomen , doch die ook niet hlyken yroeger herymd te zyn geweest — 6426 Pf^aen, samentrekking van tcaitan, wat dan. Zie ¥• 245. — Coo- kifn, fr. coquin. — 64S1 Merrei, mcrt^ mart^ daert. — 64M Beeper- rei, verhinderd. — 64dS Tenputie. Dit geval, doch anders verteld, (ah met Isengrim gebeurd) vindt men in den franschen Renari, I , p. 140 et II, p. 176. — 6484 Poleyen, palei-zeel, katrol, fr. ponlie. — 64M Ongekande, ongemak , ongunstige toestand. — 6442 Kome, romp; sa* mengetrokken van karonie, fr, charogne. . ». % , SyntinHritnii&tttfttcoutt ^tcr^n^tt i?tlö{ vmeAf»t %ae ^attet Ortw toe cttM TWEEDE BOEK. 241 Doe seidstu : « Moeie , sprinc in dat vat , 6446 Dat daer hanget^ gi comt hier saen. » Eade ie deedt. Doe most ie neder gaen ; Maer du quames [op]. Doe was ie gram, Ende yraechde , hoe datlet daer toe quam ? « Het is der werelt loop "(spraecstu weder) : 6450 Dat een gaet op, ende tander neder. Doe sproncstu uut , ende ginges henen , Ende ie bleef daer allenen [In] honger ende coude , enen halven daeh. Daer ontfinc ie menigen slaeh, 6455 Eer dat ie ruumde yan daen. » c( Moei, het dede u onsacht, ie waen? Gi hads mi lieyer, dan ie , die slage ; Want gi mochtse bet yerdragen. Onser een moestse emmer ontfaen? 6460 Ie leerde u, wildijt yerstaen, Dats , dat gi op een ander tijt , Te bet op u hoede sijt , Ende niemen en gelooft te lecht, [Want gi weet, het splreecwoort secht:] 6465 Ele suect hem selven, om sijn bate. Het ware een dwaes , die dat yergate ! » « Hoort, lieve heer, sprac Hersinde, Hoe wel seilt hi met allen winde I Hoe seoon meet hijt voor den ogen ! » 6470 « Aldus heeft hi mi die bedrogen , Sprac Isegrim, ende gebracht in scaden. Hi [heeft] mi ooc eens verraden Toter apinnen, sijnre moeien, Daer ie was in groten vernoien , 6475 Ende mijn oor wel na liet. Weet, voorwaer, hoet is gesciet.... Wil hi tware seggen , ie laet hem die tale ; , Want , ie soudese emmer so wale V 6488 Uy H. S. mi. — «467 Hoort, H. S. Foort. 81 242 REINAERT S^gea , hi en sal mi beriBpen. 6480 « Ja ie , Isegrim , sonder lispea Sal ie seQffen , eode ooc al elaer : Ie bidde u allen , hoort daer naer. Hi quam aen mi in een wout , ^^v^Uro^i Ende elaeehde sinen honger meniehfout; 6485 Want ie saeh hem nie so sal Hi en had gerne meer gehad. Mi wondert waer hi die «pise laet. Noeh sie ie wel aen sijn gelaet Dat hi Tan honger begint te grimmen. 6490 Hi ate liever yan den wemmen, Dan hi dronke een ame wijns. Doe iet hoorde, so jamerde mi sijns. Ie seide: « Ie soec mijn bejach. » Daer gingen wi te samen dien daeh , 6495 Maer wi en yonden niet teten; Dge begonde hi seer te ereten , Ende seide, hi en moeht niet verder gaen. Doe saeh ie daer een. hol staen Onder enen hage van dieken bramen , 6500 Daer hoordic wat in seramen. Doe seidie hem : cc Gaet daer in Ende sueet of gi daer vint u gewin. Ten maeh niet sijn gi en vint daer wat. » Doe seide hi : , ende sagen mi lelie aen. Ie had wel gewilt te sijn van daen : Ie was verveert ; wat bate versaeet ? Doe doehtie : ie ben daer in geraeet , 6545 Ie moet daer ute , als ie best maeh. Si was meerre , daer si laeh , Dan Isegrim ; ende hare kinder Waren eer meerre dan minder. Maer ie en saeh nie sulken proi. 6550 [Si lagen daer int vule hoi J Dat haer urijn had bewraet; Si waren belabbert ende beeaet ., Ten oren toe, van haers selfe dree. Het stane daer vuler dan hels pee ; 6555 Wel was ieker na af gestiet. kodde. Het meestendeel van de in ons land nog voorUevende namen van zulk soort Tindt men opgenoemd in Van Hassilt's aenteekening op het Etymologicum* yan Riliain, deel 1, bl. 20 ; doch onze vlaemsche Oêtchaeri, Slokketnan en Langewapper zyn er niet by. Ook nog leze ik daeromtrent in eene ghewmchelike ciute van nü hooi, volgens myn afSM^hrift: Ie wil n belesen ende besweren Ende manen , hj al dat u mach deren , By nachtridders ende by aTondtroncken , Die achter den hoven de belle cloncken , By cocketoysen , by neckers , by maren, Ende by den drollen , int weer weghen , By catten die danssen pleghen Tswoensdaechs, ende by varende vrouwen. y 6640 H. S. Doe si mi quanten camen steken. — 654S Ik was ver- vaerd; waerom zou ik het loochenen? — 6546 Meerre, meerder, groo* ter. — 6549 Prvi, pry. — 6551 Bewraet, bepekeld. — 6652 Becaoi, H. S, beclat. — 6555 Gestict, H. S. gescrict, prosa gesmoerf. TWEEDE BOEK. 245 AI had ie yan teerste gemiet Tware te seggen ^ ie moest yertien , Ende metten hoop die daer lach lien. Doe seide ie: « God , diet wel doen mach^ 6560 Moeie , die geye u goeden dach , Ende uwen kinder, mijn magen! Het sijn die scoonste yan haren dagen, Die ie gesach , yoor ofte na bi. Deus , hoe wel behagen si mi ! 6565 Hoe lieflic sijn si , ende hoe scone ! Ele mocht met eren eens conicx sone Wesen ! Wi mogen u loyen met recht , Dat.gi dus meerret ons geslecht. Ie had grote bliscap gedreyen , 6570 Had ie geweten yan desen neyen ; Want het is een troostelic toetiden. Ie en mochts niet langer liden, Doe ie hoorde dat gi waert verlegen , Ie en moeste uwes comen plegen : 6575 Mi ware leet ie en hadt yernomen. » c( Reinaert, lieye neye, weest wellecomen ! Ie weets danc dat gi mi yant: Gi sijt ooc wijs ende trou becant , Ende hebt des gerne yoor ogen. 6580 Gi moet uwen neyen ooc wijsheit togen , Ende laten doen eer ende tucht. Ie heb recht op u geducht , Want gi wander t onder die goede. » V* 6666 Gemici, yoorgenomen. — 6557 Vertien ^ opgeyen, laten. — 6658 Lienj toegeyen, geduld nemen. Yergel. Y' 6165. — 6671 7Wi- den, toenemen, verbeteren; als in Y' S916. — 6577 Vani, bezoekt, doch eigenlyk verplegen, yan vanden. In de prosa zegt Rbinazrt: Lieve moeye, doe ick hoorde, waer ghi gelegen waert, doe en conde ick niet langher ghebeyden, io en moest vriendelic tot u comen vanden; n en dan antwoordt de apin : « Reynaert, neve, sijt toettecome, dat ghy my vandet» n — 6679 Dea, dit. — 6580 Neven, Rihiikb : oomkens. — 6682 Ge^ ducht, eerbied, revereniia; doch in de prosa: Ick hebhe recht op u gedocht, d. i. gedacht. 246 REINAERT Och , hoe wel was mi te moede , 6585 Als ie dese tale hoorde ! Dit yerdiendie ten eersten woorde , Mettien dat icse moeie hiet. Al seidic so , si en bestont mi niet ; Maer, mijn rechte moeie staet ginder, 6590 Vrou Rukenau , die scone kinder Pleget te winnen , sedich ende vroet. Ie seide : * cc spot ende scamte ende spitige tale , ^Twwi Fel Reinaert , die condi wale I 6735 Gi segt , ie wel na doot was Van hoDger, [dat] gi mi laefde, op dat pas? Dats [logen ;] want dat been , dat gi mi gaeft , Daer had gi tyleesch al af gecnaecht, Dat daer niet een twint was aen, 6740 Ende spotte met mi doe saen , Dat ie yerhoDgerde daer ie sta. Gi spreect mijnre eren at te na ! V» 6716 Gesachi^ gezegd. — 6727 Fjorden, yooronders; in 't H. S. be- ter, en in de prosa : Onse beier wiser en vroemer die hebbent hier voremaeb wel gedaen. — 6788 Scamte, schampte, schimp. — 6786 Loefde, H. S. loofde. TWEEDE BOEK. 261 Wat hebdi menich spitich woort Met logenUel op mi brocht Toort , 6745 Dat ie stoot na des coninx leven , Om den scat , dien gi hem ^ven Ende wisen soudt in Hulsterlo, Ende hebt mijn wijf bedro^n so , Dat si blijft gescandeleert I 6750 Ie ware ewelie onteert Wrake ie des niet , nu gi hier sijt. Ie heb so lange verdragen den tijt , Gi en sijts niet weert : men spreeets mi laehter. Gi en moffet nu niet treeken achter. 6755 Ie en ean met [u niet] vele eallen ; Maer ie tie u hier, voor hem allen , Dat gi een verrader ende een" moorder sijt ! Ie salt u doen lien in een crijt Op enen daeh , lijf tegen lijf : 6760 Ende dus eomt ten einde onse kijf. Siet hier, ie biede u den hantseoe ! Ie wil daer voor sterven , of brengen töe. Die recht heeft, het sal wel bliken. » Dit en conde Reinaert niet geliken : 6765 Hi doehte : hoe comie hier aen , Dat ie mijn campspel moet bestaen , Tegen desen sterken vraet ? Nu ben ie teinden minen raet. Op te nemen en dooch niet gelaten. 6770 Het eomt te seaden of te baten , V" 6756 lo Hê u, ik betyge , ik beschuldige u. — 6788 Ik zal 't u in 't kryt (strydperk) doen belyden! W^at een kryt was kan men , onder an- dere , leeren by Di Larce Van Wtrgaeroin > Geêch, der heeren van der Goude, I, bl. 601. Het hier volgende yerhael yan den kampstryd tnsschen Reinaert en Isengrira dient te worden vergeleken met de fransche Bran- che c'e$t la bataille de Renart ei d'Isengrin, in Mion's Renart, II, bl. 145; doch de nederlandsche dichter behandelt de zaok anders. — 7768 Roei, H. S.praeiy prosa jmw/len (parolen). — 6769 Ik mag niet laten de hand- schoen op te nemen. 252 REINAERT Doch hoe ie vare , het moet wesen. Ie hebbe veel Yordeels in desen ; Want hem noch doen sijn claeuwen Toren So 8ere , so hi was bescoren , 6775 Doe hise door mi moeste ontscoeien : Daer in sal icken seer moeien , Ende sijn were wort veel te quader. » Doe sprac hi : « Morder ende Terrader? lemen , die dat op mi wil leggen , 6780 Daer liegen si aen , al diet seggen , Ende gi te Toren^ heer Isegrijn. Gi bracht mi daer ie wil sijn : Hier omme hebbic al gebeden. Siet hier mijn pant, dat al u reden 6785 Valsch sijn ^ ende gi daer toe. » Die coninc ontfinc die wedden doe, Ende sprac : « Set gi twee ons weddenborgen , Dat gi opten dach van morgen , Ten criten comet als campioen , 6790 Te doen dat gi sculdich sijt te doen ! » Doe wart die cater ende die bere Borge voor Isegrim den here ; Biteluus , ende die das Grimbaert Yerborchden den tos Reinaert. 6795 « Neve , sprac tot hem die apinne , ^^i^^i Sijt wel yoorsien , ende wijs van sinne I V* 6777 TVerej yerdediging. — 6778 Morder. In het fragment yan y^ii Wth by Grim: nwrdaet. — 6781 Te voren, eerst, in het H. S. voer in. Ik Tolg het fragment yan Yah Wth by Ganni ; gelyk ik 't wyders ook doen zal op andere plaetsen , waor ik den text van dit laetste veckiesly- ker yinde; behoudens dat ik telkens daer by zal opgeven de yerschuronde lezing, 't zy in 't H. S., 't zy by Grim. — 6784 Dat al u reden, H. S. daer alle vrede. — 6786 H. S. Die coninc ontfenct, die wed ginck doe. De ver- zekering of verpanding y welke men gaf, hiet wedde, en zoo is het thans nog gebruikelyke wedden ook niets anders dan certare pignore. Zie Ac- kkroijk's verhandeling over het weddeboek, in A. De Jager's Taalkundig Magazyn, I, bl. 257. — 6789 Cqmpioen, H. S. camperoen. — 6796 f^iwr- «ten, voorzichtig. TWEEDE BOEK. 263 U oom leerde mi een les, Dat al te sege salich es Den genen , die camp Techten moet. 6800 Een groot clerc , een meister yroet , Gaft hem , die abt yan Baudelo , Ende seide hem ooc also (Want hi sijn clerc te wesen plach ,) Dat men niet verwinnen en mach 6805 Binnen dien dage , in geenen strijt , Hem , dien men dat ter morgentijt Met nuchteren monde overleest. Daerom , neve , sijt onbevreest; Ie salt over u lesen morgen : 6810 So en dorfdi voor den wolf niet sorgen , Hi en mach u nergent doen wee. Tis beter camp dan hals ontwee. i> c( Groten danc , mijn lieve moeie I Mijn sake is recht , daer ie op roeie : 6815 Dat hopic sal seer helpen mi. » Al Reinaerts magen bleven hem bi , Des nachts , ende corten hem den tijt. Vrou Rukenauwe , die sijn profijt Ende sijn voordeel seer begeert , 6820 Dede hem, tusschen hooft ende steert, Sijn hair altemael af sceren , Ende daer na al met olie smeren. Doe wart hem al dat lijf so glat , Men conder nergent aen hebben vat; 6825 Want hi was vet ende wel gevoet. « Neef , sprac si , siet wat gi doet : y* 6798 Al te êege, H. S. êeer $eeeh. Venta: heilxaem ter lege. — 6801 BtmMoy eene bekende abtdy, gesticht in het land Tan Waes ten jare 1 105 , Tolgens Gazr, HiHaire Eceleiiastiquê de$ Payê^Boê , p. 886 , en sedert 1888 naer Gent Terplaetst. In Rhhbu heet het : dê abbei vam Sluhup. — 6806 Dim mm dai, H. S. dienen dmn. — 6807 OveHeeei, H. S. Overleeft. ^ 6818 H. S. Frm RtAentm eoelU hair profijt. 264 REINAERT Gi sult u seer te drinken pinen; So maecti morgen te meer urinen ; Maer houtse^ [tot] gi comt int crijt: 6830 Ende alst u noot is , ende dunct tijt , So seict Tol uwen rugen staert y Ende slatet den wolf in sinen baert. Mochdi hem in sijn ogen raken Gi aout sijn licht seer duuster maken , 6835 Ende dat soude u sere yromen , Ende hem tot groten hinder comen ; Maer, anders seldi al in een U steert houden , tusscen u been , Op dat hi u daerbi niet en vat. 6840 Ende uwe oren hout al plat Afterwaert leggen aen u hooft, Op dat hi u daer niet bi en tooft : So en mach hi u niet deren. Pijnt u wiselic te weren ! 6845 Gi selt eerst wiken Yoor sijn slagen , Ende laten hem na u springen ende jagen; Ende emmer loopt tegen den wint, Daer gi stof ende sant meest vint : Dat doet metten Toeten op stuyen : 6850 Hier mede seldi hem seer huven ; Want het sal hem in de ogen waei^i , Daer sal hem tsien mede Tcrdraeien. Ende die wile , dat hi dan wist sijn ogen , So seldi om u voordeel pogen , 6855 Ende biten ende slaen , welc u dunct sienst. Ende emmer doet hem dan een dienst In sijn aensicht , met uwer pis , V" 68S1 Rugen, by Gini: ruwen. — 6843 Toi^, *i xeUde sis ioodki {trtki)^ door de gewoone lett^rverwiaseling yan oh in f. In het H. S. •tast noöü. — 6848 Mee$$ vini, H. S. diep^ vijnt. — 6850 Huvmr 6«n Imif opietlen, foppen. lo de prosa: Atfufer mede doem. — 665ft iSteiMl, Torlueilykst. In de prosa: waerughesiemte dumkei w e e ë n . TWEEDE BOEK. 265 Dan sai hi niet weten waer hi is , So seer seldi hem daer me yerdoren ; 6860 Maer emmer laet hem u jagen Yoren , Tot dat hi een deel is yermoet. Hem sal tragen saen den Toet : AI is hi groot hi en heeft geen hert. Die daeu wen doen hem grote smert , 6865 Om dat gise hem villen daedt. Siet neve , dit is mijn beste raet. Gonst gaet dicwile voor cracht. Siet dat gi u wel wacht , Ende so wijslic set ter were , 6870 Dat gijs ende wi alle hebben ere. Misquame u iet , dat ware mi leet« Ie sal u leren mijn secreet , Dat u oom mi leerde , Mertijn , Op dat gi yerwinre moet sijn ^ 6875 AIso gi sult , ie en twiyels niet. » Mettien si die hant voort stiet , Die si op sijn hooft leide. Ende dese woorden over hem seide: Blaerde scaeye sal penis 6880 Carsby gor sous abe firnis ! Neve , nu sidi wel bewaert : Voor al misval sijt onvervaert, Ende neemt u rust , dat is mijn raet ; Want het is op die dageraet. 6885 Rust een luttel , het dunct mi goet ; Gi selt wesen te bet gemoet : V' 6862 Saenj H. S. »eer. — 6872 Secreet ^ H. S. êtreeck. — 6880 Deze toorerwoarden , waeraen ik geene beteekenis hechte , lui- den bf Grime: Blaerde êcmf ende alphenio kasby garfanê tuibulfriOf en in de prota: Alaerde eohay alphenio kaehue gor fon$ albulfrio. Over derge- lyke bexweeringen ue Grimh, Deuisehe Mythologie , Anhang, bl. czxTiy en Moifi, Anseiger, 1884, bl. 377. — 6884 Op, naby. — 6886 H.S. Ghi wart veel te bet gemoet. 25« REINAERT Wi selen u wecken wel te tide. » « Moei (sprac hi), nu ben ik blide: Gods loon moetti ontfaen I 6890 Gi hebt mi so veel goets gedaen , Ie en machs u niet Toldancken. Mi dunct, mi en mach niemen crancken, Sint gi die heilige woorden over mi laest. » Doe ginc hi slapen metter haest, 6895 Onder enen boom int groene gras , Al tot die sonne hooch op was. Doe quam die otter tot hem gegaen ^ Ende wecten^ dat hi op soude staen; Ende gaf hem enen entyogel jonc. 6900 c< Neve , sprac hi , mennige spronc Heb ie gesprongen te nacht , Eer ie desen TOgel hier bracht , Die ie enen Yogelaer nam , Bi Heirebroec , recht aen den Dam : 6905 Nu neemt ende eten metter yaert. » cc Dats goede hantgifte , sprac Reinaert , OntseicUc dit , so waric sot. Dat gi mijns gedocht , dat lone u Godt Ie salt verdienen ^ mach ie leven. » 6910 Reinaert at dat hem was gegeven : Het smaecte wel , het ginc wel in. Vier grote togen, ende ooc niet min, Scoonre fonteinen in daer na dranc. Doe ginc hi enen snellen ganc 6915 Te critewaert, met sinen magen, Diene minden, ende sijns plagen. y* 6891 Niei, H. S. nemmermêer. *- 6908, 6904 H. S. Eer ie ie$$ myt mijnre eraoki eenen w)gelaer genam. — 6904 Hdre broec, by Guni Heehe broee, en in de prosa Hoeckenbroek. Het broek van Heeeke ligt tnssclien Damme en Sluis. Zie de Carte ehorographi^[ue van L. Cafitaikb. — 6906 Daie goede, H. S. deee. — 691K Te crUewaeriy naer het krjt, het ttrydperk, H. S. lef» riftenweeri. TWEEDE BOEK. 267 Ende als die coninc vernam , ^^^vTwiTT' Dat hi also bescoren quam , Ende over al sija vel gesmeert, 6920 Sprac hi : « Ai lose tos , Reineert , Hoe wel condi tot u selveii sien I » Hem allen wonderde yan dien, So niwelic was hi an te scouwen. Hi neech den coninc , ende siner vrouwen , 6925 Metten hoofde , sonder spreken, Ende is also int crijt gestreken , Daer die wolf al was binnen , Metten genen die hem minnen. Si spraken menich hooch woort. 6930 Die crijtwaerders brochten die heiligen Toort (Dat was die lupert ende die los). Die wolf swoer voor, dat die vos Een moorder was, ende een verrader, Ende daer toe arger ende quader : 6935 Dat soudi op hem maken waer. Reinaert die vos swoer daer naer , Dat bijt looch, als een vuul katijf : Dat soudi waer maken op sijn lijf. Doe die eden waren gesworen , 6940 Spraken die crijtwaerders voren : » c( Doet, dat gi sculdich te doene sijt! » V* 09S1 Tbl « aelven $ien, n spiegelen in nw Tel. — 6928 Niwelic, nieawelyk , londerling-nieaw, in de prosa tpottelic. — 6928 H. S. Mit^ feu gtnen die hy doe mynden. — 6930 Heiligen, heiligdom , als boven V* 8S. Volgens Alkihaoi, in zyn Kampregt, bl. 226, zwoer men op de Eyangelien of op het Misboek ; doch yergelyk Grim's Rechts Alterthümer, bl. 896. Voor het overige kunnen ook beide deze schryrers worden nagezien , wegens de gebmiken van den kampstryd , benevens Dücahgi Gloêêor. n, p. 109 en volgende. — Crijtwaerders, krytbewaerders, H. S. crijiwaehters. — 6981 Die loe, Ijnx, in 't H. S. die oss, prosa die los. -^ 6984 H. S. Ende arger mocht hi wesen quader. — 6986 Daer naer, H. S. üldaer. — 6987 ruul koHjf, by GanDi loos koHjf, en in de prosa valêch boef. -^ 6940 Crijtwaerders, H. S. crijt wachters. 88 268 REINAERT Doe ruumden si alle dat crijt ; Maer vrou Rukenau bleef staende Bi Reinaert , ende Termaende 6945 Dat hi doch te op die woort , Die hi yan hare hadde gehoori, Voor die dageraet, wel yroe: cc Neye^ sprac ü , siet wel toe! Het is u stuc , het gaet u aen. 6950 Gi const wel spreken ende gaen , Doe gi seyen jaer waert out; Ooc meen ie ^ dat gi noch wel sout Bi nacht int duuster gaen ^ sonder dwalen , Daer gi wat goets wist te halen , 6955 Al en haddi lanterne noch manescijn. Gi heet alle wegen wijs te sijn Onder die gene , die u kinnen. Pijnt nu uwen yiant te yerwinnen ; So hebdi ewelic den prijs. » 6960 cc Wel lieye moeie , ie bens wel wijs Dat gi mijn beste seer begeert. Ie salder aen dencken (sprac Reineert), Ende heden suicke ere bejagen , Dat gi, ende alle mine magen, 6965 Eer daeraf selt hebben , ende mijn yiande Scade, toorne ende grote scande, Alle die dage die si leyen. Hert, sin ende moet begint mi te yerheyen, Ie denct hem so te brengen hi , 6970 Als wi te samen sijn te cri. Dat hi en sal niet weten daer, Waer hi hem hoeden sal yoorwaer. Ie salt hem so na leggen met list I V" 6947 PFd vroe, H. S. vroech doe. — 69K6 6f hebt aDerwegttn den naam yan slim. — 6960 Moeie , U. S. neve, — ^y^f wis, gewii. — 6968 Mi te verheven, H. S. hem ie verheven; ook goed. — %VIQ-Tê cri, aen 't yechtea , wanneer men den kry (wapenkreet) aenheft TWEEDE BOEK. 259 Tware scade dat hi al dinc Yirist» 6975 Si sprac : « God gunft di , neyelinc ! » Mettieii si uten crite ginc , Ende liet die twee kempen alleen , Die saen worden hanigemeen. Die wolf quam toe met groter nide^ ^"^"^«mS^i 6980 Ende ondede sine poten wide , Ende waende Reinaert daer in yaen ; Maer Reinaert ontspranc hem saen ; Want hi was lichter dan hi te voet* Die wolf spranc na hem metter spoet 6985 Grote sprongen , ende ginc hem jagen. Haerre tweer Trienden ende magen Stonden buten tcrijt, ende sagen toe. Die wolf screet wider dan Reinaert doe ; So dat hi hem afterhaelde saen. 6990 Hi hief op den poot, ende meenden slaen; Maer Reinaert , die hem sach soo bi , Sloech sinen rugen steert , dien hi Vol had geseict, hem int aenscijn. Doe waende blint worden Isegrijn ; 6995 Want die seic ginc hem in dogen. Doe moest hi rusten , ende pogen Dat hi die ogen daer af reinde. Reinaert, die sijn quaetste meinde , Ginc doe scraven in dat mol , 7000 Ende dede hem stuven die ogen so toI , (Alsoot opstoof onder den wint), Dat Isegrim wart so sere yerblint , y* 6975 Neveline, neef; doch meer oigenlyk neefhind; en zeker in Reinaert geen Niebeling. — 6977 Kempen ^ kampstryders. Zie Kuiaih; doch ook myne nitgaye Tan Van Hulü , bl. S06 , reg. 4. — 6978 Die êoen, H. S. die te hani. — 6960 Ondede, opende. — 6997 Reinde, reinigde. — 6998 Reinaert , die hem het ergste toedacht. — 6999 Ging doen scrabben in het land. By Ginni : Ghinc etaen schrobben in gheent mui, en in de profui: Ghinc hnfen winds etaen scrabben in dat stof. 260 REINAERT Dat hi alle die were begaf; Want dat sant sere claf 7005 Metter pissen in dogen , so vele , Dattet hem ginc ai uten spele. Het smerte hem so , dat hi traende. Hi wreef , hi wischde. Doe quam gaende Reinaert, met groten nide, 7010 Ende sloech hem drie wonden wide, Met sinen tanden . in sine die. « Wat ist, beet u daer een bie? (Sprac hi) her wolf, hoe sidi daer aen? Ie sal u noch anders toe gaen. 7015 Ie heb noch wat niwes bedocht. Gi hebt u droef heit lang gesocht Ende u scande : nu hebdise vonden. Gi hebt so mennich lam verslonden , JEnde menich onnosel dier verraden , 7020 Ende mi gebrocht in groten scaden Met onrecht , met valschen treken : Dat sal ie nu op u gaen wreken ; Want ie ben daer toe vercoren. U oude sonden , van hier te voren , , 7025 Selen u nu recht loon in brengen. God en wil niet langer geheugen U boosheit , u quaet regneren ! Ie sal u van als absolveren! Het is uwer sielen goet , 7030 Dat gi hier penitentie doet. y* 7008 Die loere. Grimh: den hoep (voor die hoep, de hoop; en niet hoep, circnlus, als deze nitgeyer meende). — 7004 Sani, H. S. SatU ende dat mul. Claf, kleefde. — 7011 In sine die, prosa in eijn hoefi. -- 7018, 7016 by Grim: Beit, ie heb wat niwes versiert: Glii'hebt n boosheit so langhe gehantiert, Eer ghijt hier toe hebt ghebrocht; Ghi hebt n droef heit lang ghesocht. — 7024 Simden, H. S. verdiente. — 7039 Goet, H. S. groet. TWEEDE BOEK. 261 Weest verduldich in u sneyen ; Gi en moocht doch niet langer leren : U lijf dat 8taet aen mijn genaden. Maer, in trouwen , waerdi so beraden 7035 Dat gi wout soeken aen mi ootmoet , Ende vallen verwonnen voor mi te voet , Ie woud u sparen , al sidi quaet ; Want mijn consciencie mi raet Dat ie niemen en dode gerne. » 7040 Isegrim waende van desen scerne Onvroet te werden , het deerde hem seer : Hi en conste spreken , min noch meer, So toornich was hi van herten : Ende ooc began hem seer te smerten 7045 Die wonde , die hem Reinaert beet ; Want daer tbioet ute liep gereet. Hi en docht om geenrehande sake Dan hoe hi hem best wrake. Met groten nide hief hi op den poot , 7050 Ende gaf Reinaert enen slach groot , Op sijn hooft , dat hi ter eerden vel. Doe scoot die wolf berde snel Ende waende hem terstont te vaen. Reinaert was licht , ende scoot op saen , 7055 Ende liep hem dapperlike toe. Een felle strijt began daer doe , Die geduérde langen tijt. Isegrim had grolen nijt Op Reinaert, soot wel sceen. 7060 Wel tien sprongen spronc hi na een Op hem , ende had hem gerne gevat ; V' 70SS JHooehi doch, E. S. seli. — 70S» Oaimoet, xacktmoediglieid, genade. — 7047, 7048 H. S: Hi en docht om geen saken dair Dan hoe hi mocht wreken sijn swair. — 7061 GtwUf H. S. gevaen. 2^2 REINAERT Maer die huut was hem so ^at , (Mettien dat hi was so wel besmeert,) Dat hem al ontquam Reineert. 7065 Hi en mocht niet gripen aen sijn yel , Ende ooc was hi hem al te snel ; Wanneer hi hem waende te slaen Is hi hem tussdien die been ontgaen , Onder sinen buuc, ende sloop so door. 7070 So liep hi dan weder van voor, Ende gaf hem enen aefschen hou ; Ende metten stert sijns pissens dou Sloech hi hem in sijn ogea dicken , Dat Is^rim wel waende yersticken , 7075 Ende nochtan dat meeste let. Doe hi met pissen so was genet , Ginc Reinaert int sant staen scraven , Ende dede hem tstof in dogen draven , Op sijn voordeel, metten wint. 7080 Isegrim wert bina blint: Hem docht, hi haddet al te quaet; Doch sijn cracht ende sijn daet Was Reinaert te groote.last. Menigen onsachten tast 7085 Moest hi van hraa ontfaen , Als hi hem te pas conde bcstaen ; Want hi was sterc ende groot. Menigen beet , slach ende stoot Gaven si malcander, daer si mochten; 7090 Seer nauwe si hem ondersochten , Om eic anderen te verderven. Ie woude ie noch een werven Sulke campe mocht aensien ! Y* 7062 Ght, H. S. glat^ io waen. — 7071 Aefschen hou, avereoht- schen slag. — 7072 Dou, daeuw, vocht. — 7075 Let, voor leed. — 7076 Genet, nat gemaekt/ H. S. besmet , prosa aboe nat wert» — 7078 Draven, Ganu waien. — 7080 H. S. Isegrim het grote pijn. — 7086 Bestaen, aenranden, H. S. hegoen. TWEEDE BOEK. 26S Ie sagen liever, mocht mi gescien , 7095 Dan van riddren in een pere. Die een was listich, dander stère, Deen vocht met eraehte, dander met rade, Eie pijnde hem om des anders seade. Die beste van beiden en was niet goet. 7100 Die wolf toornde , in sinen moet , Dat Reinaert so lange ontstont , Ende om dat hi so was gewont In sijn twee voeten voren : Reinaert had anders den camp verloren ; 7105 Maer die wonden waren no<^ so open, Dat hi daer qualic op mocht iopen. Reinaert modit beter an ende of. Die hem pisse , mui ende stof Dicht altijt in sijn ogen swane , 7110 Ende maecte hem dat sien so cranc. Dat hi duchte voor sine ogen. Ten lesten docht hi : cc Tc wil mi pogen Een ende te maken van desen kijf. Hoe lange sal dees loos katijf 7115 Voor mi duren? ie ben so groot; Ie souden billix vallen doot. Al en dedic daer toe niet el. Ie ben grote scaode weert wel Dat icken so lange spaw! 7120 Men sai met vingren harentare Na mi wisen, ende houden spot. Ie heb noch dat quaetste lot; Want ie ben so sere gewont. Dat ie bloede als een bont ; 7125 Ende daer toe werpt hi mi so vul In mijn ogen stof ende mul, V 7095 Riddren, H. S. ridem, prosa ridderm. — 7098 De$ anden, H. S. maleanders. — 7102 H. S. £n wmir dai si êo was gewant. — 7107 An ende of, H. S. aenteydê mf. ~ IXWIhokt^ IL S. wffoc. ^ 7121 Hfm- tien, H» S» tnoMen» 264 REINAERT Eüde drenct mi so met pissen, Dat ie mijns siens int eort sal missen, Laet icken langer voor mi duren. 7130 Ie wilt al setten ter ayenturen , Ende sien , wat mi gevallen mach. » Mettien sloech hi enen slach Op Reinaerts hooft , al so groot , Dat hi ter eerde neder scoot; 7135 Ende, eer hi wel op conde staen, Heeft hi hem in sinen pooten geyaen , Ende hielten onder hem leggen stil , Als een, dien doden wil. Hi ginc hem persen ende duwen. 7140 Doe begon hem seer te gruwen Ende droeven al Reinaerts magen, Doe si hem so onder leggen sagen ; Maer Isegrims magen waren vroe. Reinaert weerde hem emmer toe 7146 Met sinen claeuwen, van onder op, Ende gaf den wolf menigen clop ; Want hi lach opwart metten voeten. Die wolf en dorsts niet wel gemoeten Daer op, met sinen seren poten; 7150 Maer metten tanden is hi gescoten Na hem , als diene verbiten woude. Doe Reinaert sach, dattet wesen soude, Ende hi waende sijn verbeten. Heeft hi sijn vorste claeuwen gesmeten 7155 Boven in Isengrims aengesichte^ Ende haelde hem af , wel gedichte , Tusschen sijn winbraeuwen al die huut. V TISS TVamdê, H. S. ummer. — ini , 7160 H. S: Die huut ^sschen die wijnbraewen zeer lichte^ Ende sijn een oge ghine uut mede , Dat bem berde we dede. Hi bnulde , bi jancte van bertenzeer. Sijn vriend, diet sagen, haddens deer. TWEEDE BOEK, 265 Sijn een oge ginc mede uut, Dat hem dede harde wee; 7160 Hi huulde, hi jancte, ende hi scree, Ende dreef jamerlijc misbaer. Dat bloei liep hem al neder daer. Hi Teechde sijn ogen wide. Reinaert , die dit sach , was blide : 7165 Hi worstelde so seer ende wranc Dat hi op sijn Toeten spranc Die wile dat hi sijn ogen yaechde. Die wolf, die dit niet wel en behaechde , Sloech na hem , eer hi ontgine , 7170 So dat hi hem in sinen arme yinc , Ende hielten Tast, ooc hoe hi bloede. Reinaert die was doe weder te moede , Ende sette hem crachtelic ter weer. Daer worstelde hi so lanc , so seer^ 7175 Dat Isengrime wies sijn toren, Beide Tan afler ende Tan Toren , So dat hi alle smerte Tergat , Ende warp Reinaert onder hem plat , Daer hem in misTiel wel seer ; 7280 Want sijn een hant , die hi ter weer Settede scoot metten Tal In Isegrims kele al. Doe waendi wel sijn hant Terliesen. Isegrim sprac : « Nu gaet kiesen Y* 716t Sijn ogen wide. Gmmh sijn ogenpit. — 7164 Gmmh: Reineeti wa$ hli, ah hi $aoh dii. — 7172 Giinui: Den wolf was doe bet te moede , Doe hem was ghespaeh den boom. Waerscbynlyk zinspeelt dit op bet geval met Bruin in den gespalten boom 9 en zon men diensrolgens moeten lezen: Den beer was bet te moede, doe hem was gheepaeli den boom. Vervolgens staet er ook nog in het firagment van Var Wth : Reinaert ioa$ ootmoet hier om. — 7182 Kek, H. S. hinnebachen. U 266 REINAERT 7185 Lijt u verwonnen tot deser noot^ Of ie sla di seker doot. Dijn stofscraven, dijn pissen, dijn sceren, En macbdi helpen ^ noch weren , Noch al dijn treken ; du en cana niel ontgaen. 7190 Du hebste mi so vele misdaen , Scade ende scande , hier Ie Toren , Ende nu hebbic mijn oodii verloren , Ende ben daer toe soo seer gewont. » Doe Retnaert hoorde , dattet met hem stont 7195 Verwonnen te liea , of den dool slach , Docht hi dat aen die core lach Wel dusent mare , na dattet hem stoet. Nu hi dat een of ander moet Seg^en , ende hi des heeft stade, 7200 Wart hi des wel cort te rade , Ende ginc met soeten woorden hem an : c< Lieve heer oom , ie wil u man Gerne sijn van al mijn have, Ende gaen voor u ten heiligen gprave , 7205 Ende werven u groot aflaet daer, Van allen kerken , verre ende naer. Die daer sijn int heilige kint , Ende brengense hier in u hanl , V* 7186 H. S. Off ie sal di seker slaen deoi. — 7187 Dijn stofscraven, prosa: dijn stofte scarren, — 7196 An die core, aen d^ keus. De prosa : Soe doekte kern die koer wel tkien marck waert toesen, — 7199 Stade, tyd, H. S. scade. — 7200 Te rade, H. S« berade. — 7201 Met eoeie woorden enz. Hetgeen nu volgt heeft groote overeenkomst met eene per- sische fabel , de vos en de kyena, gedrukt in Tke flowers of Persian litte^ rature, London, 1804, in-4% bl. 219. — 7202, 7208 H. S: LieTe beer ende oom ie wil a man Ewelic sijn nu voort an, Ende wesen beer van al mijn bave. — 7205 Groot aflaet, H. S. en prosa: clooster wijnnige (kfoosterwiniHiii^, hetgeen men daer in aflaten enz. verdienen kon). TWEEDE BOEK. 267 Voor u ende uwar oudrea «iel. 7210 Ie wane den conioc nie ea geviel Te bieden al so «eonan gebot. Gelijc den paeus , onsen eertschen Got , Willic u ewelic dienen ende eren. Ie wil u hulden , sekeren , ende sweren 7215 U dienstknecht ewelic te wesen ^ E nde aUe mijn mage brengen lot desen , Dat si doai selen al desgelijc : So sidi boTea allen heren rijc. Wie sal hem tegen u stellen dan ? 7220 Ende al dat ie gevangen can , Sijt hoenre , sneppen , gansen , patrisen , Yisch o( yleesch , of wat spisen Dat mi gevallen madi vore , Daer seldi eerst af hebben die core , 7225 Ende u kinder, ende u wijf, Eer si mi comen in mijn lijf. Daer toe sal ie tot alre tijt Bi u wesen , waer ^ sijt , Ende $o wel tot uwen live sien , 7230 Dat u niet en sal misschien. Gi sijt sterc, ende ie heet loos : Houden wi ons te samen altoos , Deen met doen , dander met raden , Ons en sal niemen mogen scaden. 7235 Wi sijn doch so na geboren , Dat wi biilix scade noch toren Deen deo* andren niet doen en souden! Ie had node strijt gehouden Tegen u , had ics mogen ontgaen ; 7240 Maer gi spraect mi te camp aen ; Doe moestic doen dat ie node dede ; V' nu Eeriêchen Goi, prosa eerseken Vader. — 7318 H. S. So seldi wesen een keer van desen rijc. — 7219 H. S. fVie sel kern dorren steken tegen n dan7 268 REINAERT Doch ie heb huessehelije daer mede Geleden , 80 ie tegen u vacht , Ie en toonde nie al mijn cracht , 7245 Op u , als of gi mi Treemt waert ; Want, dat die neye den oom spaert Dats grote reden ende een wel staen. Lieye oom , aldus heb ie gedaen. Haddic op u gedragen hat 7250 Gi haddet veel te quaet gehad. Mijn hert en mocht u doen geen quaet , Ie en heb u ooc niet geschaedt Dat u hindert , in desen strijt , Dant ongeyal , dat nu ter tijt 7255 Quam , dat uut ginc u een oge , Des ie groten rouwe doge , Ende sulken jammer in mijn herte , Ie woudic seWer hadde die smerte , Lieve oom , ende gijs te vreden waert. 7260 Ie sal soeken, al ongespaert, Dat iet u scier sal doen genesen , Ende soo salt u groot voordeel wesen : Als gi wilt rusten , ende slaeps gebruken , So en hebdi maer een oge te luken , 7265 Daer een ander moet luken twee. Ie sal u noch doen voordeel mee ; Want mijn wijf ende mijn kinder, Ende mijn mage, meerre ende minder, Selen voor u knielen , ende doen u eer, 7270 Daert die coninc siet onse heer, Ende alle die gi daer bi begeert , Ende bidden u dat gi uwen neve Reineert Bi uwer genaden wilt laten leven. Ooc sal ie mi sculdich geven V' 724t Só ie, Geimm hoe wel io. — 725S Hindert, H. S. deeri. — 726S H. S. AU gi wilt tHapen off rusten dan. — 7264 Luken, H. S. luUn dan. — 7269 H. S. Sehn voor u knyehn door u eer. — 7274 Geven, bekennen. TWEEDE BOEK. 269 7275 U scalc ende eigen te wesen altoos , Ende ie menedich ende truweloos Tegen u geweest hebbe die. Ooe sal ie «eggen, so wat stic Dat ie Tan u heb geseit, 7280 Anders dan duecht ende redelijcheit, Daer heb ie Talschelic an gelogen. Hoe soude enigen heer mogen Meer eren geseien , dan ie u biede ? Men moeht mi geven grote miede , 7285 Lieye oom , daer iet om dade. Nu neemt in dane, ende werts te rade. Ie kenne eindelic , dat gi sout Mi nu hier doden , of gi wout ; Maer, wat lage u daer an? 7290 Gi moest u altijt hoeden dan Voor mijn mage, Toor mijn geslaehte. Ende wat lage u an dese Tachte? Daerom is hi wijs ende Troet Die in sinen toornigen moet 7295 Hem niet en yerhaest, maer wil Toorsien Watter hem na af mach geseien. Die Toorsichtich is in sinen toren Daer is wijsheit in geboren. Menich dwaes , yan heten moede , 7300 Yerhaest hem diewile in onspoede, Daer hem af eomt scande ende scade. Dan rout hem na , so ist te spade. Maer, oom ,^daer toe sidi te wijs: U is beter eer ende prijs , 7306 Gemac , yrede , ende yeel yrienden , Dan men u om lachter dienden. Y* 7280 Redelijcheitj H. S. reckelicheii. — 7884 Miede ^ geschenk, belooning. — 7S86 TVerts, word des. — 7S92 Vachte, huid. Wat soadt gy aen myn pek hebben? in 't H. S. machte, In de prosa: TVat kyi aen dese hoede ie draghen? — 7S97 F'oorsichiich , H. S. welvenijni» — 7S00 Onepoede, H. S. avenpoede. — 7S02 Na, naderhand. ^ 270 REINAERT Ende ooc ist luttel even dat ^ Die yerwoanea is ende mat Doot te daen , maer lachter groot. 7310 Weder ie leve of ben doot, Twaren , dats a een cleine cost. » « Ai, dief, hoe geme waerstu Terioet ! Dat hooric wd aen dine tale. Du en gaefete mi niet een eierscale, 7315 Waer8tu Tan hier op dijn Toelen vri , Al modistu geloven mi Alle die werelt van goude root , Ie en liet di niet uut deser noot. Ie acht clene alle dijn magen : 7320 Ie sal die veete wel dragen. Al dattu hier hebste geseit Is niet dan geveinsde loo^eit. Wat, waenstu mi aldus verleden? Ie ken di langer dan van heden; 7326 Ie en ben geen vogel met caf te locken. Och , hoe soutstu met mi vocken Of ie di dus liet ontgaen ! Had een ander dit verstaen , Die niet en kende dijn dasen , 7330 Du soutsten licht verdwasen , Als hi hoorde dijn scone luten ; Y* 7S15 Dijn voeten vri, H. S. op dijn vri^ welk laetste echter ook zeer goed is. — 7S25 Caf, H. S. caef. In de prosa: Ie ben geen vogei, die men met have locken mach , ie kenne wel goede gaente, ik ken kaf oit koren. — 7S26 Vocken, focken, stoeten, doch hier stoeien; welk laetste een dartelend stoeten te kennen geeft (zie Bildirdtk's BegineeU der woordvorsehing , bl. 27) ; en dus: Ach hoe zoudt gy met mi lachen l en niet: Wie soUteet du mit mir abeegelenl als GaniM dacht. — 7S29 Dijn dasen, uwe treken; verwant met het engelseh dash, en met het fairB daser, yermeld by Hic4bt, Dictionnaire Rouchi- francais , p. 144. Kiuaxh heeft dasen, insanire. De prosa, bladz. xxxi recto, stelt daseryen. —r 7S81 Luien, op de luit spelen, H. S. loeyen (loden, lodderen), prosa fhcken. TWEEDE BOEK. 071 Maer du yeriiest hier al dijn fluten ; Want ie versta te wel dijn logen. Du hebste mi so die bedrogen 7335 Dat ie mi yoor di wel hoedens behoeve. Quade , onrein ^ lose hoeve I Dn seggest du heve» mi gespaert In desen camp? sich herwaert ; En ift mijn een oge niet uut? 7340 Du hebste mi mijn buut Doorwont , meer dan tot XX steden ; Du en gaves mi nie so veel vreden , Dat ie mijn adem mocht verhalen. Ie soude al te seer dwalen , 7345 Dadic di hier enige genade. So menich confuus ende scade Hebstu mi altoos gedaen ! Maer, dat ie mi meest tree aen , Du hebste mijn wijf, vrou Eerswinde , 7360 Die ie gelijc mi selven minde , Bedrogen, ende ooc onneert, So dat si blijft gescandeliseert : Hoe soudic dit vergeten mogen ? Wanneer mi dat comt voor ogen , 7355 So verniewet mi al mijn seer ! » Doe docht Reinaert enen nauwen keer. Die wile dat hi dus tegen hem sprac, Sijn ander bant hi onder stac Beneden tusschen sine been, 7360 Ende grepen , recht alst wel sceen , Doe vast bi beide sijn boden, ¥• 7SS2 Fluten, H. S. fhmfen (flikflooieii), prosa floeiien. — 7SS5 H. S. Dai ie mi u>el huede voor dijn behoeve. — 79S8 Sich, zie! — 7SS9 JSniê, H. S« op my iê. — 7S48 H. S. Noektan dat my hoven al god eiQen. r^ 7S56 No Tondt Reinaert een fjne tour d'adre$$e. Het woord nauw heeft hier de betoekenii van naeuwheurig bedacht, gelyk hieronder Y' 7890 nauwe vonden. — 7S61 Hoden, H. S. hoeyen, prosa cuüen, testicoli. 272 REINAERT Ende duwede ao, dat hi van noden Wel lude moest criten ende hulen. Doe tooch Reinaert uut sijnre muien 7365 Sijn hant , die daer te Toren in stac. Doe had Isengrim sulc ongemac , Met dat Reinaert hem 80 sere tooch ^ Dat hi bloet vant persen spoodi, Ende hem ooc mede sijn groye urijn 7370 Achter ontgleet yan ^ooter pijn. Noch deerde hem yeel meer dan dit ; Want hem so seer sijn ogenpit * Bloede , dat hi al yerdooMe , AIso hem tbioet liep uten hoofde. 7376 Hi storte neder in onmacht. Reinaert scoot toe met cracht An hem , ende heeften gegrepen Bi den cuUen , ende ginc hem slepen Langs tcrijt , daer sijt al sagen , 7380 Ende gaf hem yeel steken ende slagen , Des Isegrims yriende droeften seer. Si gingen ten coninc haren heer, Al screiende , ende baden hem menichfoude , Dat hi den camp opnemen woude. 7385 « Het is mi lief: >y Die coninc seide. ^7^1» i Doe gingen die crijtwaerders beide , Die los ende die lupaert , Ten crite , ende spraken : cc Reinaert , Onse heer, die coninc , wil u spreken , 7390 Ende wil dit oorlog breken , Tusschen Isegrim ende u, Ende desen camp opnemen nu: Hi bidt u dat gijt hem op geef; y* 7S6S Criien, H. S. B^iesichen. — 7S68 rani pmen, H. S. vtm pijnen. — 7S82 Haren, H. S. omen. — 7S86 Crijhoaerdere, H. & knjtwachien. — 7387 Lat, H. S. os. — 7S9S Op geef, H. S« op neemU fier. ^ >(lf (| (m£ dt£ drtU* te t*o««M UI (tnrfe §^e 'tfAiilfiffmu fuL- oiuf^utiictt at t( Txtf vtfntiitvt l|«iu (> (%r toodji «f «TIjettKHtr n>edeft|ti^n>of ot'ijM k» TWEEDE BOEK. 273 Want ware dat uwer een hier bleef, 7395 Dat ware scade an elke side. Gi hebt die eer yan den stride : Alle die beste bliyen u bi . » Reinaert sprac: « Danc hebben si ! Wat mijn here mi gebiet 7400 Dat en der ie laten niet. Ie en geers niet scoonre dan gewonnen. Mijn mage comen hier geronnen , Ie wils hem vragen. Dünct u goet? » Si seiden : cc Ja Reinaert , so doet. » 7405 Tis reden , dat men den vrienden seit Grote saken , daer maeht aen leit , Ende men des yolget haren rade. Mettien quam yrou Slupelcade , Ende haer man , Grimbert die das , 7410 Ende yrou Rukenau , die blide was , Ende haer twee sustren quamen ginder, Biteluus , Yuulromp , haer kinder , Ende Harenet , die derde , haer dochter, Die yledermuus ende twesel ; daer mochter 7415 Twintich meer comen, dant had gedaen Hadt Reinaert in den camp misgaen. Diet wel gaet crijcht eer ende lof, Maer diet misgaet daer yliet men of. Niemen en is daer geme bi. 7420 Die bever, die otter, ende si V 7S94 Hier hieef, E. S. bkrfhUr. — 7S96 Sêride, H. S. cride. — 7S97 Al de yooraaemsten geyen u gewonnen kamp. Voor beste staet by Gmsmm meeite. — 7402 Mijn moge. De opnoeming Tan de zehea vindt men ook in den franschen Renati, I, pag. 337. — 7408 Slupelcade, H. S. Sloppekade. — 7411 Ginder, H. S. daer. — 7412 H. S. Bitel- muys, Fuylromp ende haer twee hinder daer. — 7413 Harenet, GaniH Haienei, In het H. S. Harenet haer dochter die derde mede. — 7414 Daer mochter, H. S. dair ter stede. — 7415 H. S. Dar quamer twijntich meer, ie waen. — 7416 H. S. Dan off' Reynaert in den camp had gestaen. — 7418 H. S. Mor diet mysvalt dair vliecht men off. 35 274 REINAERT Panthecroot ende Oorddgole Haer twee wiven , ende Ostrole , Die maerter^ die bunsinc ende tfiret, Die hermei , die e^l , dat genet , 7425 Die muushont, ende dat eenkoren, Ende al die ie noemde hier te Toren , Quamen daer, ende veel meer nochtan , Om dat hi den camp verwan ; Ja sulke , die grote clage eerst dreven , 7430 Waren nu sijn naeste neven , Ende toonden hem die meeste gonst. (Noch is dit der werelt const : Die wel vaert crijgt veel magen , Die hem sijn weelde helpen dragen ; 7435 Maer wie noot heeft , ofte liden , Yint luttel magen tot allen tiden : Si scuwen den wech , daer hi gaet.) Grote feest ende blide gelaet Dreven si; men trompte, men blies scalmeien. 7440 » Wel lieve neve! (dat si seiden) God danc , dattet aldus is vergaen ! Wi waren in groten anxt bevaen , Doe wi u onder leggen sagen ! » Reinaert dancte al sijn magen 7445 Ende ontfincse met groter vroude. Doe vraechdi of hi den coninc woude Den camp opgeven, bi haren rade? cc Ja, gi neve ! sprac vrou Slupecade, Gi moges hem wel loven met eren. » Y* 7431 Ginoi: PFantecroot ende Eerdegak.— 7428, 7424 H. S. Ende die maerter ende die bunsinck , Die hermei, die egel, dat genetkijn. — 7425 Muuêhani, H. S. muyshoom. — 74S0 PFann, H. S. op Am waren. — 74S4 Sijn, H. S. die. — 74S9 Prosa: Si peepen daer md ecalmeien ende bombarden (bommen?) êi bliesen die irompeUen* — 744S Slupecade f H. S. Sluppelcaerde. TWEEDE BOEK 275 7450 Doe gingen si uien crite keren, Metten crijtwaerders toten coninc. Reinaert yoor hem allen ginc , Uut genomen die menestrele ; (Men trompter met groten spele ! ) 7455 Ende Reinaert knielde yoor hem neder. Die coninc deden opstaen weder, Ende sprac: « Sijt blide, Reinaert; Gi hebt uwen dach met eren bewaert. Ie late u quijt ende yri , 7460 Ende dit gescil houdic an mi, Tusschen u tween, dat wil ie leggen, Ende mijn goetduncken daer af seggen , Bi rade yan minen edelen lieden, Ende u dan bi mi ontbieden , 7465 Teerst dat Isegrim is genesen : So lange moetet in yrede wesen. i> (c Heer, sprac Reinaert , gi moget wel ; Maer ie yant hier menieh op mi fel , Doe ie in u hof eerst quam , 7470 Die nie scade yan mi en nam ; Maer om dat hemluden docht , Dat men best oyer mi mocht , So riepen si mede om mi te scaden , Gelijc mijn yianden daden, 7475 Ende om dat hem docht , dat Isegrijn Bet met u was , dan ie mocht sijn. Ander waerom en wisten si niet. Si en dochten niet , als die wijsheit pliet , Wat ende daer af mochte bliken. 7480 Here, dese ende al die hem geliken, y 7481 Cfijiwaerden , H. S. krijiwaokten. — 7460 H. S. Ende geeft dU op ie keui oen my. — 7466 In vrede wesen, Rniiiu in dage etan. — 747S Om mi ie êcaden, H. S. over mijn $eade, — 7474 Gelye, H. S. idee. — 7478 Zy dachten niet gely k hy, die de wysheid Tolgt. H. S. ah die wiee pliei. 276 REINAERT Slachten wel een groten hoop honden , Die eens op een velt stonden Teens heren hove , diese had onthouden : Si wachten , als die gerne souden 7485 Eten, of men hem wat brochte. Doe sagen si comen , al dat hi mocfate , Enen hont gelopen uter koken , Daer hi vleesch in had garoken , Ende had een been , daer yleesch aen claf , 7490 Genomen , eer ment hem gaf , Ende pijnde hem daer mede wech te comen; Maer die coc haddet vernomen , Ende beliepen , eer hi ontquam , Met siedende water, dat hi nam , 7495 Uut enen ketel in een plateel , Ende gaf hem daer mede sijn deel After op sijn lenden, eer hi danen sciet, So dat hijs hem en bedancte niet, Want hi hem so dorbroeide dat yel , 7500 Dat hem sijn hair al ute yel, Ende hem die swaerde al door soot; Doch ontquam hi uter noot, Ende behielt dat hi daer nam. Doe hi bi den honden quam, 7505 Ende si hem tbeen brengen sagen , Riepen si : Hier mede deed Reinaert sijn keren 7635 Met sinen magen , yan den coninc. Hoort boet met Isegrim yerginc : y* 7610 Gewouden, gezag hebben. — 7611 JBaeKu, H. S. badycen. In Ruims hen$eleer, kanselier. — 7612 U, E. S. u ie doen. — 7617 Dor, om. — 7618 Gi, H. S. ghijt. ~ 762) Dai hi, H. S. daUe*. — 7624 H. S. Ie en wottden oec kreneken miHermaohi. — 7625 Mhêêêkm, yerloochenen. TWEEDE WEK. 281 Bruun , Tibert ende vrou Bersinde , Haer kinder, ende haer gesinde Haeldene uien crite , met erren ende dagen , 7640 Ende hebbene op een lettier gedragen Van hoi , daer hi warm in lach. Sine wonden men besach , Die men daer rant wel yijflien. Daer quamen meesters yan surgien , 7645 Diese yerbonden ende wiecten. Hi was so eraoc Tan sieclen , Dat hijt getoelen hadde verloren ; Maer si wreven hem met cruut die oren , So dat hi ran der onmacht ontscoot , 7650 Ende gaf enen creet so groot , Dattet al Terscoot , dat bi hem stoet , Ende waende dat hi was verwoet. Die meisters gaven hem dranc , Dat hem sijn hert , dat seer was cranc , 7655 Stercte , ende hem wat rusten dede. Si troosten sijn Trienden mede , Ende seiden, hem en sou niet letten. Doe sceide dat hof; elc gine hem setten Thuus te keren , danen hi was comen. 7660 Reinaert heeft ooc oorlof genomen Aen den coninc , ende sinen wiTe , Die hem baden dat hi niet en bÜTe Lange, hi en quame weder bi hem. Hi sprac : « Here ende Trou , ie hem 7665 Tot uwen gebode altoos bereit. Gebrake u iet , dat ware mi leit , V* 76S8 H. S. Sijn hinder, «yn mag$y ende koer gesind. — 7642 Men beeaok, H. S. die men $ach. — 7644 Surgien, Giimm cirurgien. In Rn- ifiEB heeten xe meestere van krummesee. — 7648 Die ^ren, prosa ifoer sine oeghen. ^ 7651 , 7652 in 't handschrift : Dat al Torscoot , dat by hem was dair, Ende waenden dat hi yerwoet was claer. S6 282 RËINAERT Van dat ie modit Tolbringen Met lijf, met goet, met allen dingen ; Ende daer toe al die yrienden mijn , 7670 Die selen u onderdanich.sijn, Tot allen tiden , daer gij8 begeert. Wi hebben u lief; gi sijts wel weert. God geve u lanc lijf met eren ! Ie wil tot minen wive nu keren ^ 7675 Ende tot mijn kindren , of gijs gebiet. » Aldus hi van den coninc sciet , Met scoonre tale , met groter gonste. Die noch wel connen Reinaerts conste Sijn wel gelooft, ende lieigetal 7680 Bi den heren o?er al ; ht geestelic of werelijc staet Aen Reinaert sluut men al den raet ; Si crupen al in Reinaerts hol; In sijn baen is al die rol. 7685 Die stem , die hem doe was gegeven , Die is hem ie sint gebleven. Hi heeft gelaten een groot geslacht, Die altoos risen ende wassen in macht. Die Reinaerts kunsten niet en pliet, 7690 Die en dooch nu ter werelt niet In genen staet van machten geset; Maer can hi crupen in sijn net , Of heeft hi geweest sijn scolier, So moet hi wonen wel hier ; 7695 So weet hi wel wat daer toe hoort; So rijst hi , ende men trect hem voort. Van Reinaert is een groot saet Gebleven , dat nu seer op gaet ; y* 7671 Doêr gij$, H. S. wes gi. -^ 7678 H. S. Die Reinaert noch al wel coêf. — 768'4 In zyn rolbaen wil elk spelen. H. S. aen eijn baen ii al die êol. — 7688 Stem, ÜEiem , naem. — 7681 In genen etaet, H. S. in maet o/fêtaet. TWEEDE BOEK. 283 Want men yintnu meer Reinaerde 7700 (Al en hebben si geen rode baerde), Dan men ie dede hier te yoren ; Gerechticheit blijft al verloren ; Trou ende waerheit stjn verdreven^ Ende daer voor is ons gebleven 7705 Giericheit , loosheit , haet ende nijt : Dese hebbent al in haer berijt. Si , ende haer coninghinne ^ Hoveerde , Regneren nu seer opter eerden. Ist int paeus of keisers hof, 7710 Elc pijnt den andren te steken of Van sijnre.eren ende stemmen, Ende selve int voordeel te clemmen , Met simonien , of met gewelt. Men kent te hove niet dan geit : 7715 Tgelt is daer meer gemint dan God , Ende men doet meer door sijn gebot ; Want wie geit brenct is wel ontfaen , Ende sijn begeren sal voort gaen. Ist aen heren oft aen vrouwen , 7720 Tgelt doet plegen veel ontrouwen , Ende vrouwen scande bejagen, Ende menich valsch ge tuuch dragen. Oncuusheit, loosheit, ende leckernie Is nu al spel onder die clergie. 7725 Ist paeus , of keiser van Romen , Si sijn al in Reinaerts orde gecomen. "Elc meent hem selven, in allen saken. Ie en weet wat ende daer af sal naken. Elc mensch mach daer wel om sorgen. 7730 God , dient al is onverborgen , V*. 770Ö Beriji, beloop, van ryden. — 7707 Hoveerde, H. S. hoveerdy. — 7708 Eerden, H. S. eerden vri. — 7709 Iet, H. S. alisi. — 77U Keni, GmoLmini. — 7724 Jlspel, E. S.aliajml. — 7738 Ginx: Iet Parijê, Avioen of Bomen. 284 RHNAERT Moelet op dat beste Tocgen ! Hier mede latic mi ffenoeffen. Wat woudic yedi die werdt berechten Van saken , die mi aelf aen Tedit^i , 7735 Daer ie ondane toe af crege ? So waert beter, dat ie gwege : Daerom wil ie dat lateo glidea. Elc doe wel in sinen tideo; Dat ia best sijns selfii profijt ; 7740 Want na desen tijt em comt genen tijt Dat men oorbaer scaffen madi : Elc moet sijns 8^ dach Verwaren , ende sijn borde ifeagen. Reinaerta vriende ende s^ magen 7745 Namen ooc oorlof aen den comne, Ende gingen met baren neTeiinc, Meer dan ^eertidi tot eenre aonmie. Retnaert w» Uide hier ooMBr Dat hem so breet was aqn steert, 7750 Ende hem die coainc had so weert, Dat hi en Terooos tot sinen rade. Hi dadit: hier in en stect geen scade. Ie mach nu metter macht mijna heren Mijn Trienden helpen, mijn yianden deren, 7755 Ende mijns willen veel bedri?en , Ende des al onbegrepen btben; Op dat ie selye wil wesen yroel. Ie prqs den eoninc boren alle goet. Reinaert ende sija mage te samen ^u^^Y^fm.] 7760 Gingen sa lange , dat si quamen Tot sijn borch te Maperthnitt; V 77S7 H. S. Dair om wil icket mêdê liden. — 7740 Gidu: fVmU na dU faveit $n isi ghêen Hfi. — 7749 Daokr toqv êtÊrfiigg^ — 774S Borde, last, H. & waarde, proka bardan. — F'erwaren^ icndLeveB. — 7747 reerüoh, Gaira êeüich. — 7757 Óp dtU, midf • ^ 778a Gun : Noch prijê ie wijêheii bei dan gae$. Zoo ook in Riihbks. TWEEDE BOEK. 265 Daer namen si cxMrlo£, tcxht sijn: huus , Met bilden moede , mei talen soet. Iteinaert yiel hem aUen te 7oet ^ 7765 Ende dancteae vriendeliken 8eer^ Der groter gunst y der groter eer, Die si hem deden in si^nre noot. Sinen dienst hi eiken boot Met Ujf ^ met goede ^ of sijs begeerden. 7770 Hier mede brockt hise te veerden ^ Ende sciet van hem. Elc gine te sinoi. Reittaerl ginc toi vrou Hermelinen, Die hem blidelic ontfine. Hi vertoochde haer aUe dinc ^ 7775 Dat hem te hove vras gesciet. Een woort en liet hijs afker niet. Hier bê was Hermeltae vra, Ende haer Irinder ooc abo, Dat faaer vader dos viras verheven. 7780 In groter bliscap dat si bleven , Reinaert, sijn wijf, ende sijn Idnder. Wie u van Reinaert meer of minder Anders seide , dan gi hebt gehoort , Dat sijn al geveinsde woort ; 7785 Maer, dat gi hebt gelesen hier boven Van hem , dat moochdi wel geloven. Dies niet gelooft , ist wijf of man , En is niet ongelovich nochtan. Doch sijnder veel lude, hadden sijt gesien, 7790 Hem soude min twivelen van dien. Het sijn veel dingen geniet Die men gelooft , al en sach men se niet ; Ooc sijn figuren ende bispele Die gevonden , ende geseit vele , 7795 Die nie en waren , noch nie en gescieden , y 776S Moede, H. S. aemchijn. — 7770 Te veerden, H. S. oen veerden, ter vaart. — 779S Biepeh, voorbeelden. Als boven Y* 181. 286 REINAERT Maer om exempel allen lieden Te geven, daer si bi souden leren Doget te doen, ende quaet te keren. Licht mocht also hier af wesen , 7800 So wiet wel yerstaet int lesen. Al ist som boert , men vinter in Wise lere , ende goeden sin , Dat hem licht sal b^ten mogen : Daer en is niemen goedes in belogen. 7805 Het is int gemeen gebrocht Toort : Elc tree hem aen , dat hem toe hoort. Is daer ooc iet in misset ? Diet beteren can , die maket bet, Ie weets hem danc. Wie in sijn maken 7810 Sijn best doet , en is niet te laken : Maer, wie alle dinc wil berichten. Wie soude hem iet willen dichten? Doch wie dit gedicht laet, als hijt yint, En misdoet tegens mi niet een twint. 7815 Hier neemt einde Reinaerts historie. God geve ons allen die hemelsche glorie ! ^Toiu^i V* 7796 AtUn, H. S. anderen. — 7788 Keren, Grihh ontberen. — 780S Sal baien magen, H. S. wel baten mocht. — 7804 Belogen, H» S. bedoeht. Niemand, die goed en braef is ^ is er in bologen. BYLAGEN. I. Na int gemein Vint men certein. Die Reinaerts 86 . NuTolgenme, Al sonder saec. Ie geef die wraec» Hoe dattet ga , Den heer hier na , tf Dien ooninc fijn , Die alle pijn Sal rechten dra, Bi sinen ra. Dees Reinaerts nu Dien sijn niet ra, Als Reinaert is ; Maer sijt des wis , Het sijn alre Wi raensehen Ie , 10 Als ie Tersta, Die aten pa Gedwaelt sijn snel: God brengse wel, Tsi cort of lanc , Int hemels sanc ! NOTA. Elc merc en soec in sinen sin , Dabbelt vint men sijn naem daer in , 15 Diet boec screef, int yoorgedicht: Soecten wel, gi Tinten licht. n. Conciensie en wetic waer soeken: Si es so bedect in allen hoeken. Dat si haer niegerinc (2) en openbaert. Selc helst (S) anderen ende gebaert (1) Dit ttnk en de twee Tolgende labels tyn getrokken nit een handtchrift Ttn wyleo den Heer Yah Hntm , gesohrereo op papier omtrent het jaer 1400. lie Wamft An^ M9ig§r, 1884, bL 299 en volgende. — (2) Ifergent. — (3) Ombekt. 288 BYLAGEN. IS Of sine sonde in den boesem steken. Moeste hi ontdeekem die Talsdie treken, Die sine eonciensie binnen heeft, So en es dier, dat nn leeft, Negeene, dat meer tontsiene ware 10 Dan die dief, die raordenare, Die 80 looslic grijnt ende lacht , Wies eonciensie na moordaet wacht. Hier op hebbic een bispel Tonden. Isegrim , de wolf, quam tenen stonden 15 Daer XX weders (1) tere rote Stonden, in dinde Tan enen kote, Daer die berde (2) was af gaen eten, Ende hadde hem seWen so Tergeten , Dat hi tkot al open liet. SO Ende alse Isegrim inwaert siet , Sprac hi aldus, in sijn latijn (t): u Vrede moet met u allen sijn! » Gelijc alse of bijt meende goet. Doe sprac deen weder, daer hi stoet: SiS God gcTc hem Cayms godsat, Den berde , die onse kot Tcrgat Openbaer, doe hi Tan ons ginc! » Isegrim te hemwaert Tinc Dat woort, en Tragede opter stat: SO « Of hijs dor sinen wille bat? » Die weder seide : « Neen ie niet; Maer al so wel mochte sijn gesciet, Dat hier Tiande waren comen, Die ons hadden tlijf genomen , S8 Al en hebben wijs niet Tcrdient, Alse gi , her Isegrim , die sijt Trient. n Elc hier jegen sine meninge sprac. Wat die mont seide ende Tertrac, Dat en meende therte niet. 40 Al wast dat hine Trient biet, Therte meende jegen die sprake, Al sondemen hangen an enen stake. (1) Eamnien, bamek.— . (2) Eerder. — (3) Tad. leer gebnükelyk by de oudcii tdot ImI« in bet tlgemeen. Zoo tpredtt makua Sebdyn in i^Ordma de kt c* »e «faf iii ook lotyo: Si h talm en ton latim {Fokliaug et eomiêê, I, p. 61). BYLAGEN. 289 Al wast dat Isegrim tier stede Metten monde seide Trede, 45 Hi meendese alle te Terworgene. Dinde daer af was so te sorgeno, Ende gaf hem den yare so groot. Dat elc Toren ten kote uut scoot. Die gene , die daer tlijf ontdroecli , 50 Dochte, hi hadde te sorgene genoech. Daer en was ooc geen, in dat Tlien, Die weder onmie dorste sien Omme den andren , wat men hem dede. Dit was ene jammerlike Trede. 55 Wie Isegrim ter kelen qoam, Te hant hi hem dat leTen nam. Selc die Tloot Tan Tare op don tas (1) ; Ende selo ander, die daer was, Yloo int huns achter den OTen, 60 Ende selc quam int huns gestoTcn. Selc liep aTcrecht ter neder: Dos ronnen si Toort ende weder. Dwijf , daer si sat hi den heerde , En sach niemen so Terreerde 65 Als dese waren , daer ie af rime. Ach arme , wat sijn nu Isegrime Meer, dant noit waren, op enen dach! Donnosele en Tinden geen yerdrach, Ende den herden sijn Tele doot, 70 Die leefden , doe men die kote sloot. Lettel leefler nu Tan dien: Waer selen donnosele mogen Tlien? Si horen die Isegrimen bleeten Gelijc lammeren ende geeten, 75 Daer conciensie, meer noch min^ Der onnoselheit en es in. Men en toont nu niet dat es in therte-, Yoor men die proie heeft hi den steerte. Dns sie iet nu ter werelt gaen. 80 Hier [siet men] sceren , ginder blaen Donnosele, ende aten Tliese steken. Hets tonsiene, Got en salt wreken. (l) Schner. 37 290 BYLAGEN. Meer dan ment gewroken net. Recht gelo¥e, onde ^nden niet, 85 Gere ons God, voor onse doot! Segt unep, want wi hebbpM noot. m. \>an d^n \)0b tntt van ien VOoit Het geviel tenen tiden Dat die tos sonde liden Bi enen velde, daer hi binnen Groot bejach van vetten binnen 5 Hadde gehad , wilen eer ; Daer sach fai, bi enen ommekeer, Besiden in een meengat (1), Waer Isegrim de wolf sat, Sijn oom , over sinen steert (3) , 10 Ende sach in, ten velden weert, [Vele] scapo ende swine te samen; Ende die berde, diere waer namen, Stonden daer nter maten vele. Doe sprac Reinaert, te sinen spele, 15 Als hi geswegen badde een stic : « Segt mi , oom , es u dit qnic (S) Bevolen , dat bier binnen geet? n «Neent, Reinaert, dats mi leet! Waret mi bevolen, ie sonts te bet 20 Hebben iet, want bets vet. Bi den ontaer wandelt , bi don ontaer leeft. Maer daventnre, diet al geeft, Ende daer hem elc geneert bi. Es verbolgen so op mi, 25 Dat ie en weet mi wies beloven. Mijn ongeval is emmer boven , Werwaert dat ie mi bekere, Ende mijn gelac es so sere Verscunt (A) , ende vorvlnchtich , SO Al ware ie noch al so dnchtich, Als ie was noit eer, Ie en achterhalet nemmermeer. (l) Gemeene doorgang. — (2) Zie RiciiinT, ¥• 523. — (3) Vee. — (4) Oreticlii^, •chaw (tchouw) gemaekt. BYLAGEN. 291 Ic ben een ongéTallibh dier* Réiüaett, neye, dat mögedi Met 35 MérVen, trildijt yeMaetié Siedi geen seaep daer bnten stalen Allene, daer die craie o>p sit (1)? » « Ja ic oom , wat deert u dit? Wildi berechten (2) al dat gi siet? » 40 <( Reiuaert neye , neen ic niet ; Ic segt bi minen ongevalle. Satic daer op, si sonden alle Op mi roepen, die mi sagen, Hnsschen (8) , ende met honden jagen , 45 Ende sonden wanen ende sorgen, Dat iet al te hant yërworgeh Sotidè, oflo al geheel versliclLen. tleinaert neve, so moocfadi micVen (i) Hoe mijn gelac hem strècken can. » 50 uDits waèr, oom^ ende nochtan Esser ane een ander ditic. Doe gi waeri een jongelinc Hier vormaels, in uw eersten comen, Haddi iii dogeden toegenomen, 55 Alse gi inder quaetheit doet, U ware comen alle goet; Maer neeii gi niet, dats openbaer: Gi hebt d &et diefieh, to/e haèr, Edde mét róve geneert al. 60 Wie waendt, oom, dan, di(t n sal Dogedeïi dftè goets bètronwèn? Niemèn, dom; want dié n seouwefA (5), Wanen al hebben verloren: Ende des en dörMi nijt üoch toten 65 Dragen op a Ongeval : Het doet a qnaet gelnehte ld, Daer gi lanc in hebt geweeste Oom, en weetti niét wat men lefest In sheren Sidomoens gefdi^hte : 70 Tgoet gerucht prijst, beter ^chte (l) Dmr diê otmi op êit Jit kraei, mden ffewsd Sint-larteiit vogel, was heU en oBheil Toonpelleiid. Zie boten in RmAm ¥• 1047, en tergelyk Gmn^i DêUitcMe MySkO' lögiê, blidiyde 657. — - (2) Berichten, te recht wyien, de beièekenia mtleggen. — • 3) Uitjooffen. — (4) Herken. ^ (5) Ztea. 292 BYLAGEN. I Of rijolieit ^root; ende bi desen Est goet in goeden geruchte wesen, Ende in goeden name; ende nochtan Es menich onbekennich man 7K In eertrike, dat ie duchte, Die rijcheit core toot goet gemchte. IV- tian enen tiebaexï^e (i) rntrr pan trot \)ob tieinaevïte. Een liebaert seide tenen stonden Dat hy met evele (2) ware gebonden, So dat bi wandelen niet en mochte. Doe ginc bi liggen in sine bagedochte, 2S Daer bi onlanc was allene. Daer qoamen diere, grote endeclone, Die den liebaerde gingen clagen. Daer quamer, binnen Vil dagen Meer dan LX bi getale, 10 Ende, onder grote onder smale (8), Hasen , wolven ende beren (Daer hem die liede af Terveren), Reen, herten, ende hinden. Men mocht daer yan allen Tinden, 15 Evere, Inpaerde ende simmincle (4), Die qoamen nut menegen winde (5) Daer gegaen, met groten sere Den liebaert clagen, haren here; Maer noit en keerder een levende ¥reder: 20 Hi verbeetse ende warpse neder, Ende at van eiken sijn gevoech. Al liggende had hi spise genoech. Daer qoamen alrehande dieren. Beide soete ende ongiore (6), 2K Sonder allene die vos Reinaert (7); Maer nu es hi [op] die vaert* (1) Leeuw. Hen vergelyke dete fabel met die van den krenken leeow in Gma't iMi- hari fuckê, bl. 432, en met die van Li FoirTAiiii , Uvre VI, 14, en van de endeie fi^iel- •ohryren opgenoemd by Roenr, FabUê iméditêê, ü, p. 86. * (2) UMt, — - (3) Ueine. ~ (4) Apen (limmen). — (5) Hoek. — (6) Wreede. — (7) Zie Rin*in ¥• 60. BYLAGEN. 293 Reinaeit hoedde hem herde wel; Want hi kende den liebaert fel: Hi peuude vele nauwer treken, 80 Ochte hi den liebaert wilde spreken, Die met evele was beraen, Alse hi dén dieren doet yerstaen. S5 tt Gaet, elaechtene, het es £poet. Qaaemsture niet, een evel moet Ware di Tan hom geroet! Segt [hem*] u es sijn evel loet. » Dos gino Reinaert met cranken wille. 40 Onderwilen stont hi stüle; Hi loet hi menegen sconen houte (1) ; Hi gino al vederende sine bonte, Als ene die Inttel hueren (2) nam, So lange tot hi ten liebaerde qnam. 4K Doe bleef Reinaert baten der dore (Die Teel qoaets can ter eore) ; Hi maecte sijn lenen ane die herre (S), , Ende hielt hem Tan den liebaert Torre. Tierst dat hi den liebaert sach, ISO So ontboot hi hem goeden dach, Ende seide: « Here, bi sente Martijn, Uwe siecheit heeft mi leet gesijn (4). Ie hebbe gelopen teser wilen Meer dan groten VU milen, 55 [Om] dat ie n wilde eomen sien. n « Reinaert, goet moet n geseien (Sprac doe weder die liebaert}! Comt al luttel innewaert. Met OTde ben ie sere bedroeft; 60 Comt te mi, ende hout mi thooft: Ie hope ie salre bi genesen. n Reinaert sprac: « Dan mach niet wesen, Here, dat sonde ie node doen : Ie hebbe nu te bant een hoen 65 GoTaen, in enen nauwen pat, Ende ben so utermaten sat! (1) Bosch. — (2) Huergdd : spreekwoord, tintpelende op dienstboden , die in eten en drinken Tergoeding toeken Toor geringen huerloon. — (3) Hy leunde tegen de htrre Tan de deor. — (4) Geweest. 294 BYLAGEN. Qaamic vore u, het soade u duren. Rust u, dat gi -Wél tiidét rnrén, Ende hoodt ü sonder yele callen. 70 Quamic voor n gi moclit verralleii. Ende waert dat n Tan mi misqname, Wi soadéiïs beide hébben blarae; So soudic moeten romen dlant* Gi selt genesen al te hant. 75 Hondt n ab een Troet man ; Want ie gene Mke (1) en can. Maer n siecheit eê mi leët : (Sprao Reinaert, die van buten steet): Mijn gedachte ende mijn minnen 80 Leggic aen hanen ende aen binnen , Daer ie mijn lijf omme wage; Maer ie hebbe na in desen dage Vernomen, dat mi al mijn lede Beren , ende mijn herte mede. » 85 u Lieve Reinaert^ wat es dat? » Et s'ayoit mengié a matin Deux beles cuisses d*an poucin : BYLAGEN. 315 Or se repose et si se- aise. Atant efr-TOS Bnm k la haise, Renart, fait-il, parlex k mof, 10190 Je sui Bnm mesagier Ie Roi, Issiez 9a fors en ceste lande', Si TOS dirë que il tos mande. Renart set bien oe est li Ors , Reeonnén l'aToit an oors: Lors se conmence k porpenser Conment son cors porra tenser; En grant paine est d'estadier Conment Ie puisse conchier. Bron 9 fet' Renart , biax dos amis. lOSOO En moólt grant paine vos a mis Qni fa vos a fet avalOT ! Ge m'en deroie Ik aler Mès qu'ëusse mengië anfois D*un menreillens mengier franfois, Qar, sire Brons, vos ne sayez, L'en dit k Gort, oi Tayez, A ricbehome qant il i yient, Gariz est qni ses manches tient. Premiers yient li buefii ans aiUës, 10210 Après reyient li antres mès Qant li sires les pnet ayoir ; Mès poyres hons qoi n'a ayoir. Si est de la merde an dëable, Ne siet k fei», ne siet k table, Anfois menjnt sor son giron. li chien li yiengnent enyiron Qni Ie pain li tolent des mains» Une fois boiyent, o'ést del mains, Ne j& o'nne fois ne beyront , lOSSO Ne jè que nn senl mès n'anront. Les os lor gietent li garfon, Qni plus sont seo que yif charbon. Chasoun tient son pain en son poins , Qar tut son feru en nns coins, Et li seneohal et li queu De tel ehose out lor seignor pen Dont li larron ont grant plentë: Qar fiusenWil ars et yenté^ 316 BYLAGEN. Sa char lor emblent et les paiiu 102S0 Qa'il enyoient k lor potains. Por tel afiore con ge di, Biau sire , atoie dés mardi Mon lart et mes pob aünei Dont je me sui deqëmies. Et s*ai bien mengië deus denréos De noyel miei en fresches rees. Nomini Pastre Cfariftam fil, Dist li Orsy par Ie oors Saint Gil, Cel miely Renart, dont tos abonde? 10S40 ik est-ce la chose dn monde Qne Ie miex ains et fins desirre , Qar m'i menei, bian tres dox sire, Por Ie ener bien la moie eope. Et Renart li a fet la lope Por oe que sa tost Ie de9oity Et li ehaitis ne s'apar^oit, Et il li trempe la oorroie. Bmn, fet Renart, se je savoio Que je troTasse en tos fianoe lOSKO Et amisties et aliance, Foi qne je doi mon fix Borel , De eest bon mi^ €rès et norel Vos empliré enmi Ie yentre, Qar an dedenm si con Ten entre El bois Lanfroi Ie forestier Qui monlt est orgneillens et fier, Qar se je ore o tos aloie. Et de Tostre aise me penoie. Tost m'en feriei male part. 10260 Qu'ayes-Tos dit, sire Renart? Me mescrëec-TOS dont de rien? OÜ. De qnoi? Je Ie sai btsn , De tralson, de felonnie. Renart, or est^e dëabUe Quant de tel cbose me mesdites. Non téXf ore en soies tot qnites, Ne TOS efiport nul nud eocage. Vos afes dboit, qar par Tomage Que fis Dant Nolrie Ib Lkm 10S70 One n'oi Ters tos entencion BYLAGEN. 317 D'eetres trahres ne tnohierres, Ne enTers tob ettrei boisierreB, Ge n'en quier autre soraté, Ge m'en met è voslre bonté. Qanque Bron velt ftenart otroie* Atant se metlent k k Toie, Onques n'i ot rerae tena De si a tant qu'il so&t yenu £1 bois Lanfroi li forestier : 10280 La s'aresterent li destrier. Lanfroi Ie bois soloit vendre, Un chesne ot conmenoié k fendref Deus coins de ohiesne tos entieis I avoit mi li foreBtiws. L'nn des coins si avoit foit pendre, Et Fantre après por Ie mienx fendre. Bmn, fait Renard, biax doi amis, Yez ore ei que t*ai promis; lei dedens est la chastoire, 10200 Or del mengier, pnis irons boire: Or as bien trové ton avol. Et Bmn i mist lors son mnsel El chesne et les dens pies devant, Et Renart Ie vet sus levant Et adrecier en contremont. En sus se tret , si Ie semont. Cuivers, fet-il, ovre la boucbe, A poi que la lange n'i toucbe ; Filx a putain, ovre la gole: lOSOO Einssi Ie oonohie et afole. Maudite soit sa vie tote, Jusqu'è un an n'en trerist gote^ Car n'i avoit ne miei ne r^. Endementieres que Bron bëe, Renart a les coins enpoignies Et k grant paine desooigniei; Et qant li coins furent ostë, La teste Brun et li costë Fuient dedeni Ie cfaesne enclos. lOSlO Ore est li las en mal repos ^ Sstraint Ie ooir et Ueve bant, A poi que li coers ne 11 fiiut: 318 BYLAGBN. Moult TaToit mis en male prease Renart qoi jè n'en ait confease , Qui ODo ne fist bion ne aanKMne* De loing esta, si Ie ramposne: Bnm, fiut-ily jel' savoie bieo Qae queriez art et en^en, Jk de cel miei ne gosteroie ; 108S0 Mès je «ai bien que je feroie S'ane autre foii Tavoie a fere: Moult estes ore deputere Qant de cel miei ne me proiex. Haif.coome condoiriez S'estoie en one enfermeté. Et con aeroie è sauveté! Vos me leriei poirea moles. Atant ea-Toa k cea parolea Sire Lanfroi Ie ibreatier, lOUO Et Renart ae miat au firapier. Qant Ie yilain yit Bron l'Ora pendre- Au chesne que il devoit fendre, A la yile a'en yet Ie cora. Harou! baron! fet cil, a TOra! Sk Ie porrona aa poina tenir. Qui lors yëiat yilain yenir Et fremier par Ie bosoage , Qoi portent tinel, et qni hacbe, Qui flaely qui baaton d'eapine» 10840 Grant pëor ot Bron de a'eachine» Deyant lui yient Hurteyilain Et Joudome trouae-putain, Et Bandoin porte cnirie Qui ••••sa fame par derrières, Giront Barbete qui Tacole, Et uh dea fius aire Nicole, Et Troaae-anease Ie puant Qui por la mocbe ya fniant. Et Corberaut de la ruelle, lOtBO Le bon yoidëor d'eacuelle, EtiTigerina Brise-Fouace , Et li fil Tieger de la place Qant rOra ot des yilaina la. rage , Fremiat et penae en aon oorage BYLAGEN. 319 Que miex li yient Ie mnsel pordre Que Lanfiroi Ie pénst aerdre; Qui devant Tint i une hache. Taste et retaste et tire et sache, Estent les piaus, rompent les yaines: 10860 Tant a sachië que k grant paines Fent li cnirs et la testa qasse , Mès del sanc i lessa grant masige, La piau des piez et de la teste: One nus ne Tit si lede beste. Le sans li coulo del mosel, Entor son vis n'a tant de pel Dont Ten pénst fere une borse» Einssi s'en Ta le fih a TOrse y Parmi le bois s'en Tet fuiant, 10870 Et li Tilain le Tont buiant; Goobert le filz sire Gillain, Et Hardouin cope-Tilain, Et Faimber et le filz Galon, Dant Helyes le niez Faucon Et Outrant li cons de la Glëe Qni sa fame aToit estranglëe; Tigiers li Fomiers de la Tile Ooi ot on en&nt de Poufile, Et as premiers Brise*-Faacbilo 10880 Et Rocelins li filz Nanoile, Et le filz Ogier de la place, Tuit li Tiennent k one tracé; Et misire Hobert Grospet, Et le filz Foucbier Galopet. Li Ors s'enfiiit kors de la noise. Et li prestres de la parroise Qni fiii peres Martin l'Orliens, ReTenoit d'espandre son fiens: Une forche tint en ses mains , 10890 Si le feri parmi les rains. Par on pou ne Ta abatu', Moult Ta bleció et confondn. Cil qni fet pingnes et lantemes, Si ataint l'Ors entre deus chesnes D'une come de buef qu'il porte , li a toto rescbine torte. 320 BYLAGEN. Et d*aiitre8 Tikiiis i ol tant Qai as tinèls Ie tont batant. Que k iprant paiae i'en eschape. 10400 Cr est Renart en male trape Se Bron li On Ie poet ataindre; Mès qant il l'ol de loing plaindre. Si B*e8t mis parmi nne adreoe A Malpertius sa £arterece Oè il ne oriënt ott ne agait. Au trespasier qne Brons a iait Li a Renart dens |faz lancies. Bron, estes-TOS bien ayanciei, €e dist Renart, dd miei Lanfiroi 10410 Que TOS aTes mengië sani moi? Yostre male foi tos parra, Certes il tos en mesehanra Que }k n'aorex k la fin prestre. De qnel ordre Tolea-Tos estre Qoi roge chaperon aTei? Li Ors estoit si adolez Qu'il ne 11 pot respondre mot, Foiant s'en Tet plus qne Ie trot: Encor qoida chamr es mains 104S0 Lanfiroi et as autres TÜains. Tant a alë esperonant Que dendens Ie midi sonant Est roTem» en la diariere Oè li iion tint Gort pleniere. Pasmé cha! es paTeilkms Do si bant aa ProYoire , As denz et as oogles trenohanz Li a trenchië on des pendant. Qant la fame Tit sa grant perte, 10600 Lors primes ot dolor aperte, TroiB fois s'est obaitive clamée, A la qaarte chai pasmëe. Aa duel qae Martinet menoit De sa mere qui se pasmoit, Tybert s'en esohape li Ghas, Qu'il ot as dens mengië les las. BYLAGEN. 325 Il a esté bien laidengiez, Maü en la fin s'est bien vengiex Del Prestre qoi si Ie batoit. 10610 Abi! con il s'en yengeroit De Renart B*il ert au desore! Mès li lecbieres ne demoro, Ainz B*enfoS sanx plus atendre Dès que Tybert Tit au laz prendre; Qant Martinet dist, lerez sus, Onques n'i yolt arester plos, Ainz s'enfoi k son repere. Et eil remest por Ie mal trere. Qui donc obt Tybert Ie Chat 10630 Renart maodire de son barat, Abi! dist-il, Renart, Renart! ik Diex n'ait en yostre arme part! Bien déosse estre cbastiez Qoi tantes foix sni conohiez J^ar Ie barat Renard li rox, Et li Prestres li mavès cox Qoi Diex doiiit mal giste et pou pain Entre lui et s'orde pntain, Qni hoi me fist tel enyaie ; 106t0 Mès d'nn des pendanz n'a-il mie, A tot Ie mains en sa parocfae Ne pnet soner c'i nne clocbe. Et Martinet son filz d'Orliens, Qne jè ne croisse en lui nns biens, Qoi boi m'aloit einsi batant, Jk ne mnire-il de si q'atant Qa'il ait estë moines retrez Et pnis par larreoin deffez! Tant k sa plainte demenée 10640 Qa'il est yennz en la yalëe Et en la Cort on li Rois siet. 0^ qn'il Ie yoit as piez li chiet, Si li raoonte la meryeille. Diex! dist li Rois, qar me conseUle, Con oi ore grant dëablie De Renart qui si me ctHiobie! Ne je ne puis troyer nului Qui me yenge de eest anui. 326 BYLAGEN. Sire Grinbert, moult me'menreil 10660 Se ce n'est par Tostre oonseil Qae Renart me tient si por vil. Je TOS pleyis, sire, nenil« Alex dono tost, si r«menez, Gardez sanx loi que reyenei. Sire y ce ne pnis-ge pas fere, Renart est de si put afisre Bien sai que pas ne Famenroie Si je Yoz letres n'en ayoie; Mès s'il Tëoit Tostre sëel, 10660 Foi qoe je doi Saint Daniël^ Lors sai-je bien que il yendroit^ Jè nule essoine neV tendroit» Yoire dist, fet soi FEmperere» Lors li deyise Ia matere, Et Bancent li Sengler Fescrit Et si sëela qaanqne il dist, Pais bailla Grinbert Ie sëel, Et cil se mist en nn prael^ Et pnis s'en entra en on bos. 10670 Moult li sua Ia pel del dos Ainz qu'il Tenist k Fois Renart. Au yespre troye en un essart Un sentier qui bien Ie condnit A Fuis Renart deyant la nuit: Li mur sont baut et li detroit, Par un £piichet en ala droit. Entre Grinbert el premier baille, Dant Renart crient que ne Fasaille. Qant il oi celui yénir 10680 Prés de meson se yolt tenir Tant que il sacbe la yerté. 'Es-yos Grinbert en la fertë Au pont toméis ayaler Au petit pas, et au tomer Ains qu'il entrast en la tesniere Le cul ayant, la teste ariere, r L'a bien Renart reoonéu ^ Ainz que de phis prés Fait yw. Grant joie en fet et grant solas > 10600 Au col li metvaiideus les braz: BYLAGEN. 327 DesoK li ploie deus oonins Por ce qa'il estoit ses cosiiis» De ce tien-ge Grinbert a sage, Qa*il ne volt conter aon mesage Deyant qa!éii8t mengië ases; Et qant li mengiers fa finez, Sire Renart, ce dist Grinbert, Trop est Tostre barat apert: Savez-Yos qne li Rois tos mande, 10700 Non mie mande, mès conmande Que TOS li yengnes fere droit En son pales oü que il soit. Prendra jè Tostre gerre fin Que demandez-YOs Isengrin, Ne Bmn FOrs ne Tybert li Chaz, Mar Téistes votre baraz. Ne TOS en pais doner confort, Jk n'en anrez el qae la mort, Ne TOS ne tuit Tostre chael. 10710 Tenez, si brisiez eest sëel, Gardez qae la letre tos dist. Li lecbierres tremble et firemist, O grant pëor la eire brise Et Toit qae la letre dcTise : Si sospira, aa premier mot Bien sot k dire qn'il i ot. « Mesires Nobles li Lions, » Qai de totes les régions n Et des bestes est Rois et sire, 107S0 » Mande Renart bonte es martire » Et grant anoi et grans contrero » Se demain ne li Tient droit fere » Enz en la Cort dcTant sa gent, » Si n'i aport or ne argent , » Ne n*ameint bon por lui deffendre, » Fors la bart k sa gole pendre. i» Qaant Renart ol la noTele , Le ener li bat soz la mamele , Tot le Tiaire li neirci; 107S0 Por Dien, fet-il, Grinbert, merci, Moolt bë Yore qae je tant rif: ConseiUex eest dolent cbaitif , 328 BYLAGEN. * Qar je serë demain pendos. Diez! qar foae ore moines rendu A Clugni Que TOS aTez asez TitaiUe, Ne cuit doTant set anz tos fisdlle. Que TOS iroie-je disant? 10880 A Dame Deu toz tos conmant Qui me ramaint si con je Toil. Atant mist Ie pië sor Ie soil: Au departir de sa tesniere A conmencië une priere. Diex, fist-il, Rois omnipotens. Garde mon saToir et mon sens Que ne Ie perde par pëor Par dcTant Ie Roi mon seignor, ^ BYLAGEN. 331 Qant Ysengrin m'enciuera 10860 De qantqu'il me demandera, Qao je li puisse reson rendre Oa del noier oa del deffendre; Me doint sain et sauf repeiier Que je m'en pnisse encor yengier De cels qui me font si grant genre. Lors se coacha adenz k terre^ Et trois foix se rendi copables, Pais se seigna por les déables, Et por Dant Nobles Ie Lion 10870 Moult fa en grant afflioion. Cr s'en Yont li Baron k Gort, Et passent Tere qui Ik cort, Et les destroix et la montaingne, Et puis cherauchent par la plaingne. En ce que Renart se demente El bois ont perdno la sente, La Toie et Ie obemin forré. Et nequedenty tant ont errë, Qn'il s'avoient parmi uns pleins 10080 Deles nne grange k Noneins. La meson est moult bien gamie De tos les biens que terre crie. De let, de fromacbes et d*uës, De brebizy de yaobes, de buës. D*anes et d'autres norri9onSy Dist Renarty oar nos adre9ons, Par encoste de ces cspines, Vers oele cort k ces gelines, L& est la yoie que lessons. 10890 Renart, Renart, dist U Tessons, Diex set bien por qoi yos Ie dites, Pils k putain, puanz beritës, Mauyès lecbierres et engrès, N'esties-yos k moi conüés Et ayiez merci orië? Pet-il, ge Fayoie oblië: Alons-nos ent , yes rooi tot prest. Renart, Renart, por noient est^ Diex parjure, Diex foi-mentie, 10900 Tos jors durra ta lecberie. 3S2 BYLAGEN. Con ta 68 fole créature! Ta es de mort en ayentitrsy Et après ta confession, Or 8i reis fere desraiaonf Certes grans pechiez te oort seore, yien-t*en, que maudite soit Feore Que chais senr terre de merel Belement Ie dites, biau frere, Alon-nos ent en pès amUant. 10910 N'en ose fere antre semblant Por son cosin qni Ie chastie^ Et neqnedent sorent colie Vers les gelines oele pari, Moult est dolent qani il s'en part> Et qui la teste li conpast^ As gelines tantost alast^ Mises les éost k raison Se ne fnst Grinbert Ie Taisson* Or s'en font li Baron etisemble : lOOSO Diex! con la male Grinbort amble! Mès li cheyax Reïiart aeope, Li flans li bat désoz la orope; Tant oriënt et doute son seignor. Que onqaes mós n'ot tel pëot. Tant ont alë et plains et bot. Et Tamblëare et les galos. Et tant ont la montaingne alée, Qn'il sont vena en la yalëe Qui en la Cort Ie Roi avale, 10980 Descendnz sont doTant la sale* Sitost oom RenArt vini a Girt , Il n'i a beste ne 6*atort Oa d'oposer oa de respondrd. Or est Renart iptès de confondre, N*en tomera qa'il ne s'en ooise^ Qar Ysengrin s6s deus agaise Et Tybcrt li Chai se oonseille^ Et Brans qui la teSte Ot Termeille; Mès qui q*aint én bëe Renart , 10940 Ne fet pas obiere de coart^ Ainz conmence enmi la meson Teste leyëe sa reson. BYLAGEN. »33 Roii, let Renart, je vos nla Con cil qni pUu tos a Talu Que tuit li baron de rEmpiro, Mès tort a qai vers yos m'enpire ; Ne sai se c'est par mol ëur, Je ne foi onqiies assëur. De Yostre amor on jor entier. 10960 Je parti de Gort ayant-ier Par yostre grë et par amor, Sanz maltalent et sans clanun*. Cr out tant fet li losengier Qui de moi se volent yengiery Que vos m'aTex jugié k mort; Mès pais, sire, que Rois s'amort A croire les mauyès larrons, Et il lesse les bons barons, Et gerpist Ie ohief por la qeue, 10960 Lors vet la terre k male yenet Qar cil qoi sont sorf par nature Ne seyent esgardei^ mesure* S'en Cort se puent aleyer, Moult se painent d'autrui greyer; Mès chiens {amiUeus en cuisine N'a cure de beste yoisine; Cil font la poyre gent tuei^ Et les monncnes remuer. Cil encnrtent Ie mal k tere 10970 Qui bien en seyent lor prou trere Et enborsent aütnü ayoir» Ice yodroie-je savoir Que Bruns et Tybert me demandent: n est yoirs se lé Renart coomande Que bien me poent fere let Encor ne Faie-ge forfet, Qu'il ne serent dire por qoL Se Bruns menja li miei Lenfroi Et li yilains Ie ledenja^ 10980 Et il por ooi ne ao ye^ïa? J& a-il granz meins et gram Si a grant musel et grant gië8% Se mesire Tybert li Chaz Menja les soriz et les ras 334 BYLAGEN. Qant en Ie piist et li fist honte. Por Ie caer biea k moi que monle? ik ne 8ui-ge PreToi ne Mere Qae je Ten doie nul droit fere; Volent moi ice demander 10990 Qae il ne pnent amender. D'Ysengrin ne sai-ge qne dire, . Qar Jil n'a mie tort del dire Qae j'aToie sa iame amëe, Et qant ele ne s'est clam^, Sai-ge lecheres de m*amie? Li fox jalox de ce a enTie, Et pais qai nl ot braies traites, Ne huis brisiei, ne portes fraites, S'ele m*a chier et ele m'aime, 11000 CU fans jakms de ooi se claime? Est-il por oe .drois qu'en me pende? Nenil, Sire, Diex m'en deffende! Hooit est grant yostre roianté, La foi et la grant loiantë Qae j'ai tos jors yers tos éne M*a Fame del cors meintenae; M ès foi qae doi Den et Saint Jorge J'ai tote chenae la gorge. Viex sai, si ne me pais aidier, 11010 Si n'ai mès care de plaidier: Pechië fet qai k Cort me mande, Mès pais qae mesire oonmande. Si est-il drois qae je i yiegne. Or sai deyant Ini , si me tiegne Et si me face ardoir on pendre, Qar ne me pais Ters lai deffendre* Ge ne sai pas de grant paissance, Mès ce se seroit poTre Tenjance, S'en parleroient meinte gent IIOSO Se Ten sani jagement me pent. Renarty Renart, dist l*E m pe r ere, Ihihes ait Fame Tostre pere Et la pate qai yox porta Qant de ne tos ayorta! Or me dites, traltre lerres. Por qoi estes tant baretores? BYLAGEN 325 Bien saTez parier et plaidier^ Mès ce, cjue yaat? N*i a mestier, N*eii partires en imle gaise IIOSO Qoe de TOê n'en &ce jiutise ; N*! a mestier chiere hardie Ne n'i yaot yostre renardie, Moult saTec de la faaye anesse; Se j& n'ayec yostre promesse Qae yos ai orendroit promise. Hoi estes yeniu k joise Tel con jugeront mi baron, Qoe Ten doit fere de laron Et con de fekm traïtor. 11040 N*en partires sans mauyès tor Se ne yos poes escondire De qanqoe Ten yos saora dire. Sire, dist Grinbert li Tessons, Se nos yers yos nos abessons Por droit fere et por afetier, Ne deyec pas por ce tretier Yostre baron yilainement, Mès par loi et par jagement. Entendec fa^ ne yos anoit, 11050 Renart est yenns par condoit Por droit iaire et por amender Ce c'on li saora demander. S'est qoi de loi face clamor, Vos li otroiei par amor A respondre par jogement En yostre Cort yoiant la gent. Aini qoe Grinbert éost finëe Sa reson et bien terminëe. Se dre^a en pies Ysengrin 11060 Et li motons sbre Belin, Tybort li Cbas et Rooniax, Et Dant Tiecelin li Coiiiiax, Et Chantecler et Dame Pinte, Si con el yint k Cort soi qointe. Es Espinars li Heri^ons, Et Dant Petipas li Poons; Frobers li Gresfllons s'ayanoe, LI sor tos aotres meet tence, 336 BYLAGEM. Et Dant Ronoiax li Eftnüreas 11070 Qui il a &t de oioiiU grant deus. Coart li LieTres moolt s'argoe De cort en cort, de me en me, Meinte fois li a fot anui, Yengier ^en ooide encor encni. Or est Renart en mal randon Se Ten Ie velt metre k bandon; Mès li Rois les fet en tai trere. Lui en lest la Teojance fère« Li Rois a parlë hautemwit 11080 Si qne Foent tote la gent. Seignor, fet-il, oonseilliez moi De eest larron de pnte foi, Qnel jnstice de lui ferai, Dites conment m*en Tengerai* Sire, font li baron an Roi, Trop est Renart de pnte foi , Nas ne tos sanroit desloer Qn'en haat nel* fiiciex encFomr. Respont li Rob, bien avei dit: 11090 Or tost, fet-il, sans eontpedit Se Renart s'en estoit tomez, lamès ne soroit retornez; Sacbies qoe bos en mescfaerroit , Tiex n'en set mot qa*en ploreroit. Sor an bant mont en an rocbier Fet li Rois les forcbes dreeior Por Renart prendre Ie (^orpil : Este»-le-TOs en grant peril* Li Singes U a fet la moe , 11100 Grant coap li done lez la joe. Renart regarde arere soi , Yoit qne i Tie^ent plas de troi; Li an Ie tret, Taatre Ie bota, N*est merreille ae il redote. Coars li Lievres Farocboit De loing, cjae pas neF aprochoit: A Farocber qn'a fet Coart En a crollé Ie cbief Renart; Coart en fa si esperdas 11110 Qae onqaes pais ne fd réat; BYLAGEN. 337 Del signe qu'oi yëa s'esraaie, Lon s'est muohez en ane baie: D'iloc, ce dist, engardera Qael justise Ten en fero. Mor i ma9a , si con je croi , Enqni aura poor de soi. Renart se Toit moolt entrepris. De totes pan lies et pris; Mès il ne paet engin trover 11 ISO Conment il s'en puist eschaper: Del eschaper est-il noient Si li enginz n'i est trop grant. Qant il vit les forches drecier, liOrs n*ot en lai qae oorocier. Et dist au Roi, biaux gentix Sire> Qar me lessiez un petit dire: Vos m'ayez fet lier et prendre, Gr me yolez sans foriet pendre; Mès j'ai fet de mottlt granz pechiez 11 ISO Dont je sui anqnes entechiez, Or Toil Tenir a repentance, £1 non de sainte penitance Yoil la Croiz prendre poi aler La merci Dieu outre la mer. Se je li moir, si serai sax. Et se je sui penduz , c*est max. Si seroit moolt poTro yenjanoe. Or Toil Tenir a repentance. Atant li yet chaoir as piez , 11140 Aa Roi en prist moolt grant pitiez. Grinbert reyint de l'autre part Qoi merci crie por Renart z Sire, por Deo entcot k moi, Qoe Ie fai bien, porpense toi Con Renart est prenz et cortois: Se Renart yient dosq'a cinc mois Encor aora mestier moult grant, Qar n*ayez si bardi seijant. Ootre mer yoiae, la Gcoiz prengne, lllBO Et k Tostre i*apel teveingne* Ce dist li Rois, ne fet a dire, Qant renendreit si seroit pire, 4S 338 6YLAGEN. Qar tuit oeite coetume tknent, Qui bon i root, mal en reyienent* Tot aatretel refera-il S*il eschape de oest peril: S'il n*ayoit lores bone pès, Sire, il n*en reviegne janèi. Ce dist li Rois, et il la preigne 11160 Par tel conyent que la remei|^e. Quant Renart TeC, fi et grant joie, Ne set s'il fomira la voie , Mès conment qne il Ven éoêe eUtre, La Crois a sor Teapaale éestre; Escliei^ et borden K aporlent Les beeeies menlt s'en desoonfortent , Cil qni enpaint et botë FotfC Dient qn'encor Ie oonperront. Es-tos Benart Ie pelerin 11170 Escbei^ au ooi, bonden fresnin; Li Rois 11 dist qn'il lor pardont Trestos les mat qoe let K ent. Et degerpisse engins et maz, Adont s*il muert il sera sax. Renart ne met riens en defeis De qanque li prie li Rois, Ainz li otroie tot ses dit Tant que il soit -d'üoo partii ; Ront Ie festu , si lor pardene. 11180 De Gort se part ua pou ainx none, Onques nus d*aas no salua , Enx en son coer les desfia, Ne mès que li Rois et s'espooas Ma Dame Fiere Forgellouse, Qui tant par est cortoise et bde. Renart gentement en apcde , Sire Renart, proiet por nos Et nos reproierons por tos. Dame, fet-il, Tostre proiere 11190 DeTroie-ge aToir moult ohiere; Moult par doTroit estre haitiei Por qui proier daingnories, Et se cel Toslre anel avoie, Moult en seroit mdlor ma Toie, 6YLAGEN. 339 Ei fadiiexy se Ie me doneft, Bien tos sera gerredonez, Redonrai tos de mes joiax Tant qae Taora bien cent aniax. La Roine l'anel li tent, IISOO Renart k grant joie Ie prent, Entre ses denz basset a dit, Certes qoi onqaes ne Ie Tit L'anel , por Toir Ie conperra , Jk por nnlni ne remendra. Renart mist Fanel en son doi Et pais a pris congië au Roi. >%^ DIT IS DIE TAFEL YAN DESETf BOEELE. (dB OQBB P10S4 aiVOLCD.) I if den ieraten , hoe dat die coninc yan allsn dieren een hof dede beroepen , ende geboot alle dieren daer te comen. • . Y* 1 Hoe Isegrim die wolf ierst claghet over Reinaert die tos. 61 Hoe Cortois, dat hondekijn, ooc claghet over Reinaert. • 98 Hoe Grimbaert die das Reinaert Torantwoort yoor den coninc 177 Hoe Cantecleer die haen claghet OTcr Reinaert • • • • 285 Hoe die coninc spreket op die claghe 4S1 Hoe Brnn die beer yan Reinaert geexpediert ende nat ghe- recht wort 476 Hoe Bmin die beer dat honich at 54S Die claghe yan Bmin oyer Reinaert 988 Bits hoe die coninc Tibaert den kater uut seinde om Rei- naert te hoye te brenghen, ende hoe Tibaert yan Reinaert untgerecht wort 1015 Hoe Grimbaert die dasse Reinaert te hoye brocht • • • 1119 Hoe Reinaert sijn biechte sprac 1481 Hoe Reinaert te hoye qnam , ende hoe hi hem excuseerde yoer den coninc 1757 Hoe Reinaert gheyanghen wort ende yeroordeelt ter doot. 1850 Hoe Reinaert ter galghen waert gheleyt wprt . • • • 2024 Yan Reinaert, hoe hi openbaerlic sijn biecht dede yoer den coninc , ende yoer een ieghelijc diet hooren wonde. 2048 Hoe Reinaert alle die ghene belastede, die hem ter doot wouden brenghen , ende hoe hi die hulde yan den co- ninc yerwerf 2170 Dits yan Isegrim ende Bruin , hoe sy geyangen worden bi toedoen yan Reinaert 2801 Hoe Isegrim ende sijn yrouwe hem moesten laten ont- scoeyen, ende Reinaert die toech haer scoenen an^ om daer mede te gaen • • • 2847 Hoe Cu waert die base ghedoot wort yan Reinaert • . • 8017 Hoe dat Reinaert Cuwaerts hoeft seinde totten coninc by Bellijn den ram 8205 TAFEL. 341 Hoe BeUijn die ram ende aDe sijn geslacht gegeven wort in handen yan Isegrim , den wolf, ende Bruin den beer. Y* 8295 Die claghe van Lampreel dat conijn ende yan Corbout die roec over Reinaert • • • 8510 Hoe hem die coninc seer vertoornt yan deser claghen. . 8625 Hoe Grimbaert die das Reinaert waersconwede , dat die coninc hem doden woude p . 8768 Hoe Reinaert anderwerf ten hoye qnam • 4284 Hoe hem Reinaert excuseert yoer den coninc yan allen claghen ••...... 4851 Die antwoerde des conincs op Reinaerts excnsatie • • • 4687 Hoe yronwe Rukenauwe die apinne Reinaert yerantwoert yoer den coninc 4788 Een parabel yan een man die een serpent verloste dat in node was 4870 Van Reinaerts maghen, welc si sijn die hem bestaen • 5104 Hoe Reinaert met snbtyle loghenen verantwoert den doot van Cuwaert den base, die hem aen gheseit was, ende aUe ander saken. Ende hoe hy weder verwerf by schoen parabolen die hulde vanden coninc 5278 Hoe Isegrim weder over Reinaert die vos claghede. . • 6258 Een schoen parabel van Reinaert ende van die wolf, hoe si te gader ghinghen totter apinnen 6482 Hoe Isegrim Reinaert die hantschoen boot om te campen. 6788 Hoe Reinaert den hantsehoen ontfinc , ende hoe die coninc hem beiden dach beteikende ten crite te coraen. • • 6764 Hoe vrouwe Rukenauwe Reinaert raet geeft wat hy doen sal in den camp 6795 Hoe Reinaert ten crite quam , ende hoe si ghinghen vech- ten : . . . 6917 Hoe Reinaert van Isegrim tonder ghebrocht wort, ende hoe Reinaert hem aenginc met smekende woorden , alsoe dat hi weder te boven quam 7174 Hoe Isegrim van Reinaert verwonnen wort ende Reinaert hielt die overhant, ende bleef in die ere 7856 Doe Reinaert Isegrim verwonnen hadde, ende die coninc den camp opghenomen hadde, doe vertelde hi den co- ninc dit exempel • • • 7480 Hoe die coninc Reinaert alle saken vergaf, ende maecten soverein baljuw ende overste van alle sine landen . . 7588 Hoe Reinaert met sinen maghen eerlijc van den coninc soiet, ende trac tot sinen casteel Malpertuus, ende hielt die hulde van den coninc . . • • • 7746 A GLOSSARIUM DER VEKOCDERDE WOORDEN. Acht, kêchienii, V* 685. Aohterbaot, ócht»r mg, 4249. Aeitch, averecht», 7071. Aentcgn, bl^k, 1781,4362. Aermino, ongelukkige, TffTJ, 22ia Am (dood) doode romp, 4497* Af, mm, 21. After, achter, 6, 7540, Vii. 774, V« 36. Aftenneed, achterhuêr, aehterkoop, Tas. 1651, ¥• 15. Akette, Iiiim,bl2d6, Aïb gedroch, hedrteglgkê êckgm door dg ahm 0f9i9€H itêroorwaeki, 1^8967. AU «n aU, gthoel en al, 3030, 3284. Ameide, kammeiboom,\AM. 774 V«36. Apeert, openlyk, 204. Appelhurre, appeUchillen, 5130. Argertiere , kwaedwiUend, 2530. Artike (xekere nekte), arthritii, 5402. ATe, af, 6317. B. Bochten, achter, V* 1290, 2901. Bacnmijn (een tchrikbeeld) 6535. Beerde, handbyl, 701. Boke, verkentfoleeech, hesp, 117, 1517, 2127. Baloh, huid , romp, 2821. Belch, helgde; lie Balgen, Bmet, bedrog, 353, 483, 1196, 1486, 1708,6429. Borbacane, voormiier, 522. Baren, gebaren, hewêgen, 2404. Barlebaen, (xekere kwade geett), 5184. Bat, xie Bet. Bate tUen (in), goeddoen, 192. Bedi, bgdien, due, daerom, vermêde, 2357, 2912, 2995^ 3130, 3182. Bedocht, bedacht, 84. Bedragen, ietc Ati/(/t>M, 2200, 4511. Bedregen, beechuldigd, 2527. Beede,6eMl9; 147. Begaet, ontsierd, 4094. Begaren, begeren, 6652. Begeren, dfioffvUwrkUeii^ 369, 1488, 4523. Bqfieo, bekennen, 2954. Begiet, Mefi(f^2954. Behalen, inhalen, bereiken, Vab. 1999 V»53. Behangen, beMwaerd, 5325. BeheU,6dbMl(l,41l7. Beide, eamen, 42. Belanet, aenbelangd %gn, 2641. Beloken, besloten, donker, 335, 1169, 2271. Belopen, overmand, 2542. Beqname, aengenaem, 620. Beraden, aenwy»en, toeb r e n gen, doen ttinden, 592, 639, 2997. Berechten, beridUon, mOeggen, 5686. Berg, bunh, 3875. Beride, loop, 3555. Beriet, sie Beraden, Bemen, branden, 303, 1506. Berijt , beloop, 7706. Betcalt,fte0cAo<(l, eprakaen, 936. Betcottt, beeckmUUgd, 7549. Beteken, itMt%efi> 75i. Beuef , iase/^. Yam. ^ V 13. Beaperret, gehinderd, 6482. Bettaen, o«iir0fidefi^ 7086. GLOSSARIUM. 343 Betteken , beproeve n , V* 11^. Bet , heter, 226 , 1063, 1090. Bet Toort, verder, 5769. Betegen , aengetygd, 2028. Betyen, aentygen, Yii. 1999 V« 87. Bewenen, duchten, 176. Bewant, hewend, gekeerd, 1630, Vak. 960 V«l. Bewinden, oenÈrehken, 4846. Bewraot , hepekeld, 6551. Binnen, Ml, 1795. Bitent, (byxantitche goadmant) 1153. Bitpel, voorheetd, epreehwoord, 181, 7793. Bknden, mengen, 2183. Blare, hlein, 2494 Bleeren, haren ale een koe , 5734. Bliren op een, een eckeidetnan kioMon, 55ia Blouwen , eïaen, V* 251, 1584, 1827. Bocraen, fyn linnen, 5499. Boet , kuip, genening , 5474. Bolgen, Bich heigen, 1749, 3205. Borde, Uut, 114Z. Bottaert, êoort van ralk, 3367. Bond, êtoui, 1266, 1769, 2308, 5152. Breeuwen . eten aen eenen vogel opetop' pen, 2890. Braken (opter), op keeter daed, 6308. Brate, frnu, 3134. Broke, breuk, reck i ê w e r h r ê ki ng , 2514, 4403, 6189. Broken (te), gebroken, 166. Bruuke, tie Broke. Bruwen, iroinoen, 1961. Butaeel, bueaert, 1863. Boncaelydoorsjr^er, Vab. 219. ZIE K. D. Daet, deed, maekte, V* 3062. Dale (te), nederwaerte, 540^ 890, 910, 958. Danen, van doen, 272, 1402, 2401. Daren, deren, benadeelen, 904. Darren, durven, 239, 1358, 2013. DaM,tfvib, 7329. Tït\\\i, vermaek, 1228. Bere, droefheid, 5306. Derre , dier, 979. De*, lifl, 1223,4932. Det,mMif,5075, 5309. Dent, God! 6564. Deoaage, deut^u, teker spel, 3038. Di, ^y, «c, 1444,2567,4949. Dio, dicken, dikmaek, 2, 3902, 4368. Dichter, JcArycer, 3361. Dieden, gedyen, 3182. Dief,y(m9efi, 1419. Dien , %edyen, 1450, 3181 Dienen, gehrwihen, 157. DietMshe, duitsck, 9, 1463. Dinken,ifiMiAMi, 126, 198, 1099. Diane,Am,VAa.3140Y« 11. Doemadag, oordeeledag, 344S. Doen (te), vandoen , 4568. Doere, doe ar, 2966. Dogen, verdragen, 281, 2348, 2420, 3612, 4042, 4959. Dogen, emart, 4480. Dogen, dgmgen, 8834, 4295, 4784. Dogen, mogen, 6769. Doget, deugd, 3141, 4829, 6027. Doorgangen , doorgaen, 6326. Doot, gedood, 1144. Dor, om, 25, 66, 111, 897, 931, 2083, 7617. Doren ,iiirosefi, 13. Dorper, onbeechaefde , 13, 2352, , 2534. Dotten, stoeten, 6331. Don, vocht, 7072. DoTen,t0OMfoi», 1718. Dri^eo, hedrgven, kandelen , 2384. 344 Drooh , bedrieger, 0827. Da, 9y^4946. Doleo, dol worden, 693. GLOSSARIUM. Dolst, meoêt-goiroflm, 493. Dwaen, afwoêêchon, roimgon, 1460. Dwoegen , afwoêehiem, 6166. £. Miif aekior,v6r9olgênê,dQ9nM, 1648, 2965,3430. Echt tie iIcA/. Ichter, daorma, 4933. Eeke, etAtffiftoom^ 651. IflUioo , êUendêUng, Vit. 163. Eenlic, êonMOêm, 883. Eere, «MMf^ 134, 1301. B.ofulffrt, 571, 3245. tn^hêion, fXffl. FtlUcie, bedrog, 3781, 4355. Flume, êiroom, 2645. Finke, ^MMtfftufw^ bL 294. Endene, hmui, 452. Eotie, en die, 191. Erre, ^nm^ 2834, 3386, 5630. Erren , gram worden , 3208. EtoI, kwaed, wiekte, 2507, 5494, bUdk 292. E?el (l*06)> **9ekte in de sgde , mieerere, 5401. ETenkenten , evenckriêten, eoenmeneek, 4143. F. Focken, itoeien, 7326. Folen, epotten, 4050. Fonteine, fonteinwater, 5404. O. Gaerdeline, baerdkair, 1416. Gal, ^Odt^ 1230. Galp,9adt,6304. Gano,9a«f/5876. Gugen, ^«Mn^ 6604, Vim. 1422 V* 2. Ganroo , echree uwen , d0o9. G«udiiir^^ 3324. Gerechte, klaeggeruchi, 6202, 7524. Geronnen, geloopen, 734, 760, 1325. Geruft, ^tnicAf^ Vai. 1370 V* 1. Gesacht, geMegd, 6716. Getcede , afscheid, 387. Getijn, geweest, 4447, bl 293. Getinde, gesin, 1399. Gesint , gesanden, 5443. Getmide, êieraed, 2614. Gesooht , vetMOcht, 3433. Gettille, «ItVjioy^eM^ 25, 1136, 2194. Getelen, enfcA/^ren^en^ 2359. Getemen, gedoogen, 2211. Getoget, geloogd, getornd, V» IQtO. Getrac, getrek, gerucht. Vu. 1931 V«4. Getwi, hrM/, Vit. 2583. Getel , geoiêl, 6629 , 6731. GeTortt, geveret, uitgeetêld, Vai. 251 V»8. Gerreiatchen, v em e m e n j 1582. Gewade, ingewand, 1283. Gewaert, verxekord, 1123. Gewand, ^eipenf, 1630. Gewande , ffi^eirofid^ 1283. Gewarich, waerheidlievend, 4188. Gewes, gewie, 5066. Gewonden, willen, hetchikken, getAg hebben, 430, 7610. Gewout, macht, 605, 2142,^73. Giement , niemand, 4938. Gile,(Mfrv9^5982. Gnen,yoU0ii, 4260. Gine, gg en, 199. Godtat, (een Tloek), 31,96. Gone (de), de gene, deze, 5618. Goom, acht, 183, 659, 2000, 2188, 4470. Granen , baerdhair, 2992. Green, greinde, grinnikte, 5734. Grognieren, grommen, 2118. Grongaerde, fr. ^^nanif^SO. Gmat, gruit, bierdroeaem, mout, 6262. H. Baenbalc, kruiebalk, 1617. Haer, her, hier, 2648, 4308, 4497. Haerde, Meer, 3. Haerwaert, herwaert, 1452. Hage,Ae9,42, 1053, 1679,2424,8109. Hagedochte, Ao/^ 541, 1367, 3094. Hamen, itfittffi^ billen, 971. Hant (te) #Aaii« , 959 , 983, 1 154 , 4604. ïant (toter) tot nu toe, 1540. Haotieren, hanteren, 4203. Hantwerc, schrgfwerk, 3368. Harde,JMr^3,207. Hare, her, hier, 2648, 3242, 4623. Hare, hairenkleed, 269, 274. Harentare, hier en gind; 1628, 1711, 2069, 7120. Hat, Aafofid^ 3988. HaTo, waer, eetwaor, 563, 4472. Heede,A«Ml9^3159. Heetch, eiech, 8072. Helet, held, 1071,3141,3283. Heiige, reliquien,Bi. Helpe, (God helpe I) 575. Helten , omhel$en, bl. 288. Helt, Ai0M, 4106, 4117. Herde , herder, 5669 , 5675. Heni,Aefi,7l6. HeTen (op), gemaeki, 274. Hiden, verschuilen, 2598. Hie,enmir^ 1852. Hinderwaerti achterwaert, 2017. Hine, Aym, 963. 44 346 GLOSSARIUM. Eire, 4y mr, V* 52. Ho, Aoo9,443. Hoden , i9$HouU, 7861. Hoeckine, hokktn^ 2091, lie in dmkffilêm Hogen (in), verheugd, 1048, 2114. HoTMch, k0Uêeh,hêh9fd, 1221. Hou, «%, 7071. Houde, gwut, gênêgenkM, 2207* HorreMh, heuêch, hêUefi, 1221. HoTetchede,A«iitcM9Ml^d»0fiflV28, 1668. Hout, genegen, gmuUg, V* 606. Hoatmakigge,(Troaw die Tan hout ieU mMkt),804. Holde, genegenheid, 594, 1142, 1784, 2173,2513. Holde, dienstgetrouwheidf 1611, Holten, brullen. Vis. 693, V« 1. HoMchen, uitjouwen, bl. 291. HoTen, foppen, 6850. I ien, jonde, gunde, 1075. , lewet, iete, 122, 2379. Jane,ya ite4> 2208, 2552. Ine, ik en, 93. leken , duivelÊ, 6673. loie, vreugd, 3796. Ie, ooii, 1652, 2418, 2829, 3493, 5271. JonMe, gaf, 3309. K m G. Gtf, MMffiVMrdt^JMi, 1803. Gnine, M0lM»> 280, 423. Cattien, vemumen, onderrichten, 489, bL294. Gatijr,ueJbtVv/: Keer, iMfidMi^^ list, 3646, 7366. Keityf,ofi9«lNAA«^0, en alt tcheldwoord hoefi 640, 838, 2805, 3572, 4672, 5291,6283,6937. Kele, roodUeur, 5510. Kempe, etryder, 6977. Kenpeiten , punnehoehen , wafels , 4459. Cetyn (leker soort Tan hout), 5597. Kyr, kiTe, ik^'A versehU, 4996. Oaf , illM/»a^ 7004. Qergie, geletterdheid, 4020. Oippel, iklffMf^ 1297. Qoet, epringstoh, 786, 792. Clooiterwinning, a/laet, 7205. Qoyen, stooten, 5134. Knijf,«iiM, 4217. Cobe, wmf^ 5590. Koken, koteren , 789. Gore, Am», 5069,7196, 7224. Kome, romp, 6442. CoTent,o9ef«9iaoffM#, 1612,2536. Grayeren, uitroepen, 45. Cranc, swaifc, 1013. Cri, wapenkreet, 6970. Crijt, etrydperk, 6758. CrijUen, JkmCfmi, 6312. Crijtwaerder, strgdperkbewaerder, 6930. Crode, *nii-ted$nsr > Vae. 1773 V»21. Gronen, kreunen, 6118, 6712. Gnllen, testicuU, 7378. Game, naeuwelyks, 611, 768, 2131 2919. Kowen, kaeuwen, 3840. L. Lacte,Mto,808. Lachier, schande, 71, 95, 1024, 1300» 2181, 6030, 7306. laken, vJoete», 4674. lanc (orer), lang ditema , 547. lanken, Ifii(l9fi^875. Lapen, leppen, 2085. Lat, fo«pla^ 3610. Lat, traeg, 1182. Latyn (tael in H algemeen), bladi. 288. Let, Ued,l(n6. Letten, vertragen, 1318, 1954. GLOSSARIUM. 347 Lettier, droêghed, V* 3925. lide, iocht, Yab. 1051, Y* 2. Uden, inkkên, doorêtaemy «oOfiy^MH , 150, 1053, 1057, 2597, 3153, 3534. Udnï,h0iyd0n,eA2A. lielNiert, Iseuw , bl. 292. lieden, helyden, 3113. lien, beladen, 2287, 6758, 7195, 7287. licT, wang, 745 , 855 , 895 , 1352. lieTe, kefie, 2137, 3353. Uicieken ywaertêeken, 2296. Lgf, leven, 236, 1984, 4438, 4995. Lijtsen,lol9f«f», 6312. Iijt,i0ly(f^5OO9. line, koorde, 1490, 3150. lineleten (een spreekwoord), 1081. liTe, xie /(f/. loi, W9i, y* 4053. Loodwapper, (•Ungertni^), 796. Looft, gelooft^ 5353. Loot, lo8, 6300. Lot, lynx, 6931. Lotengieren, looe bedriegen, 3091^7525. Losmaken , W9gnemen , 1475. Lossen, Ignx, 6220. LoTen, achten f 4965. Loren, gelooeen, 3276. LoTentaten, loftuUen^ 4185. Lacht, Hchi, 161\. Luchter, linker, 1054. Lade, /««Ie, 148. Loten , op cis (ytV «p«J0fi, 7331. M. laken , doen, 1041, 1475. Hakigge, maekêter, 904ké Hale (Toor maeg), 400, 889. ■alsch, week, 19. Mamet, JfoAame/, 6534. Hanlio andren , mottofNlsr^ 1578, 2109. Hare, vsrmaenl, 238, 294, 417, 615. Hare maken , hekend maken, 238. S. Hartens Togel , de kraei, 1047. Haten (te) weinig, 626. Hee, meer, 1379, 2092, 3198, 5668. Heengat, gemeene doorgang, bt. 290. Hoeren, vermeerde ren , 3891, 6568. Heerre, meerder, 5438, 6546. HdLel, ^roo/, 718. Herren, dralen, 3207, 3222. Hesse, meenche , 7482. Hettien ,mef dien , kier mede, 700, 5731, 6877. Hioken,iii«fAMi^ 6556, bL 291. Kede, gift, belooning, 1988, 7284. Hiere,myiMr^ 117, 318, 1051. Hineren, verminderen, 704. Hisleeden, miiUiden, 208. Hisprijs, mieacküng, 1479. Hisqoame, kwade toeval, 5392. Hisraken, miisen, 496, 1756. Hisrocht, mitraekt, 447. Hissaken, loochenen, 6307, 7625. Hisschieden, kwaed geeohieden, Yas. 1999 V«34. HisseUc, tw^felachiig , 1391, 4120,4261, 4864. IGsrel, mieviel, 3585. HisToert, miedaen, 74. - Hittien, metdien, Yia. 757 Y» 2. Hoedecac des davels dochter, 6669. Hoete (te) , te vreden, 4914. Hol, Mand, $tof, 6999. Hono, munnik, 1487, 2712. Horseel, 9tnk, 134, 923, 4484, 5063. Houde, Mond, aerde, 465, 2307. Hol, Mand, aerde, 7108. Hoseel , te, mrneau, 219. Haten , ruiven, 4689. HooUdne, m milk en, 1417. N. lfa,iiiMlsmas/^3423. Nabelanc, aenbeUmgend, verwant, 5108, Raerroi naderder, bl. 294. Naes, neuê, 5992. Naesten, naderen, 2946. Naie, iieiM/ 6105. 34S GLOSSARIUM. Nauwe, mat naeuwg^Metheid, V* 2366, 2492. Nemare , moêr, 447, 8740. Hemmee, nietmear, 1318. Nemmeer, niet meerder, 622, 967. Net, Mw, 664, 1442. Nete, fwtfff^ 798. Het, nat, Vai. 693 , T« 20. Iferelioo, neef, 6975, 7746. Reware, moer, 95, 174, 1749. Ilie,«MNM^ 746, 1546, 1778, 1874. IGegerinc, fMT^ffM^ bL 287. Ifiemare, nieuws, 367, 1577, 1604,4844. Niwelic, aerdig, MonderHnf, 6923. Jio^ noch, 112. Nc^l (sfllibtuk), Ta. 615, V« 2. O. Oderare, oaitaer, 2316. Oei, voedeter. Via. 1852, V* 1. 0f,a/', 4956, 4998. Ombiten, opeten, 611. Onbequamoi onaengenaem, haetelffk, 4710. Onberen, veretellen, 124. Onberoepen, 0fi6e«j9fvAMi^ 3065. OnbescaTen , onberiapt, 17. Onbesoode , plomp, 6658. Oncont, onifJbfMl^ 5014, 6916. Ondercomen, («siPtfAMi, 868. Ondoget , ondeugd, 4576. Oogehoude , ongemak, 6486. OngedwogeD, ofi^MroafcAfti^ 5135. Ongerec, ongemak, mishagen, 1201. Go gerede, ongeval, 2176. Ongereed, onvoorwion, 8160. Ongeret , ongeval , 1 472. Ongetcitte, («firvifcf , 6668. Ongier, vreeslyk, 414, 1472, bU 292. Onhout , ongenegen ^111, 4513. Onlano, tii 't hort, 0OS8, Onucont^venmtêchuldiging, verdediging, 4130, 4386, 4517, Vae. 1773 V» 7. Ontelinc, ongeluMtige, Vu. 2827. ODtochte, onMochi, 990, 3340,4784,4(171 Onspellic, dom, buiten raed, ongelukkig, 3022. Ontberen, ontberen, 5140. Ontdaen, open, 655. Ontdoen, openen, 3806, 5806, 6980, 7000. Onttcouden, ontschuldigen , verdedigen, 3865. Onttcricken, ontspringen, 3152. Ontspcingen, onfwoiMi, 1281, 1642. Ontwee, in stuhhên, uiteen j 654, 1817, 3131,6812. Ontweget , uit den weg gedaen, vervetfd, 2518. Ontwenden, ontgoên, 1844. OntwiMchen, ontglippen, 1510. Onvroet , hwalgh geaind, 5297. Onweert , vorsmading , 498. Ootmoet, Machtmoedigheid, 7035. Opgeloken, ofilt{o 6842. Torm, verdriet, 913, 915, 1295, 4011. Tomé , xie Toren, Trekere (die met trekeo omgaet), hedrie^ ger, 129. Troaten, torsschen , 9S\2, Trouwen (in), trouwene, 252, 3246. Tutin , tuin, doolhof, V« I9ia Tuwaeri , tegen u , 2690. Twa^r, voorwaer, 4352, 5289, 7311. Twi, waèrom, 1198, 1917, 2908, 8211. Twi, dubbelzinnigheid, 4678. Twint, 6ee(;>fi,2017. TwisUec, gaffel. Vit. 715, V* 9. U. üten tpele, 6titfon berekening, 1585, Uutboeien , ^mes^n ^ 5394. 1890. TJutlac , uitlekte, 808. V. Ya^vang! 1555. Vaer, kleur, 5413. Vaer, xie Vare. Vaert (nieiter) , spoedig , 6905. Vacrt (ter), êpoedig , 3878, 4057, 6288. Vaet , vat, vangt, 5696. Vanc, vang, 1444. Vanden, verplegen, beuteken, 1453, 6577. Vant , verpleegd, beiocht, 6577. Vare, vrees, 1627, 2301, 2327, 2977, 4371, 4940. Vedelen, stryken, 5736. Veerde, vaert, weg, 5614. Vel, viel, 3551, 3585, 7051. Ver, vrouw , 4024. Verbi, voorby, 4879. Verboord, verbeurd, 786. Verdoren , verdwazen, 1636, 1741, 2170^ 3075. yeve^penneetreek, 4025. Vergave, gave, 1224. Verhogen, overtreffen, 7598. Verbogei, verheugd, 3142. Verbuot, verschelen, 7553. Veijonnen, tiiM^uiifiefi^ 260. VerlaneMe, ontlasting, 2062. Verlangen, vefM^, 3937. VerloTen,fwrjaAeM^ 1448. Vermeert , vemuterd, 4232. Vermeit, verraden, Vai. 1629, V« 1. Vermerren, talmen, 1377. Vemoi, leed, jammer, 1279, 1295. Vemoien, verdrieten, leed doen, 3 ^ 1970, 1672, 3218. Veronweerden , misachten, 2252. Verpinet, afgemat, 867. Verre, verder, 5244. Vertacb, »ag, 1328. Versceiden, scheiden, bescheiden, 262. Vertcruven, verscheven, 925. Verscuui, schuwgemaekt , bl. 290. Versieden, cergaen, 6207. Versien, bespeurd, 710. Versien, mi» gezien, overgezien, 2124. VerMiellen,0Oorwft<3209. Wroegen, beschuldigen, 113, ITM, 2231. DRUKFEILEIH EW VERBETERINGEN. Blads. 1 V' 12 staet iky lees ie. — 1 In de aenteekk. staet vertyen, voorbyirekken , lees veriyen, opgeven. — M In de aenteekk. staet ¥• 810 lees V» 812. — 84 V' 2091 staet bockine, lees hoekine, dat is bokjens, en Tergelyk Metbr's Leven van Jesusy bl. 3S6. — 87 In de aenteekk. staet Y" 4255 lees V' 4335. — 04 y* 2317 staet verslancj lees verslant. — — In de aenteekk. staet Lucas d'Heerb , lees Eddard de Desn b; — 120 » » » n JBiblia, lees Bibliotheca. — 152 » n » » onden text, lees ottden text. — 164 y* 4163 alcy lees als. — 182 Y" 4665 suli^ lees eulc. — 216 y 5690 hebt^ lees hebs. — 267 y* 7212 eeriêchen Got. Het zelfde wordt ook van den paus gezegd in Yridankbs Bescheidenheit, naer de uitgave van W. GEUui,bl. 151: Der bdbeat iet ein irdesch got. — 272 y* 7380 droefUn , lees droefden. - — 296 Onderaen: decertate, lees decertare, — 301 In de aenteekk. vergelyk V^ 28, lees vergelyk b\ad%. 28 en — 311 Y* 10023 ne toty lees ne te pot. — 321 y* 10445 e%te8i\ee%este$. — 322 y 10508 Eorty \ees Fors. — 323 V 10549 oar^ lees par. — 336 y 11092 êcroit, lees seroit. If. B. Hen heeft de uiigaTe van Hioir met al de mUstellingen, welke blykbaer daer io Tooricomen, nagednikt; doch de door CiAiAaiB opgegerene Terbeteringen io acht genomen. NABERICHT. In de eccemplaren voor het publiek bestemd heeft mm, weUtctenshalve , de variante £/. 51, P 69-72, niet geheel afgedrukt. Voor sommige cmdere exemplaren laet men dezelve alhier volgen: Hi scoot den paep tosschen die been , Ende haelde hem dat een Van den tween, dat ronde dinck, Dat tossehen sijn been binck, In dat budelkijn sonder naet. Dese spronc was den paep qoaet. Vai. VMJ96,enz.: Al heeft hi een knl verloren u heer Dat en scaet hem myn noch 'meer : Hf sel wel dienen van achter. Ten is der capellen geen lachter Dat men laat myt eenre clocken. i . *• *•